Uw stoel kost geen 30 maar 300 euro

Nu de cultuursector het met veel minder subsidie moet doen, begint de zoektocht naar particuliere geldschieters. Dat is nog niet zo makkelijk. Niet alleen de cultuur is subsidieverslaafd, het publiek is dat ook. 'De culturele sector moet uitdragen dat de zon niet voor niets opgaat.'

Laatste voorstelling! Afscheidstournee! De malaise in de theaterwereld valt letterlijk af te lezen op abri's en aanplakpalen. Het Fonds Podiumkunsten, dat subsidie verdeelt onder de kleinere theater-, dans- en muziekgezelschappen, heeft fors minder overheidsgeld te verdelen: het jaarbudget werd vorig jaar van 40 miljoen euro teruggeschroefd naar 24,5 miljoen.

Zo kreeg theatergroep Carver bij de subsidieronde van augustus wel een positief advies, maar geen geld. Vorige maand sloot haar afscheidstournee. Toneelgroep De Appel poogt nu duizend mensen bereid te vinden ze met duizend euro te sponsoren. Net als de hele cultuursector moeten dansensembles en theatergroepen op zoek naar particulier geld.

En waar grote musea tienduizenden bezoekers trekken en symfonieorkesten veel aan hun naamsbekendheid hebben, is het voor middelgrote theaterinstellingen of dansensembles lastig die nieuwe mecenas te vinden. Want waarom zou een gulle gever geld in toneelproducties steken? En wat kunnen dansensembles doen om filantropen te vinden?

Cultureel econoom Arjo Klamer meent dat de podiuminstellingen naar zichzelf moeten kijken. De defensieve, gelaten houding valt hem tegen. "Toegegeven, in Nederland is de bereidheid tot geven misschien niet zo groot. En in deze economie is het vinden van sponsoren niet eenvoudig. Maar er mag wel wat meer initiatief worden genomen."

De subsidieverslaving van dansensembles en theaterstichtingen is volgens de aan de Erasmus Universiteit verbonden hoogleraar het grote probleem. "Niet alleen de instellingen. Ook het publiek is verslaafd. Men schrikt zich rot als ik vertel wat een voorstelling eigenlijk kost. Een stoel voor dertig euro kost het tienvoudige. Het is ondenkbaar dat mensen dat betalen. Tegelijkertijd vinden mensen theater te weinig sexy of te weinig maatschappelijk relevant om er geld in te steken."

Want om voor mecenassen aantrekkelijk te zijn, moeten mensen erover praten. Zoals ook elke maandag bij het koffiezetapparaat over voetbal wordt gepraat, zegt Klamer. Samen met het in Almere gevestigde toneelgezelschap Vis à Vis zoekt hij naar manieren om mensen meer betrokken te krijgen.

"Mensen moeten zich goed bij ons voelen om ons geld te geven", zegt Ineke Rutgers, zakelijk leider bij Vis à Vis. "Gastheerschap is hierin belangrijk, vanaf de boeking tot het moment waarop ze ons terrein afstappen. Er staat altijd iemand bij de poort om bezoekers te verwelkomen, men kan na de voorstelling in het restaurant een biertje drinken met de acteurs. Dat vraagt een cultuuromslag, maar de groep realiseert zich steeds meer dat dit erbij hoort."

Tijdens de productie van nieuwe voorstellingen nodigt Rutgers gericht mensen uit om te komen kijken. "Bij onze nieuwe voorstelling is duurzaamheid belangrijk. We zoeken vervolgens bedrijven die daar iets mee hebben. We spreken met ze, kijken of het ze wat lijkt. Dat kost veel tijd. Maar die persoonlijke benadering is belangrijk, daar kun je relaties op bouwen."

Om het ontwikkelen van die relaties gaat het, als je een mecenas zoekt. Klamer: "Je begint met iemand, praat ermee, nodigt hem uit, praat nog eens verder. Dat kan jaren investeren zijn, maar op een gegeven moment komt het geld los. Dit vraagt ondernemerschap. En kost werk, expertise, en veel tijd."

Alleen heeft niet iedereen door dat theater ook een goed doel kan zijn. Onlangs was Klamer bij 'Orfeo ed Euridice', van De Utrechtse Spelen. "Ik zat naast een ondernemersechtpaar, een man die echt goed had geboerd. Hij dacht wat te schenken aan een Ronald McDonald Huis. Ik vroeg hem waarom hij niet aan een club als DUS zou schenken. Die man: waarom? Dit wordt toch gesubsidieerd? Het kwam niet eens bij ze op."

Toch denkt Diana van Maasdijk dat velen heus wel weten in wat voor situatie de culturele sector zich bevindt. Ze staat aan het hoofd van de vorig jaar opgerichte filantropieafdeling van ABN Amro/MeesPierson. "Dachten filantropen vroeger aan de problemen van ver weg, steeds vaker beseffen ze dat er ook dicht bij huis doelen zijn die geld behoeven."

Wel is ze het eens met de subsidieverslaving. Het Nederlandse publiek is verwend met de kwaliteit, en de prijs. "Alsof het een recht is. De culturele sector moet meer uitdragen dat de zon niet voor niets opgaat. En gericht durven vragen."

Volgens de filantropieadviseur is er altijd wel iemand te vinden die jou wil steunen. "En als dat niet zo is, wat is dan je bestaansrecht?" Diegene moet alleen wel worden gevraagd. Filantropen noemen dit vragen namelijk als voornaamste aanleiding om te geven.

Mensen willen iets concreets steunen. Dat concrete is bij een museum eenvoudig: een gebouw met een naam op de muur waar duizenden mensen langslopen. Een symfonie- orkest heeft meer uitstraling, meer naamsbekendheid dan een rondreizend theatergezelschap. Gulle gevers willen tastbaarheid. Dit hoeft geen gebouw te zijn, het kan ook impact zijn.

"De vermogende gever zoekt drie dingen", weet de filantropieadviseur. "Betrokkenheid: ze willen het gevoel krijgen erbij te horen. Transparantie: ze moeten te allen tijde weten wat er met hun geld gebeurt, wat het oplevert. En ten derde: ze willen zich onderscheiden. Impact." Dat laatste is misschien nog wel het belangrijkste, denkt Van Maasdijk.

Want geven vanuit een schuldgevoel, om je ergens goed over te voelen, is van vroeger. De filantroop van vandaag wil maatschappelijk rendement. "Precies zoals sommigen investeren voor financieel rendement, kijken filantropen naar hun geld met hetzelfde idee: ze willen daar ook return on investment hebben." Dus moeten podiuminstellingen duidelijk kunnen maken waarom er geld nodig is. En speel niet de zieligheidskaart. Van Maasdijk: "Nee, theaterinstellingen moeten kunnen uitleggen wat een weldoener er aan heeft om geld in een productie of gezelschap te stoppen."

Zo komt gezelschap Orkater niet ver door alleen de hand op te houden, denkt zakelijk leider Nicolien Luttels. "Je hebt een specifieke invalshoek nodig waarmee je mensen kunt binden." Zoals talentontwikkeling, waar het onlangs een apart particulier fonds voor heeft gevonden.

Daarnaast heeft Orkater adoptie-ouders. "Die kunnen zich vanaf 50 euro aan een beginnend theatermaker verbinden. Hiermee zijn we twee jaar geleden begonnen, het groeit gestaag. Dit heeft bijgedragen aan succesvolle producties, zoals 'Via Berlin', of het muzikantencollectief Susies Haarlok."

Luttels merkt dat deze mensen het leuk vinden bij te dragen aan ontwikkeling van jong talent. "Mensen zijn trots dat ze zoiets mogelijk maken. Krijg je dat gevoel voor elkaar, dan ben je al een heel eind."

Die trots over het helpen van jong talent noemt ook Bert Jonker van de Oerol Ondernemersclub (zie kader). Zeker nadat de vorige staatssecretaris Zijlstra zei dat het opleiden van nieuw talent geen overheidstaak moet zijn, komen beginnende podiumkunstenaars in het gedrang. Daarmee is het steunen van jonge theatermakers of dansers nou net die specifieke invalshoek, dat tastbare, dat concrete, waarmee weldoeners die impact kunnen bereiken.

Ook dansgezelschap Conny Janssen Danst is sinds twee jaar bezig met het ontginnen van particulier geld. Onder andere door gericht vermogende liefhebbers om meer geld te vragen, vertelt zakelijk leider Thomas Smit. Ook weer geld dat specifiek geoormerkt is voor jong talent, om beginnende dansers een jaarcontract te kunnen geven. "Het is inmiddels noodzakelijk geworden. Tegenwoordig moet ik particuliere giften gewoon mee begroten."

Hij moet blijven uitleggen waarom zijn dansgezelschap het niet redt zonder subsidie. "Als je vertelt dat je voor een voorstelling van een uur twaalf weken bezig bent zonder inkomsten begrijpt men het al beter. Maar dat moet de sector blijven uitdragen."

"Het is een farce om te denken dat je die terugtrekkende overheid wel even via crowdfunding, vriendenverenigingen of mecenaat kunt opvangen", meent Marie-Anne Rudolphi, zakelijk verantwoordelijk voor Theater Carver waarvoor het doek voor onbepaalde tijd is gevallen.

De geefmentaliteit is er nog niet, denkt Rudolphi. "Incidenteel zijn er heus mensen bereid te geven, maar die komen altijd uit het eigen netwerk. Daar moet je continu bovenop zitten, continu het vuurtje brandend houden. Zet je de kosten en baten naast elkaar, dan vraag ik me af hoeveel je ermee opschiet."

Rudolphi denkt dat het zeker tien jaar duurt voordat die geefmentaliteit voor podiuminstellingen er is. En ondertussen zullen er nog vele klappen vallen. Carver gaat eerst uitrusten. "En dan op projectbasis weer kijken hoe we verder kunnen gaan. Nu eerst even de stilte toelaten."

De Utrechtse Spelen: commerciëler denken

In september balanceerde De Utrechtse Spelen op het randje van faillissement. De gemeente Utrecht sprong bij, de directie werd op non-actief gesteld en interim-bestuurder Roel Freeke moest orde op zaken stellen. Freeke denkt dat er een hoop beter kan - als de theatersector zelf ook wat commerciëler gaat denken. "Nee, dat is geen vies woord."

Dat vergt een omslag bij de theatermakers. "Een voorbeeld: onze voorstelling 'Rain Man' is net voorbij, die gaat over een autoverkoper. Aan het begin van de voorstelling draait een Lamborghini telkens rondjes. De regisseur wilde een mooie, grote auto. Ik vroeg hem of het had uitgemaakt of er een Volkswagen of een Audi had rondgereden. "Nou nee." Maar niemand had er aan gedacht om even een rondje auto-importeurs te bellen! De keus was er al om een auto te tonen, ongeacht welke. Verzilver dat dan! Product placement is een ander verhaal, maar dit past gewoon in het artistieke concept."

Freeke geeft nog een voorbeeld. "Onze nieuwe productie draait om subculturen. Kledingmerken spelen een belangrijke rol. Ik heb direct gezegd dat ik in elk geval géén rekening wil zien voor kledingkosten! Dit heeft allemaal niks te maken met inperken van artistieke vrijheid, het is gewoon iets dat binnen de voorstelling te verzilveren valt."

Ondernemersclub moet Oerol redden
Het Oerol Festival raakte vorig jaar 150.000 euro aan subsidie kwijt. Voorheen bestemd voor Atelier Oerol - voor jong talent. Particulier geld kan uitkomst bieden, dacht zakelijk directeur Marelie van Rongen. Ze kwam er snel achter hoe goed het werkt om met iemand in zee te gaan die én een passie voor Oerol heeft, én ondernemer is.

Ze ontmoette Bert Jonker, directeur van ingenieursbedrijf Clafis Ingenieus. Toen Van Rongen hem benaderde, ging hij direct aan de slag om vanuit zijn eigen netwerk ondernemers te enthousiasmeren. Want waarom Oerol belangrijk was voor ondernemers of vermogenden kan iemand uit de eigen kring veel beter uitleggen dan zijzelf, bedacht Van Rongen.

Jonker begon de Oerol Ondernemersclub. Hij wil honderd ondernemers uit het noorden van Nederland bereid vinden 1500 euro per jaar aan het theaterfestival bij te dragen. "Je moet als ondernemer je maatschappelijke verantwoordelijkheid nemen", vindt hij. "Het verbaasde mij dat het slechts om 150.000 euro ging. Misschien niet eenvoudig, maar zeker haalbaar."

Maar, het blijven ondernemers, weet Jonker. Dus moet het wat opleveren. Daarom vraagt hij Oerol om twee keer per jaar een netwerkevenement op Terschelling te organiseren. "Dat hoeft niet duur te zijn, gewoon met de poten in de klei, bij een tonnetje makreel, met juttersbitter - elkaar leren kennen. Kennis delen. Dat levert voor ondernemers heel veel op. En dan kan de club ook zien wat er is bereikt, want dat speelt ook mee: trots."

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden