Uw lichaam is ontbonden in aarde en geheim

Graven van schrijvers zwijgen niet, maar spreken. Zij roepen een leven en een oeuvre in herinnering en spreken zacht jes tot de verbeelding-voorbij de laatste woorden. Een serie. Vandaag: het grafmonument van Gerrit Achterberg.

De enorme zwerfkei op het graf van Gerrit Achterberg lijkt met een daverende klap uit de lucht op de aarde te zijn gevallen, midden tussen een wilde haag van rododendrons-om vervolgens een oorverdovende stilte na te laten. Toch is het zo niet gegaan. De steen is na de begrafenis van de dichter door zijn weduwe Cathrien uitgezocht en naar begraafplaats Rusthof aan de Dodeweg in Oud-Leusden getransporteerd, de steen die groot genoeg moest zijn om zijn levensdata (20 mei 1905-17 jan. 1962) en, vooral, zijn woorden te dragen: 'Van dood in dood gegaan, totdat hij stierf. / De namen afgelegd, die hij verwierf. / Behoudens deze steen, waarop geschreven: / de dichter van het vers, dat niet bedierf.'

'Van dood in dood gegaan', het is niet alleen het motto van ieders leven, maar zeker ook dat van Achterberg: zijn poëzie lijkt zich wel geheel in het dodenrijk af te spelen. 'Wat is dit een zoete verbintenis / u en de dood en ik,' schreef hij in zijn debuutbundel 'Afvaart' uit 1931. De dichter werd vanaf zijn eerste regels beheerst, bezeten haast, door het 'drievoudig verbond' tussen hem, de dood en een gedroomde gestorven geliefde. Als Orpheus die Eurydice met zijn betoverende spel op de lier -waarvan men zegt dat het letterlijk bergen verzette en de vogels in stille bewondering achterliet- wilde redden uit de onderwereld, zo trachtte Achterberg zijn gestorven geliefde, de mythische persoon die door hem liefdevol wordt aangesproken (en wij, als lezers, via haar) te redden met de magie van zijn poëzie.

Vlak na de dood van Achterberg werd onthuld dat er in zijn leven ook werkelijk een gestorven geliefde te betreuren was geweest. Sterker nog: de dichter had haar zelf omgebracht. Op 15 december 1937 had hij in een vlaag van verstandsverbijstering in de Boomstraat in Utrecht zijn hospita neergeschoten, met wie hij een liefdesrelatie onderhield. Dit biografische feit (dat in kringen van Achterberg-bewonderaars nog altijd een heet hang ijzer is) is niet de verklaring voor de dichters obsessie met de dood-zijn eerste gedichten, overstromend van het thema, dateren immers al van vóór die tijd. Maar de wetenschap verleent wel een extra, morbide lading aan zijn poëzie: 'Uw lichaam is ontbonden / in aarde en geheim. / Zonder dat zij u schenden / moet ik de woorden vinden / die beiden zijn.'

De meeste schrijvers, vrienden en familieleden die op 22 januari 1962 om één uur 's middags aan zijn graf stonden, hadden van Achterbergs daad, die hij altijd angstvallig had verborgen, nog geen weet. Zij treurden simpelweg om de vroege dood van een vriend en 'een van de allergrootste dichters van zijn tijd', zoals de kranten schreven. Er is nog een foto van het gezelschap, in een kring om het graf, waar de touwen 'met een losse knik' uitstaken, zoals Achterberg het zelf in zijn gedicht over Nijhoffs begrafenis had genoemd. 'Te armoedig om nog bij elkaar te horen,' schreef Ida Gerhardt later over die middag, 'en in onszelf en in elkaar verward, / waren wij daar, een hand litteratoren. / Toen de familie in het kerkezwart / en met boerse waardigheid verscheen, / werd onze vaalheid nog meer openbaar.'

Achterbergs twee beste vrienden voerden het woord: Ed. Hoornik, mede namens de weduwe, en de uitgever Bert Bakker. Hij droeg Achterbergs gedicht 'Pharao' voor, waarvan de laatste regels luiden: 'Doe aan dit lied niet toe of af / richt niet over het graf, / opdat geen dode u bestraft; / maar leg als laatste wat gij doet / al mijn gedichten aan mijn voet; / krachten, waarmee ik opstaan moet.' Aan de wens van de dichter was voldaan: in zijn kist zaten al zijn bundels - om Hades in de onderwereld te betoveren. Bij de nabestaanden, in de bovenwereld, werkte de betovering direct. Zonder het te weten had het gezelschap om het verkeerde graf gestaan. Pas toen de stoet weer weg was, takelden de doodgravers van Rust hof de dichter aan zijn touwen weer op en legden hem een eindje verderop in het juiste graf: nummer XXII-506, voor wie het weten wil. 'Achterbergs laatste poging om de levenden op een dwaalspoor te brengen', noemt zijn biograaf Wim Hazeu die bizarre gebeurtenis.

Hazeu stelt overigens ook vast dat Achterberg, die gedurende zijn hele leven door hevige driften werd gedreven -hij dronk, was een kettingroker en produceerde zijn gedichten in ijzingwekkend tempo- in feite was uitgeschreven. Het manuscript voor zijn lijvige 'Verzamelde Gedichten' had hij zelf al persklaar gemaakt. Bovendien voltooide hij in de laatste vijf jaar van zijn leven slechts drie gedichten. Aan het allerlaatste, 'Anti-materie', had hij met Kerstmis 1961 de laatste hand gelegd. Het eindigt met de omineuze regels (al kan dat, zoals gezegd, van bijna al Achterbergs regels worden gezegd): 'Dat hij alleen hoeft op te staan / en naar de slaapvertrekken gaan / om u te vragen of het licht / uit kan, de antichambre dicht.' In het laatste, postuum gepubliceerde interview dat Achterberg tegenstribbelend had toegestaan aan Jesserun d'Oliveira had hij gezegd: 'Jaren geleden had ik eens het gevoel, nu kan ik wel eeuwig doorgaan, maar dan ontsnap je er toch weer aan. Je denkt, morgen zal ik doorgaan, en dan is het weg.'

Misschien waren zijn dichtersdriften inderdaad geluwd en heeft de dood Achterberg uit de dood bevrijd. 'Totdat hij stierf.' Wat was er gebeurd? Op woensdag 17 januari was hij samen met zijn vrouw, Cathrien, met de auto naar Amersfoort gereden om daar in een café naar een televisie-uitzending te gaan kijken waarin Bert Bakker zou figureren. Op de heenweg had hij het al benauwd gehad. Na de televisie-uitzending, terug in de auto, zei hij tegen Cathrien: 'Het is of mijn arm wordt afgesneden.' Maar hij wilde niet langs de dokter. Ze stopten samen voor de garage van hun huis in Leusden. Hij zou de auto nog even wegzetten, maar kwam maar niet naar binnen. Toen Cathrien ging kijken vond ze hem dood in de garage, half in de deuropening van de auto. Het was 'het laatst elastische gebaar / der nu verlaten levensring,' om het gedicht 'Orpheus' te citeren.

Vlak voor Cathrien de auto was uitgestapt, had ze Achterberg nog gevraagd: 'Zal ik wat aardappels opbakken?' 'Ja', had hij geantwoord. 'Maar niet te veel.' Prachtige, calvinistische laatste woorden van een groot, mythisch dichter.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden