Vader is een nul

Vrouwen nemen de leiding in het gezin, mannen passen zich laks aan, signaleert filosoof Ger Groot. Daarmee is het vaderschap op de tocht komen te staan. Dat schaadt vaders, maar vooral hun kinderen.

’Op een mooie pinksterdag’ van Annie M.G. Schmidt is het aangrijpendste lied dat in de recente Nederlandse literatuur aan het vaderschap gewijd is. Toen het aan het eind van de jaren zestig voor het eerst te horen was, leidde dat tot enige commotie. De angstdroom van de vader over zijn jonge dochter in de zin ’Morgen kan ze zwanger zijn’ schokte menig gemoed. Alsof dat nog niet genoeg was volgde direct daarop het nog onheilspellender besef: ’’t Kan ook nog vandaag’. Dat stelt je als vader niet echt gerust.

Maar eigenlijk staat de melancholiekste zin in het liedje daar vlak vóór. Het meisje is opgegroeid en – zo zingt de vader – ’Op een mooie Pinksterdag / laat ze je alleen’. Dat is de breuk die de ware tegenhanger is van de vreugde van de geboorte. Wat er bij een vader misschien nog wel harder inhakt.

Het vaderschap heeft een kenmerkende cyclus, van de komst van het kind met de geboorte tot zijn of haar vertrek met de beginnende volwassenheid. In die tijd moet het allemaal gebeuren: het temmen van de baby tot een menselijk wezen, het overbrengen van vertrouwen in de wereld (’Hondje bijt niet’), het aanleren van nuttige handigheden als tafelmanieren, het plakken van fietsbanden en het oplossen van vierkantswortels, en vervolgens toch maar weer het implanten van een gezond wantrouwen tegenover de wereld (’Pas op m’n kind / dat hondje bijt’).

Maar dan is het vaak te laat. ’Ze luistert niet’, schrijft Annie Schmidt. Want vader is inmiddels van zijn voetstuk gevallen: ’Vader is een nul’ – en dan hield de schrijfster het nog netjes. ’Vader is er enkel en alleen maar voor de centen/en de rest is flauwekul.’ Ook dat is maar al te herkenbaar.

Toch schuilt er in dit lied iets gedateerds. De opkomst en ondergang van het vaderschap waarvan het binnen de gang van één mensenleven verhaalt, weerspiegelt ook iets van de conjunctuur van het vaderschap binnen de gang van de recente cultuur. De bijna goddelijke status die het had, raakte het in de jaren zestig in rap tempo kwijt.

Ik weet niet of dat nodig was, maar eigenlijk is dat een zinloze vraag. Het is gebeurd en daar hebben wij rekening mee te houden. De gevolgen ervan ervaren we nog altijd. In het afgelopen voorjaar gaf het Amerikaanse tijdschrift The Atlantic een van zijn nummers de titel ’The End of Men’ mee. Dat klinkt ook voor het vaderschap al niet bemoedigend. Als ’vrouwen alle touwtjes in handen nemen’ dan doen ze dat dus ook van de opvoeding. En inderdaad, even verderop in het nummer vinden we het artikel ’Zijn vaders wel nodig?’ Die vraag wordt door de schrijfster Pamela Paul in de ondertitel meteen beantwoord: ’Een vaderlijke bijdrage hoeft niet zo wezenlijk te zijn als wij denken.’

Dat lijkt alarmerend, maar Pamela Paul denkt het bij nader inzien toch niet helemaal zeker te weten, en wie het stuk doorleest, begrijpt de voorzichtige toon van die ondertitel wel. Zeker, alleenstaande moeders zijn succesvoller in het opvoeden van hun kinderen dan alleenstaande vaders, maar dat is de kwestie niet als we het hebben over het twee-oudergezin. En lesbische paren blijken meer tijd te besteden aan hun kinderen dan heteroseksuele ouders. Maar ook daarbij blijft de twijfel knagen. Want die twee moeders uit het laatste voorbeeld mogen dan gezamenlijk zorgzamer zijn dan het klassieke heteroseksuele ouderpaar, het is nog maar de vraag of een kind daar werkelijk gelukkiger of zelfstandiger van wordt.

Iedereen herinnert zich nog wel hoe uitgelaten de dagen konden zijn wanneer moeder even van huis was, en je als kind plotseling veel méér mocht van je vader, die eindelijk binnen het gezin even de touwtjes in handen mocht nemen. Op een losse manier werd je een beetje aan je lot overgelaten en van de weeromstuit voelde je jezelf daardoor heel wat mans. Als de liefde van één moeder al zo smorend kan zijn, hoe moet dat dan wel niet zijn met twee moeders?

Natuurlijk, er is een onderscheid in het lichamelijke geslacht van mensen en de rol die ze vervullen, zo houden de verdedigers van homoseksuele ouderparen ons voor. Ook binnen een gelijkgeslachtelijk gezin kunnen die rollen keurig worden verdeeld, zodat daarin toch een ’vader’ en een ’moeder’ aan te wijzen zijn. Je bent tenslotte geen man of vrouw, je wórdt het – volgens de existentialistische formuleringen van Simone de Beauvoir en Jean-Paul Sartre. Of beter nog: je maakt je man of vrouw. Het lichaam is eerder een vormeloze grondstof dan een vorm die alles van tevoren al bepaalt.

Dat klinkt zeer verlicht, maar ook dit inzicht is alweer enigszins achterhaald. Want in werkelijkheid schuilt er een fikse dosis maakbaarheidsideologie in, waarvan we langzamerhand de grenzen beginnen te onderkennen. De werkelijkheid is niet zo kneedbaar als we wel zouden willen; zo keert dus ook de twijfel terug over het menselijk vermogen zijn eigen geslachtelijke rol te kiezen in plaats van deze te ontvangen. Een noodlot is een lichaam misschien niet, maar een mensenmannetje-met-kinderen is écht iets anders dan een mensenvrouwtje-met-kinderen dat speelt ’vader’ te zijn.

De biologie komt op een storende wijze tussenbeide, niet alleen aan de zijde van de ouders maar ook aan die van het kind. Want een mensenkind komt nu eenmaal niet zonder biologische vader ter wereld. En dan blijkt de wil van het kind om te weten wie dat is zo sterk dat de Nederlandse wetgever daarvoor inmiddels de immuniteit van het zaaddonorschap gevoelig heeft ingeperkt.

Voor de man die vanaf de geboorte een kind als het zijne heeft opgevoed moet dat een gevoelige slag zijn. Naast de banden van het sociale blijven er ook nog de banden van het bloed – en ze blijken sterker dan alle goede wil en zelfopoffering. De kracht van dat verlangen werpt alle illusies over de manipuleerbaarheid van het vaderschap omver. Zo gemakkelijk komt een cultuur die meent zichzelf naar believen te kunnen hervormen dus niet van de biologie af.

Voor het lesbische ouderpaar geldt hetzelfde. Pamela Paul mag dan wel vaststellen dat een dergelijk ouderschap zorgzamer is voor het kind dan dat van vader-en-moeder, de meeste vrouwen blijken uiteindelijk nog altijd de voorkeur te geven aan een heteroseksuele relatie. En dus blijft het klassieke vader-moedergezin toch tamelijk onverwoestbaar. Vrouwen mogen in de samenleving dan wel steeds meer ’in control’ raken, voor de samenstelling van het gezin heeft dat uiteindelijk weinig consequenties.

Op één ding na. Want wat wèl gevoelig is toegenomen is het éénouder-gezin, dat meestal bestaat uit een moeder en kinderen. Het werkelijke sociale vraagstuk ligt dan ook niet in het verschil tussen het homoseksuele en het heteroseksuele paar-met-kinderen, maar tussen het heteroseksuele en het vaderloze gezin. Helaas zijn de statistieken daarover niet bemoedigend. Hoe goed het met kinderen uit vaderloze gezinnen soms ook mag aflopen, over het algemeen gaat een kind dat in dergelijke omstandigheden opgroeit een moeilijke toekomst tegemoet, vooral (maar niet alleen) wanneer het een jongen is.

Dat inzicht is in de sociologie, psychologie en vooral de criminologie al lang gemeengoed. Dat gebroken (en dat betekent bijna altijd vaderloze) gezinnen een voorbode zijn van veel ellende wordt daarin unaniem als een vanzelfsprekendheid aanvaard. Maar in de publieke discussie is dat gegeven lange tijd taboe gebleven. Het feminisme wilde er liever niet aan omdat het de zelfstandigheid en emancipatie van vrouwen leek te weerspreken. En de cultuur van de jaren zestig verwierp de vader-institutie omdat zij die als een belichaming zag van elke autoriteit, waartegen ze zich met hand en tand afzette.

Niet alleen werd iedere vorm van ’paternalisme’ (van personen en van instituties) door de generatie van de babyboomers hartgrondig verafschuwd, ze nam zich ook heilig voor zèlf nimmer een dergelijke vaderrol te zullen vervullen. Aan het eind van de jaren zestig herkenden de jonge mannen de vaderfiguur uit ’Op een mooie Pinksterdag’ maar al te goed, en ze zwoeren dat het tweede deel daarvan (‘Vader is een nul’) hèn nooit zou overkomen. Zij zouden geen vaders meer zijn, maar de beste vrienden van hun kinderen. Vader gaat mèt zijn zoon ongegeneerd bij het voetbal uit zijn dak.

De oud-journalist Ferry Haan (inmiddels ’zij-instromer’ in het onderwijs) bracht dat het afgelopen voorjaar in een opiniestuk in De Volkskrant duidelijk onder woorden: „Jongens hebben voorbeelden nodig waar ze zich aan spiegelen. De vader wil echter vooral een maatje zijn met zijn zoon, geen opvoeder. Die rol wordt zo veel mogelijk doorgeschoven naar de moeder. Samenzwerend met de zoon valt menig vader de strenge moeder hierbij ook nog eens af.” Je ziet het beeld dat door Pamela Paul geschetst werd al voor je ogen opdoemen: vrouwen die de touwtjes in handen nemen, vaders die zich laks aanpassen.

Toch is er voorzichtig iets aan het veranderen. De onmisbaarheid van de vader en van de klassieke vadertaak staan opnieuw op de agenda. Want er lijkt iets in onze cultuur te zijn scheefgelopen dat met het verdwijnen van de volwaardige vaderfiguur samenhangt. Nederland, zo werd nog niet zo lang geleden in televisie- en radiospots vastgesteld, heeft een kort lontje gekregen en in de rest van de westerse wereld lijkt er al niet veel beter aan toe te zijn. Daar zijn vele oorzaken voor, maar een schromelijk gebrek aan zelfbeheersing en incasseringsvermogen behoort tot de belangrijkste daarvan. De maatschappij mag haar leden dan steeds meer onder druk zetten, beschaving en discipline vormen nog altijd de beste buffer tegen de aandriften van een getergd gemoed. Juist die buffer blijkt steeds meer te ontbreken.

Van oudsher werd die in de opvoeding met geduchte hand kleine kinderen aangeleerd. Daarin namen beide ouders elk hun eigen plaats in. De vader prentte het kind op strenge, de moeder op koesterende wijze zijn menselijkheid in. Buitengewoon verlicht of modern is die rolverdeling niet, maar effectief is ze wel, en – zoals we ons na het verdampen van de maakbaarheidsutopieën realiseren – hardnekkig evenzeer.

Onder maatschappelijke en ideologische druk is de rol van wetstellende vaderautoriteit geërodeerd geraakt. De pater familias wierp de handdoek in de ring om zichzelf een verkapte moederrol aan te meten. Dat was hem niet helemaal kwalijk te nemen. Prettig is het nu eenmaal niet te moeten leven onder een dagelijkse, gemediatiseerde en zelfs gejuridiseerde verdachtmaking. Véél aangenamer was het zich naast de moeder te vlijen in het liefdesregime waarom hij haar heimelijk was gaan benijden. De vader werd van zijn kinderen de ’beste vriend’ en hield daarmee op vader en ook een beetje volwassen te zijn. Hij was voor altijd de droomsinterklaas van zijn eigen ’kleine meid’.

Dat bespaarde hem veel strijd en knagende onzekerheid over de liefde van zijn kinderen. Hij werd er daarbij als ’moderne man’ door maatschappij en politiek van harte om toegejuicht, in een samenleving die eindelijk ’vaderloos’ geworden was. En hij was daar zo succesvol in dat het (als we Ferry Haan mogen geloven) inmiddels moeder is die van arren moede maar de rol van de autoriteit op zich genomen heeft.

Niettegenstaande de women’s power die Pamela Paul zo succesvol acht ging haar dat (althans bij haar zonen) kennelijk toch niet zo goed af. Ook zij wist geen soelaas te brengen in het probleem van het korte lontje. Van oudsher had de vader daar wel raad mee geweten, maar juist hij had zijn barsheid met enige opluchting afgelegd, misschien in de hoop daardoor tegelijk verlost te worden van de littekens van zijn eigen kinderjaren.

Maar helaas gaat het in de opvoeding niet zonder die littekens of verwondingen. Ze is zelf waarschijnlijk niet veel anders dan het pijnlijke trauma waarin en waardoor de menselijke diersoort mens wordt. Je kunt dat trauma uitstellen, in de verlengde utopie van een conflictloze, vrije en ogenschijnlijk vlekkeloos gelukkige jeugd. Maar ooit zullen die wonden toch geslagen worden. En hoe later dat gebeurt des te dieper en ongeneeslijker zullen ze zijn.

Het vaderloze kind krijgt zijn strijd met de autoriteit hoe dan ook te verstouwen, des te onverkwikkelijker omdat die autoriteiten gezichtslozer èn onbarmhartiger worden naarmate dat moment verder is uitgesteld. Na een, tot in het uiterste opgerekte, conflictloze kindertijd staat het op een goede dag oog in oog met een werkgever, een arbeidsbureau of een samenleving als geheel die hem níet meer koestert, maar aanspreekt als de ’grote jongen’ die hij van zijn vader nooit heeft mogen worden. En dan gaat het mis: met hém en zovelen als hij, misschien wel een hele generatie.

De vaders van nu zijn dan ook niet onschuldig aan het falen én het verdwijnen van hun eigen rol. Zij hebben zich de afgelopen decennia te gemakkelijk laten inpalmen door een utopisch opvoedingsideaal waarin ze niet alleen hun kinderen maar ook zichzelf lieten verzinken in een sfeer van conflictloze lieflijkheid. Met de beste bedoelingen verzaakten ze daarbij de dure plicht die zij verschuldigd waren aan hun eigen vaderschap.

Als dat laatste op dit moment opnieuw zijn plaats opeist, dan kan dat geen eenvoudig herstel zijn van het paternalisme van vóór de jaren zestig. Maar wel is het van belang dat de ’nieuwe vader’ van nu zich realiseert dat hij in veel meer opzichten lijkt (of zou moeten lijken) op de ’oude vader’ van toen dan dat waspoeder-achtige etiket (’de nieuwe vader’) suggereert. Natuurlijk, zijn dagindeling en zijn werkschema zullen wat anders zijn ingevuld, hij loopt wat vaker achter de kinderwagen en heeft ontdekt dat het verschonen van de luiers eigenlijk een heel prettige bezigheid kan zijn.

Maar de taak die hij in de opvoeding te vervullen heeft is niet wezenlijk veranderd. Of hij wil of niet, moet hij de Wet durven zijn en durven stellen. Dàt maakt hem tot vader: onmiskenbaar, onverzettelijk, en in die zelfopgelegde (zelfs voor hemzelfs soms pijnlijke) distantie achtens- èn beminnenswaard. Daarmee verloochent hij niet de overweldigende liefde die hij voor zijn kinderen voelt (zoals zíjn vader en grootvader die op hun beurt ook voor hun kinderen hadden gevoeld). Hij laat zich er alleen niet exclusief door opslokken.

Hij heeft lief op zijn eigen, onvervangbare wijze. De vaderrol die hij tegen de bierkaai op moet belichamen, is zijn roeping en zijn lot, daar verandert geen lieve moedertje iets aan. Hij is níet de beste vriend van zijn zoon of zijn dochter, hoe graag hij dat misschien ook zou willen zijn. Hij is vader. De rest komt daar verre achteraan. Niet omdat het in de woorden van Annie M.G. Schmidt toch maar ’flauwekul’ zou zijn, want dat is het niet. Maar het is niet de vervulling van zijn vaderschap, dat in weerwil van alle culturele en seksuele revoluties nog altijd niet wezenlijk is veranderd.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden