Vaccineren moet: een waarheid als een koe?

Vorige week riep premier Rutte mensen in de refostrook (en ook buiten de biblebelt) op hun kinderen te laten vaccineren tegen mazelen. Hij beriep zich, opmerkelijk genoeg, niet alleen op medische gronden, maar gaf ook een theologisch argument: "God heeft nooit bedoeld, daar ben ik absoluut van overtuigd, dat kinderen zó lijden, als er (...) ook vaccins zijn".

In de Bijbel zelf is daar niets over te vinden: vaccin bestond nog niet toen het Woord van God in het Nederlands werd vertaald. Woorden als vaccin en vaccinatie gebruiken we pas sinds de negentiende eeuw. Net na 1800 verschenen in Nederlandse media berichten dat in Frankrijk werd geëxperimenteerd met een entstof tegen koepokken. Daarbij werden mensen ingeënt met een 'vaccin', een entstof tegen 'vaccine' (het Franse woord voor koepokken).

Het Nederlands nam vaccin, vaccine en - wat later - vaccineren over uit het Frans. In die taal was vaccine een verkorting van variole vaccine, een verfransing van de Neolatijnse medische vakterm variolæ vaccinæ, het geleerde woord voor koepokken. Letterlijk betekent vaccine niets meer of minder dan 'van koeien'.

Aanvankelijk verwees ook ons werkwoord vaccineren alleen naar het inenten tegen koepokken. Pas vanaf 1950 werd de definitie uitgebreid en beschreef Van Dale vaccineren als 'inenten tegen een bepaalde ziekte'. Zo kan het zijn dat kinderen tegenwoordig worden gevaccineerd tegen de bof, mazelen en rodehond (de beroemde BMR-prik), hoewel de gebruikte entstoffen niets met koeien, laat staan met koepokken te maken hebben.

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden