VADER EN ZOON PERK ACHTERNA (3)

De Belgische Ardennen inspireerden Jacques perk tot het schrijven van sonnetten, zijn vader, de dominee, schreef de eerste Nederlandse reisgids voor de Ardennen. In een drieluik gaan Frans Oerlemans en Peter Janzen vader en zoon Perk achterna, gewapend met reisgids en sonnetten.

Op de verjaardag van Koningin-Moeder Emma, een verjaardag die door de Hollandse gasten in La Roche ieder jaar weer met veel geestdrift wordt gevierd en velen op de been brengt, wordt op initiatief van de heer Jules Tacheny, eigenaar van het Grand Hotel des Ardennes en vriend van dominee M. A. Perk, een gedenkteken onthuld: een steen en een bank. Dominee Perk, inmiddels 78 jaar oud, verzendt vanuit zijn hotel in Badenweiler, waar hij aan het kuren is, op 2 augustus 1912, om 11.36 uur precies, een danktelegram en schenkt aan de armen van La Roche 500 Belgische franken. In zijn telegram gaat dominee Perk in op de vriendelijke woorden die Tacheny aan zijn adres richtte: “Vive les Etrangers, Vive la Hollande!, Vive Monsieur Perk!”

Rijdend door België, op weg naar onze vakantiebestemming in Zuid-Frankrijk, probeer ik steeds een excuus te vinden om van de snelweg af te komen. Ik zoek 'Mathilde'. Maar je bent België uit voor je er erg in hebt. Het land heeft zich met de aanleg van autowegen opgeheven. Dit jaar gaat het anders. De tweeling is op ponykamp en Gé heeft uit pure liefde een concessie gedaan. We zullen op weg naar Frankrijk in La Roche overnachten. Op het Belgisch Verkeersbureau scoor ik een zak vol folders. Als Gé ziet dat in een apart koffertje ook een deel van mijn Perkbibliotheek meegaat, vraagt ze sarcastisch: “Op wie ben je nu eigenlijk verliefd?” Ik geef het juiste antwoord.

Op mijn kaart van het Syndicat d'initiatieve de La Roche, wordt tussen de 21 hotels, 10 campings en 120 locations touristiques, onder nummer 16 Monument Pierre PERCK aangeprezen. Drie woorden, twee fouten. Dat belooft niet veel goeds. Bij Cielle verlaten we de snelweg. Vanuit 'de hemel' neerdalen op La Roche kan alleen maar tegenvallen.

“Van welken kant men de stad nadert, onwillekeurig wordt men getroffen door haar ligging. Het landschap, gevormd door de oude ruïne met aan haar voet gegroepeerde huizen, en de rivier, die haar omkronkelt als een reusachtige slang; de krans van met dichte bosschen begroeide, door aschgrauwe rotsen afgewisselde bergen, die beiden omgeeft; de vriendelijke groene dalen en de met vruchtbare bouwlanden of lachende, terrasvormig aangelegde tuinen bedekte hellingen, moeten wel de bewondering van ieder wekken, die niet ten eene male verstoken is van gevoel voor waarachtig natuuschoon.”

Wij kruipen La Roche binnen. Tractoren en boerenwagens blokkeren de weg. Wat wij voor een boerenprotest houden, blijkt een agrarische braderie. “Wat een idylle”, Gé kijkt mij spottend aan. In de Rue de l'Eglise kan ik eindelijk de auto kwijt. Het hotel is niet te vinden. Als we niet oppassen, zitten we voor 100 franken in Le Petit Train om La Roche te ontdekken. Op de volgende hoek wordt ons een mountain bike in de handen gedrukt: décrouvez les bois sur des circuits fléchés. Reclameborden schreeuwen ons toe: doe Kayak - Rafting - Ski. Op de Place du Bronze vind ik het Syndicat d'initiative. Ons hotel ligt aan de Ourthe, op de weg naar Jupille. Gelukkig ver weg van dit platgetreden en omvergelopen La Roche.

“We hadden bij de frères Meunier in het Hotel du Nord kamers besteld. Men had het mij aanbevolen, ook met het oog op den pensionprijs, die slechts 4 franken bedraagt per dag, waaronder dan nog gebruik van bier aan de beide open tafels, des middags en des avonds, is begrepen.” Maar het verblijf bij Meunier valt tegen. Het huis is somber, de kamers zijn laag en bekrompen en het is er ook niet fris. De familie verhuist naar kamers boven het Café Royal, aan de overzijde van de brug; kamers met een prachtig uitzicht over de rivier en op de bergen. Het ontbijt en de open tafels gebruikt men nog steeds bij Meunier, ook al kun je uitsluitend door de keuken de eetzaal bereiken en heeft één van de broers de hebbelijkheid zijn handen boven de sla te wassen. Maar de tafel is zeer gezocht en de Meuniers schenken een goede wijn voor een betrekkelijk lage prijs. Wat de dominee betreft blijft het bij die ene logeerpartij. Het hotel Des Ardennes krijgt voortaan zijn klandizie.

In de hostellerie 'Relais de l'Ourthe' worden wij hartelijk ontvangen. Onze kamer ligt aan de achterzijde van het huis en kijkt uit over de Ourthe. In de koeler op het dressoir staat een witte Bourgogne en op het bijgevoegde kaartje lees ik: “Cher ami, Vous avez rendu visite au 'Relais de l'Ourthe' nous venons simplement vous remercier chaleureusement.” Ik kijk Gé triomfantelijk aan. Als wij voor het diner naar beneden komen, voel ik de foto, opgediept uit het archief van de dominee, in mijn binnenzak branden. Op de foto staat het feestcomité dat ruim tachtig jaar geleden dominees monument oprichtte. “Où est le hotelier?”, hoor ik mijzelf vragen aan de gerant die ons de tafel wijst. De man kijkt mij niet begrijpend en wat argwanend aan. Gé schat de situatie goed in en neemt het woord. De MMS werpt vruchten af. Die avond wordt de foto druk besproken.

Met de Perken verblijven ook de Engelse majoor Rodd, vergezeld van zijn echtgenote, dochter en zoon, in het hotel van de drie broers Meunier. Zijn zoon Rennell heeft een vriend mee op reis genomen: de 25-jarige Oscar Wilde. Ook logeren in het hotel de Brusselse geoloog Xavier de Reul met zijn achtjarige zoon Paul en zijn dochtertje Juliëtte en zijn pupil Mathilde Thomas. Zij is 21 jaar en maakt in het hotel snel contact met de meisjes Perk; vooral met Dora, die al 19 is. Jacques, 20, vindt haar wel aantrekkelijk. Hij weet dat zij verloofd is, maar veel te kiezen valt er niet. De Reuls en de Perken kunnen het goed met elkaar vinden en trekken de daarop volgende dagen veel met elkaar op. De jongelui vormen een vrolijke groep. Die week zal Jacques niet van Mathildes zijde wijken en haar niet veel later in zijn sonnettenkrans bezingen. Maar wat een tragiek: Mathilde wist zich op latere leeftijd nauwelijks meer te herinneren wie Jacques Perk eigenlijk was. Was dat niet die pafferige, bleke blonde jongeman, die zij wel eens een hand had gegeven en met wie zij wel eens een paar woorden had gewisseld?

De volgende ochtend stroomt de zon onze kamer binnen. De Ourthe maakt een zacht kabbelend geluid. De televisiebeelden van de afgelopen winter lijken bedrog. Na het ontbijt nestelen we ons op het terras van het hotel. Gé lijkt verdiept in haar lectuur of liever gezegd de mijne: de reisgids van de dominee. Kennelijk is 'Perkmania' overdraagbaar. Ik lees met haar mee: “Wij zagen vanuit onze ramen de in een woeste zee herschapen rivier in pijlsnelle vaart voortvliegen en allerlei voorwerpen meesleuren, geheele hooibergen, boomstammen, ook dode varkens en schapen en zelfs een paar runderen, in één woord alles wat zij op haar weg ontmoette.” Gé springt op, ze zoekt verkoeling in de beek. Ik blader verder; het weer klaart op: “Hoe genotvol was het mij er te verwijlen aan de boorden van de hier niet zeer diepen stroom, onder de lommer van de hoogen boomen. (...) En wat pret hadden wij, toen het geheele gezelschap, ouderen en jongen, kousen en schoenen uittrokken, en in de kabbelende golfjes rondplasten.” Ik neem een foto. Ook Jacques legt het beeld vast.

Schietbeek

In 't breede lommer van de lage boomen Glipt, glipt het beekje langs de holle boorden; Het streelt de blonde bloemen aan zijn zoomen, En zingt een lied vol murmelende akkoorden. Toen kost gij, lieve, uw lust niet meer betoomen, Maar waadde' door de golfjes, die bekoorden; Zij wijken, nu zij bij uw voetjes komen, En kussend fluisteren zij liefdewoorden. (...)

Maandag Bankdag. “Moet je alweer pinnen?”, vraagt Gé. Ik leg een zekere plechtstatigheid in mijn stem en antwoord: “Heden bezoeken wij het monument Pierre Perck.” Het staat er opgepoetst bij. De tekst is zonder enige inspanning uitstekend te lezen. “Laroche est le centre d'un panorama splendide”, begint de tekst om te eindigen met de woorden: “M. A. Perk, auteur de In de Belgische Ardennen. Reconnaissance.” Zittend op de bank kijken wij uit over het stadje. Vanaf deze plek liet Tacheny een foto maken, die hij als ansichtkaart zijn gasten cadeau deed. “Vue prise du banc M. A. Perk”, luidt het onderschrift dan ook. Aan onze voeten stroomt de Ourthe. Van het stadje bleef geen steen op de andere staan. We kijken naar een reconstructie, alleen de ruïne heeft de oorlog overleefd. “Maar waar is nu die tekst van Jacques?”, vraagt Gé, “je had er een heel verhaal over.”

Op een druilerige dag in juni 1933 wordt bij deze bank weer feest gevierd. De dichter wordt gehuldigd en herdacht. Het stadje heeft zich voor deze gelegenheid extra feestelijk aangekleed. De Nederlandse driekleur wappert weer broederlijk naast de Belgische. Onder de genodigden bevinden zich ook de kinderen van Joanna Blancke, de 'Mathilde' uit Jacques' laatste levensjaar. Op de achterzijde van de steen is een tekst aangebracht: “Ik ijl naar mijn geliefde, de lustige Ourthe, die mij schaterend opvangt. . .

Jacques Perk, Hommage au Poète Néerlandais.'' De tekst ken ik. Het zijn de goed gekozen regels uit een brief die Jacques in de zomer van 1880, met Willem Kloos op vakantie in België, vanuit het vertrouwde La Roche aan zijn ouders schreef. Terug in het 'Relais' vraag ik aan de hotelier of er op mijn foto al personen herkend zijn. 'Demain', zegt hij, morgen weet hij meer. We dineren op het terras. De Ourthe noodt tot het drinken van veel wijn. Nog net niet hand in hand zien we hoe de avond over de Ourthe valt.

Vaarwel, vaarwel, gij zon, die ondergaat In purpren vlammen-zee en gouden verven! Ik zie u niet meer in de bergen sterven, Waarop het donker woud te pronken staat! (...)

De hotelier komt mij de volgende morgen, met de rekening in de hand en een tevreden lach op het gezicht, tegemoet. “Ah, monsieur”, de personen - hij weet wat namen. In rap Frans richt hij zich tot Gé, die inmiddels ook aan de ontbijttafel is aangeschoven. Die heer met zijn stok, links vooraan, dat is de commissaris van politie, Feroumont. Jules Tacheny staat achter hem. Hem ken ik van andere foto's uit Perks collectie. “En die twee dames?” Ik wijs twee vrouwen aan, die ingeklemd tussen de heren op de bank zitten. “Oh, dat zijn de weduwe Lahire en madame De Bode. Kijk, ik heb alle namen voor u opgeschreven.” We nemen afscheid en stappen in de auto. De hotelier houdt de deur voor Gé open en gooit die vervolgens met een klap dicht. Met een handgebaar bedank ik hem en rij weg. “Jij dacht zeker dat één van de twee Mathilde was? Je kon je teleurstelling nauwelijks verbergen.”

“Hotel California” van de Eagles knalt door de auto. “Is dit dan jouw afscheid van Perk en zijn Mathilde?” “Scheiding, Gé, Scheiding”, schreeuw ik boven de muziek uit en trap het gaspedaal flink in.

De voerman zwaait de zweep, ik hoor ze knallen; De wagen ratelt langs de helling heen; De rem knarst tegen 't wiel, de schellen schallen De hut, die haar bevat, rijst en wordt kleen (...) Vloeit nu gerust, gij, ingehouden tranen! Met ù moet zich de smart een uitweg banen: Wat ware een traan, zoo daar geen ziel in trilde?

Spreekt, tranen! dan 't 'vaarwel', dat ik niet vinde... Ik wilde zeggen, hoe ik haar beminde, En alles, wat ik zeide, was: 'Mathilde!'

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden