Review

Vaderlandse geschiedenis bestaat niet. Of wel? - P.W. Klein over hutspot en andere dingen

'Een boek is niet een pakje uit de grabbelton, waaraan men van buiten niet zien kan wat er in zit.'' En daarom, zo vervolgde Jan Tersteeg al bijna zestig jaar geleden in dat aardige kleine boekje 'Menschen en Manuscripten' moeten boektitels ons wijzer maken over de inhoud.

Ik weet niet of Peter Klein dat ook vindt. Maar als het geen opzettelijke misleiding is, begrijp ik niet waarom hij zijn laatste boek de wereld heeft ingezonden onder de titel: '1000 jaar vaderlandse geschiedenis'. Dat is geen vlag die de lading dekt. Wat we voor ons hebben is een bundel losse opstellen over gevariëerde onderwerpen uit de Nederlandse geschiedenis.

Het gaat over Dirk III van Holland, over Lodewijk Napoleon, over Nederland en Indië, over kinderboeken, over het recept voor hutspot, en nog een stuk of wat andere zaken meer. Voordat de duizend jaar vaderlandse geschiedenis vol zijn, kunnen er zo nog heel wat vervolgbundels verschijnen onder dezelfde naam.

Het zou best opzet kunnen zijn, die eigenaardige titel. De vaderlandse geschiedenis, schrijft Klein in zijn inleiding, bestaat namelijk helemaal niet. Er zijn alleen maar versies, en elke tijd ontdekt haar weer opnieuw. Daarom moeten historici telkens weer hun vragen stellen aan het verleden. Met al die vragen bevredigen wij onze nieuwsgierigheid. Maar de antwoorden moeten we, naar ik vermoed, maar nemen voor wat ze waard zijn. Want geschiedenis, zegt Klein in dat woord vooraf, schenkt ons geen zekerheden.

Als ik er zo over dacht, zou ik een ander vak kiezen. Wetenschap zoekt waarheid, en moet althans de hoop koesteren dat zij de onzekerheid ooit achter zich zal laten. Het schijnt Klein echter niet te deren. Hij schrijft vrolijk acht hoofdstukken vol, en behandelt daarin, volgens de tekst op de achterkaft, 'in vogelvlucht wat er in Nederland is gebeurd'.

Dus toch een vaderlandse geschiedenis? Vast niet. Wat niet bestaat, kun je ook niet beschrijven. Misschien is het daarom ook zo moeilijk, te vertellen waar dit boek over gaat. Neem nu dat hoofdstuk over hutspot. Om te beginnen heet het 'Olipodrigo', een woord dat in het woordenboek van Koenen niet voorkomt. Het gaat nu en dan werkelijk over hutspot, maar meestal over de geschiedenis van het lager onderwijs, hoofdzakelijk als een financiëel vraagstuk bekeken.

Ook de andere opstellen in de bundel hebben iets springerigs, nu eens op de hak, dan weer op de tak. We beginnen voor een onderzoek naar de Nederlandse natie bij de Italiaan Guicciardini, komen dan terecht bij de oude Bataven, belanden in calvinistisch Nederland dat een tweede Israël zou zijn, slaan vervolgens Willem Ockerses Vaderlandse Karakterkunde op, en eindigen in Europa, waar Nederland nauwelijks meer meetelt.

Dat ogenschijnlijk grillige is echter opzet. Klein kiest expres voor een speelse benadering van de geschiedenis, waardoor ook bij onderwerpen als landverraad of armenzorg een lichte toets kan worden aangeslagen: spelen en schuiven met historische feiten. Dat is een garantie voor onderhoudende lectuur, en het maakt de bundel voor de lezer gemakkelijk toegankelijk.

Zo'n aanpak stelt wel tamelijk hoge eisen aan de auteur. Wie veel feiten tegelijk in beweging wil brengen, moet veel weten, en nu en dan ook zichzelf maar liever eens controleren. Ieder mens maakt fouten, maar een socialistenleider Jelle Troelstra (in plaats van Pieter Jelles Troelstra) mag de correctie niet passeren. Nog bonter maakt Klein het met de rooms-katholieke voorman Herman Schaeper, die in het alfabetisch register achterin netjes voorafgaat aan Schaepman H.J.A.M. (zoals de man eigenlijk heette).

Een volkomen raadsel is mij verder de 'antirevolutionaire maar minder orthodoxe minister K.J. van Brugghen', die in 1889 met een nieuwe schoolwet voor de dag zou zijn gekomen, na de 'gesystematiseerde agitatie onder Groen (van Prinsterers) leiding'. Vermoedelijk heeft het iets te maken met J.J.L. van der Brugghen en de schoolwet van 1857, al was het maar omdat de systematische agitator Groen toen nog in leven was. Hoe deze verwarring tussen werkelijke en denkbeeldige personen tot stand gekomen kan zijn, valt voor een buitenstaander echter niet meer te reconstrueren.

Het boek is dus wat slordig uitgevallen, maar ik vermoed eerlijk gezegd, dat het de schrijver nauwelijks een zorg zal zijn. Over een feitje meer of minder moeten we niet struikelen. Het aparte van dit boek is de eigen benadering van het Nederlandse verleden.

Vaderlandse geschiedenis bestaat niet. Daarom kiest Klein stelselmatig voor het ter discussie stellen van gangbare opvattingen. Een voorbeeld: het koningschap van Lodewijk Napoleon. Hij wordt algemeen als een mislukkeling beschouwd, want 'zo'n vorst van allochtone afkomst moest wel een on-Nederlands bewind voeren'. Dat houdt geen steek, zegt Klein; verreweg de meeste Europese vorsten waren allochtonen, inclusief het Nederlandse vorstenhuis Oranje-Nassau.

Het is een prikkelende stelling, maar ze houdt geen stand. Al die andere allochtonen zijn door de betrokken landen zelf binnengehaald, en meestal regeeerden ze krachtens erfrecht. Lodewijk Napoleon daarentegen was een geschenk aan het Nederlandse volk van zijn broer, de Franse keizer, en dat geschenk mocht niet geweigerd worden. Zo'n man moest al over buitengewone kwaliteiten beschikken om aanvaardbaar te zijn, en die laten zich in dit koninkje van Holland nu eenmaal niet ontdekken. Kortom, een prikkelend, maar zeker niet onaanvechtbaar boek.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden