Vader des Vaderlands is toch echt vroom gebleven

HOORNAAR - 'Mijn God, heb medelijden met mij en met uw arme volk'. Deze beroemde laatste woorden van Willem van Oranje kunnen dienen als de sleutel tot het verstaan van Oranje. Christelijk medelijden en zorg voor het vaderland hebben hem gedreven als leider van de opstand in de Nederlanden.

AGNES AMELINK

“Als je zoveel brieven aan en van iemand leest, dan weet je op een gegeven moment hoe iemand is”, zegt drs. H. Klink. “Dat medelijden met gewone mensen die vanwege hun geloof de dood zouden worden ingejaagd, dat kenmerkte hem echt.” Toen Filips II in 1565 vanuit Segovia de teugels op godsdienstig gebied strak aanhaalde, schreef de prins aan zijn broer Lodewijk van Nassau “...hetgeen ik werkelijk in mijn hart heb gevoeld, aangezien ik ervan overtuigd ben dat dit niet christelijk of ook doenlijk is”.

Dozen vol fotokopieën staan op de tijdelijke studeerkamer van Huib Klink, hoog in de hervormde kerk van Hoornaar. (De monumentale pastorie wordt gerestaureerd.) Talloze brieven zijn het, in zwierige handschriften. De correspondentie van Willem van Oranje omvat meer dan 10 000 brieven, die op het ogenblik geïnventariseerd worden door het Nederlands instituut voor geschiedenis in Den Haag. Klink bestudeerde er ruim 3000 uit de periode tussen 1559 en 1568, het jaar dat de opstand begon. Voor zijn dissertatie wilde hij uitzoeken hoe Willem de Zwijger dacht over het recht van opstand en hoe hij in de jaren voor de opstand beïnvloed was door Luther en Calvijn.

Zeker in het protestantse deel van Nederland zijn generaties schoolkinderen opgevoed met de Vader des Vaderlands als een voorbeeld van vroomheid. Dankzij hem werden de boze Spanjaarden immers verdreven en kon de Reformatie zegevieren. De uitspraak van de stervende prins en zijn leuze 'Ik heb met de Potentaat der potentaten een verbond gemaakt' gingen erin als koek. Geschiedschrijvers van deze eeuw nuanceerden dit beeld. De prins van Oranje was een bekwaam en handig politicus, uit op macht. Met religieuze bevlogenheid hadden zijn daden niet zoveel te maken.

Met het proefschrift 'Opstand, politiek en religie bij Willem van Oranje, 1559-1568', waarop Klink vandaag promoveert aan de Rijksuniversiteit Universiteit, wordt de prins weer een beetje vromer. Dit is het resultaat van jarenlang speurwerk in de nachtelijke uren. Overdag is Klink gewoon dorpspredikant in de Alblasserwaard; de hervormde gemeente van Hoornaar (gereformeerde bond) telt 1000 zielen. “Het was een soort puzzel”, vertelt hij, “waarbij op een gegeven moment de stukjes op hun plaats vielen.”

Een grote rol heeft daarbij de zogeheten Printzische Entschuldiging uit 1568 gespeeld. Het bestaan van dit document (in het Koninklijk Huisarchief) was wel bekend, maar het was totnogtoe niet bestudeerd. Het heeft sterke verwantschap met een ander verdedigingstractaat uit hetzelfde jaar (de Summarische Anzeige), maar het is veel persoonlijker van toon. Wellicht was het om die reden minder geschikt als propagandageschrift en is het bij een manuscript gebleven, vermoedt Klink.

Van het begin tot het eind legt Oranje in deze Entschuldigung veel nadruk op het godsdienstige motief van het verzet. Het gaat om duizenden benauwde christenen, die naar lichaam en ziel in levensgevaar verkeren. “Vrome christenen” hebben hem om hulp gevraagd en “in Gods naam” heeft hij een begin gemaakt met de verdrijving van de tirannie. Hij vraagt de Duitse vorsten, voor wie het stuk bedoeld is, hem bij te staan in deze actie van “christelijk hulpbetoon”. Met deze Duitse vorsten, zo blijkt uit andere correspondentie die Klink heeft onderzocht, stond Oranje in veel nauwer contact dan tot dusver bekend was. Op die manier onderhield hij zeker sinds zijn huwelijk met Anna van Saksen in 1561 intensieve banden met de lutheranen. Pas later schoof hij op in calvinistische richting.

Wat Klink ook uit de Printzische Entschuldigung opmaakt is dat Oranje in 1559 werkelijk een onderhoud moet hebben gehad met koning Hendrik II van Frankrijk. Bij een jachtpartij in het Bois de Vincennes vertelde Hendrik van de plannen van Filips II voor een verscherpte Inquisitie. Willem van Oranje beschreef die ontmoeting uitvoerig in zijn Apologie van 1581, maar hedendaagse historici, met name de Duitser Rachfahl, heben bestreden dat 'Vincennes' werkelijk heeft plaatsgevonden. Oranje zou dingen door elkaar hebben gehaald. Uit het feit dat Oranje in de Entschuldiging aangeeft dat hij er al vóór het vertrek van Filips II uit de Nederlanden in augstus 1559 “achtergekomen was” wat de koning van plan was, leidt Klink echter af dat Oranje in de Apologie wèl de waarheid vertelde. Het plan, waarover de Franse koning zich uitliet in de veronderstelling dat Oranje ervanaf wist, voorzag in een reorganisatie van de Nederlandse bisdommen waardoor het mogelijk werd de nieuwe religie krachtdadiger te bestrijden. Het bracht bij de adel nog voor Filips vertrok veel commotie teweeg.

Het jaar 1559 is in het denken van de prins over de opstand cruciaal geweest, meent Klink. Oranje voorziet waartoe de Inquisitie zal leiden en is oprecht begaan met al die arme gelovigen. Hierdoor zal hij zich uiteindelijk als leider van het verzet opwerpen. Overigens probeert hij de koning aanvankelijk wel trouw te blijven. Zelfs in 1566, het jaar van het Verbond der edelen en de beeldenstorm, bezoekt hij demonstratief de mis in de kerk van Antwerpen, terwijl honderden protestanten de stad uitstromen om naar hagepredikers te gaan luisteren. Ook in de Printzische Entschuldiging neemt hij Filips nog in bescherming, door Alva als kwade genius af te schilderen. Maar dan weet Oranje wel beter, schrijft Klink.

Klink benadrukt dat Oranje zich theologisch-dogmatisch niet echt profileerde. Wat hij zei over het geloof had altijd te maken met de praktische politieke situatie waarin hij verkeerde. Hij was tolerant. Klink laat overigens zien dat die tolerantie niet uitsluitend aan Erasmus te danken was. Binnen het lutheranisme en het calvinisme waren er geestverwanten van de prins die uit evangelische motieven tolerant waren. Bij hen voelde Oranje aansluiting.

De politieke motieven voor de opstand waren voor de prins even belangrijk als de religieuze; ze stonden in nauw verband met elkaar. Klink: “Het ging hem om het vaderland, de vrijheid en de religie. Voor Oranje was het een soort drie-eenheid.”

Klink is niet bevreesd dat hem voor de voeten zal worden geworpen dat ook hij Oranje door een gekleurde bril heeft willen zien. Als rechtgeaarde hervormde dominee beschouwt hij de Nederlandse hervormde kerk immers als de vaderlandse kerk, die hier in de roerige zestiende eeuw door God zelf geplant is. “Ik heb niet voor niets al die brieven zo uitgebreid bestudeerd”, zegt Klink. “Ik wilde de bronnen voor zich laten spreken. Wat ik zeg is te toetsen.”

Tijdens zijn onderzoek is hij wel verontwaardigd geraakt over de lichtvaardige manier waarop de historiciteit van gebeurtenissen zomaar in twijfel wordt getrokken. “Dan krijg je toch de indruk dat religie als motief kennelijk niet mee mag doen en dus onder de tafel gewerkt moet worden.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden