VADER EN ZOON PERK ACHTERNA (1)

De Belgische Ardennen inspireerden Jacques Perk tot het schrijven van sonnetten, zijn vader, de dominee, schreef de eerste Nederlandse reisgids voor de Ardennen. In een drieluik gaan Frans Oerlemans en Peter Janzen vader en zoon Perk achterna, gewapend met reisgids en sonnetten.

'Midlife crises', oppert mijn omgeving al enige tijd. Een zoveelste check-up en een onderzoek van mijn bloed leverde nooit iets op. Ik moest erop uit. Rust schreef mijn arts voor. Luxemburg leek aantrekkelijk. Ook Dinant wilde ik weer zien. Diekirch kende ik nog niet. De vakantie in Diekirch had Jacques destijds enorm geholpen: “Drie à vier weken in een heerlijke bergstreek konden bij machte zijn om de verdelgingswoede van een geheel Amsterdamsch jaar te keeren en tegenwicht te vormen aan bleekheid en verslapping.”

Dat had ik nodig. De jonge dichter amuseerde zich met de meisjes van de hotelier en raakte bevriend met de kunstschilder Herman van der Voort in de Betouw, die een jaar later Jacques zou portretteren. De ellende van de voorafgaande maanden, Jacques' bloedspuwingen en de zelfgekozen dood van zijn vriend Eduard Samson, leken heel ver weg.

Een vrachtje aan vrije dagen en veel vakanties karakteriseert het onderwijs. Dat is de communis opinio. Als jong docent dacht ik nog al die vrije dagen te vullen met wetenschap. Dat enthousiasme is verdwenen. Ik heb er vreemd genoeg niet eens de tijd voor. Ik zit gevangen in een baan waar je met behulp van een doordringend belgeluid om de 50 minuten tot werken wordt aangezet. Mijn wetenschap is verlopen, verworden tot een liefhebberij. Meer is het niet. Perk achterna. Waarom in vredesnaam? Mijn hele klas zit vol jongelui van die leeftijd en zo lief heb ik de meesten niet.

Dit jaar moet Dinant mijn stress verdrijven. Jacques had in Dinant, die toen zo mondaine stad, graag gelogeerd. De dominee kiest voor de goedkoopte in het naburige Anseremmes en neemt zijn intrek bij Bricart: vijf franken per persoon, maaltijden en bier inbegrepen. Het is behelpen in het eenvoudige pension. Van goede bediening is geen sprake. Wel wordt de kleding gereinigd en staan de schoenen gepoetst. Het is maandag 7 juli 1879 en de hele dag regen.

Ik neem een kamer in hotel L'Etoile in het centrum van Dinant. De Rue St. Jacques, waaraan het hotel ligt, is een steil aflopende straat, die uitkomt op de Maas. Vrachtwagens en bussen denderen dag en nacht langs het hotel. Een van deze bussen reed, nog niet zo lang geleden, de Maas in. Ik zou er somber van worden.

“Boomen grauw, bergen grauw, onze gemoederen grauw”, schrijft Jacques aan zijn vriend Frank van der Goes in Amsterdam. Alleen wat jonge, vreemd uitgedoste schilders zorgen ondanks de regen voor wat afleiding. Het Repos des Artistes van Boussignault, waar de schilders verblijven, ligt bij Bricart om de hoek. Ik besluit een bezoek te brengen aan de heer Boussignault op de Grand Place. Hij geeft niet thuis. Later krijg ik hem aan de lijn en verneem van deze achterkleinzoon van de oude Boussignault dat in de dagen dat de familie Perk in Anseremmes logeerde, zijn overgrootouders het Repos uitbaatten. Anseremmes was in die tijd een ware kunstenaarskolonie. “Weet u dat de kunstenaar Félicien Rops daar veelvuldig verbleef? Hij was ook lid van de roeiclub die de artiesten hadden opgericht.” Dat wist ik niet. Als hij nog wat andere namen noemt, hoor ik ook die van Bricart. Mijn bier gaat steeds beter smaken. Ik besluit plannen te maken en mijn dagen hier nuttig te besteden. Waar zaten Jacques en zijn ouders die week?

Het gezin verbleef van zondagavond 6 tot zaterdagmorgen 12 juli te Anseremmes. Men trok er iedere dag op uit. Van tijd tot tijd werd het gezin bij hun uitstapjes vergezeld door Kaarle Bontems die ook bij Bricart logeerde. Deze Brusselse journalist, die in z'n eentje het krantje 'Les Nouvelles' volschreef, was door zijn jaarlijks terugkerende verblijf in de Ardennen een kenner van de streek.

“We zijn er nog geen volle vier en twintig uur en de vrouwen hebben ieder minstens vier en twintig klachten, de mannen de helft ongeveer.” Frank van der Goes, kind aan huis bij de Perken, begrijpt maar al te goed dat Jacques' moeder het liefst maar meteen zou opbreken. “Zijn we daar nu voor op reis gegaan?” vraagt zij zich af. Gelukkig, het weer klaart laat in de middag wat op. Erop uit! Men is toch niet voor niets op vakantie.

En nu maar flink vrolijk, houd ik mijzelf voor en probeer zelfs iets van nonchalance in mijn lopen te leggen. Is er nog iets terug te vinden uit die zomer van 1879? Ik rijd naar Anseremmes en parkeer mijn auto achter de kerk op enkele stappen van Le Pont des Artistes. Als ik terugloop in de richting van Dinant, moet ik, in de schaduw van Le Rocher-Bayard, langs het huis van Bricart en het Repos des Artistes komen. De oude foto heb ik bij mij. Alles is weg. Het is nog vroeg. Toeristen laten zich niet zien. Aan mijn rechterhand stroomt de Lesse, links de Maas. Zittend tegen de balustrade van de brug lees ik in dominees reisgids: “Aan de ingang van een smal pad, dat in schuinsche richting naar den top van den bergen, en van daar in het hart der vallei van de Lesse geleidt, eenigszins op den achtergrond, valt uw oog op een kleine onaanzienlijke woning.” Het Repos des Artistes. Een vroege Rijkswacht toont al te veel belangstelling voor mijn persoon. Ik voel me betrapt, spring geschrokken op en loop snel in de richting van het dorp Falmignoul.

Op gezag van dominee Perk houden we de straatweg aan en wagen ons niet aan het beklimmen van de bergen. Na een wandeling van zo'n anderhalf uur wacht ons in een van de talrijke estaminets een welverdiende beloning. De straatweg, die evenwijdig aan de Maas loopt, levert ongekende vergezichten op. Over Jacques' schouder kijk ik mee: daar aan de overzijde van de Maas ligt het kasteel van Freyr en daar dat van Waulsort. Af en toe valt er een bui, maar dat deert hun niet.

De Belgen rijden als gekken. Steeds weer word ik gedwongen haastig in de berm te springen. Maar er is ook zoveel moois te zien. Smakelijk weet de vader van de waardin te vertellen over de langstrekkende legers van Napoleon. Het weer wordt al maar slechter. Een open kar kan hen eventueel naar Anseremmes terugrijden. Dat kost geld. Wat een prijzen durft men hier te vragen. De dominee bedankt. De goedkoopste blijkt hier peperduur. Ze besluiten te voet naar huis te gaan. Over zijn ontmoeting met de oude man zal Jacques die zomer dichten: De Grijsaard op den Berg/ Nog had de nacht haar wieken niet ontvouwd/ Toen schemer boven stroom en helling zweefde/ Daar zit een man, die honderd jaar doorleefde/ En oogt op 't mijmrend avondgoud.

“Dag jongen, wat bof je toch geweldig dat je in Amsterdam bent. P.s. 'k Wou dat ik de tabak was die met dezen Amsterdam zal bereiken.” Mijn voeten zijn enorm opgezwollen. Deze dagmars van vele uren langs een steeds drukker wordende autoweg heeft ook iets van zelfkwelling.

's Avonds, alleen op m'n kamer, het geluid van de vrachtwagens in mijn oren, lees ik dat in het park van Furfooz naast prehistorische grotten ook Romeinse baden en de ruïne van een Middeleeuws fort te vinden zijn. Furfooz is morgen mijn bestemming, mij gaat het om de “Trou Collard.”

“Bij de Rocher-à-Bayard sloegen wij de weg naar Neufchâteau in, die langzaamrijzend, midden door het trotsche woud van Froidveau loopt. (...) Ons rijtuig was geheel open. De blik kon dus in volle vrijheid naar allen kanten heendwalen. Maar langzamerhand begon de lucht te betrekken. Onheilspellende wolken onderschepten de zonnestralen... De wind stak op... Het geheele landschap werd met donkervale tint overgoten. Dikke regendroppelen vielen eindelijk neder. Wij trachtten ons zoo goed mogelijk door paraplu's te beschutten. Daar verraste ons een hoos, die losbrak juist op het oogenblik, dat wij den berg zouden beginnen af te dalen. In een oogwenk keerden onze regenschermen zich binnenste buiten, en braken de baleinen van een paar hunner. Een hageljacht striemde ons gelaat. Wij wilden den koetsier een oogenblik doen stilhouden om de achterkap van den wagen op te zetten. Maar ons geroep drong niet eens tot zijn oren door. (...) Onze voerman zag geen kans zijn rossen in te houden. Deze gingen door en renden in vliegenden galop naar beneden. Gelukkig volgden wij een rechten weg. Mijn hart bonsde van schrik. Wij bleven echter zitten, al grepen wij elkaar van angst soms in de hand.”

Naast mij zit niemand als ik, vertrouwend op mijn remmen, de heuvel afrijd. Onder aan de berg ligt Furfooz. Zoals toen. Geweld van oorlogen heeft veel vernietigd, maar de structuur waarin dorpen en steden liggen, wijzigt zich niet. In Perks tijd was het dorp vrij armoedig. Nu heeft toerisme welvaart gebracht. Opgravingen in Furfooz waren niet de moeite waard: enige brokken muur en steenklompen, overblijfselen van een Romeins legerkamp was alles. Nu is elke oude steen gepromoveerd tot monument. Furfooz is verheven tot Nationaal Park. Geheel tegen mijn zin moet ik de in het park uitgezette route volgen. Een afgebakende wandeling van 3.5 kilometer. Alleen het kruis van Collard heeft mijn interesse. Het 'Grafkruis' waar Jacques over dichtte. De tijd waarin een Amsterdams gezin gegidst door de heer Bontems onbelemmerd op verkenning kon, is voorbij. Een kaartje kopen. De bewijzering volgen. Als maar geen schreeuwende schoolklas het park onveilig maakt.

Waar staat Collards kruis? Ik neem de reisgids van dominee Perk erbij: mijn bijbel. Volgens die 'bijbel' trof men destijds, aan de voet van een berg, een grafkruis aan: door een vallend rotsblok werd een zekere mevrouw Collard, 44 jaar oud, verpletterd. Lopend langs de voorgeschreven route heb ik geen belangstelling voor de Romeinse en Middeleeuwse bezienswaardigheden. Na twee uur klimmen en klauteren, praktisch op het einde van de route, zo maar langs de weg: een stenen kruis.

Het Grafkruis/ Hier viel de rots op 't hart, toen in zijn woede/ De Geest des afgronds haar ten offer koos,/ En nedersmakte 't blok, meedoogenloos,/ Op wie zich zingend naar haar kindren spoedde.

Het kruis is verweerd: de tekst moeilijk te lezen.

“ACCIDENTELLEMENT MONSIEUR ONULPHE JOSEPH COLLARD DE FURFOOZ LE 20 JANVIER 1868 AGE DE 44 ANS POUR LE REPOS DE SON AME RIP.”

Een man dus, geen vrouw. En ds. M. A. Perk heeft dit altijd geweten. In het Leeskabinet van 1880, waarin hij tal van reisnotities publiceerde, schreef hij nog: “dat zekere Collard, oud 44 jaren”, door een naar beneden stortend rotsblok werd verpletterd. In zijn officiële reisgids van 1882, opgedragen aan zijn net overleden zoon, maakt hij er een vrouw van. De dichterlijke vrijheid van zijn zoon bracht hem daartoe. Dominee Perk begreep kennelijk niet dat het zijn zoon om de zeggingskracht van het beeld ging en niet om een getrouwe weergave van de waarheid. Daarom past hij die 'waarheid' nu maar aan. Dat iedere reiziger met dominees 'bijbel' op zak wel heel eenvoudig de onjuistheid van het vertelde kon vaststellen, woog voor de vader minder zwaar dan de woorden van zijn zoon.

Bij het ontwaken voel ik mij benauwd; een lichte druk op mijn borst. Ik moet niet zo veel roken. Die tocht van gisteren was te inspannend. Waarom blijf ik hier nog langer? Tot rust kom ik niet. De hotellier vraag ik mijn ontbijt op de kamer te brengen en mijn rekening op te maken. Ik zoek mijn spullen bij elkaar.

Schuberts' strijkkwartet “Der Tod und das Müdchen” stop ik in mijn cassettespeler en rijd naar beneden de Rue St. Jacques uit.

Daar beneden ligt de Maas.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden