Universiteit raakt goede vrouwen kwijt

De wetenschapper met de beste kansen voor een hoge wetenschappelijke functie laat zich niet afleiden door welke wereldse zaak ook, schrijft Barbara van Balen, manager van het Belle van Zuylen Instituut in Amsterdam, in 'De universiteit als modern mannenklooster'. De wetenschapper, schrijft ze in deze zopas verschenen bundel artikelen over de zorgelijke positie van vrouwen op de universiteit, ,,doet er het beste aan celibatair te leven, zoals voor monniken en priesters in de katholieke kerk nog immer om dezelfde reden is voorgeschreven.'' Volgens Van Balen heeft 'de wetenschap' een problematische relatie met vrouwen. Wie vrouw is (ofwel: wie kinderen heeft en gezinsverplichtingen, lijkt Van Balens definitie), dringt immers niet door tot de bovenste rangen van het wetenschappelijk bestel.

De staatjes met getallen zijn altijd weer onthutsend. Nederland komt net onder Botswana op de ranglijst van wetenschappelijk medewerksters van universiteiten. Want in Botswana is 13,9 procent van de staf een vrouw, en in Nederland 13,2 procent. Kijk je naar het percentage vrouwelijke hoogleraren, dan blijft Nederland met 4,6 procent in 1996 ook al zo ver uit de buurt van landen als de VS (14 procent) en Frankrijk (11,4 procent). Nederland hangt samen met Turkije (2 procent) onderaan die ranglijst.

Zulke deprimerende overzichtjes zijn niet van vandaag of gisteren - hetgeen des te deprimerender is. Inmiddels is in de Tweede Kamer een op de drie geachte afgevaardigden vrouw, bij de rechters een op de vijf, bij de burgemeesters is de verhouding een op zes. Vorig jaar was nog niet een op de twintig hoogleraren vrouw, en bij de hoofddocenten bijna een op de veertien.

Waaruit bestaan de hindernissen nu eigenlijk precies? Het boek biedt een blik in een natuurkundig laboratorium in de jaren dertig, toen de hordes vreemd genoeg wel hoog, maar niet onneembaar hoog leken. In dat lab, van de Utrechtse hoogleraar experimentele natuurkunde Leonard Ornstein, waren weliswaar veel meer mannen dan vrouwen. Maar die enkelingen werden wel als volkomen gelijkwaardig beschouwd, en over de capaciteiten van 'mejuffrouw Bleeker' en 'juffrouw Eymers', twee van 94 promovendi, twijfelde Ornstein geen moment. Hij spande zich in om de beide vrouwen een passende positie te bezorgen. Bij Bleeker lukte dat niet, waarna ze een eigen fabriek in optische instrumenten begon. Eymers bleef bij Ornstein onderzoek doen - tot ze in 1938 trouwde, wat in die tijd het wettelijk verplicht einde betekende van een positie als ambtenaar. Ook nu nog lijkt het probleem op de universiteit met vrouwen niet zozeer dat ze er niet binnenkomen, maar dat ze er niet blijven. Van de eerstejaars is tegenwoordig (1997) bijna de helft (46 procent) vrouw, al is het een scheve groei: in exacte en technische richtingen studeren nog altijd weinig meisjes, een campagne als 'Kies Exact' ten spijt. Ook is het percentage vrouwelijke promovendi wel toegenomen, maar niet in alle richtingen. In de geneeskunde en de gedragswetenschappen wemelt het van de vrouwelijke aio's, in de techniek en in de economie zijn ze schaars. En na de promotie? Dat zocht onderzoeksbureau Research voor Beleid in december nog uit. Meestal krijgt een jonge onderzoeker eerst een aanstelling van een paar jaar, en daarna begint de strijd om een vaste baan. Negen van de tien mannen verovert die, tegen zes op de tien vrouwen. Een van de vier vrouwen keert terug op de universiteit, alweer minder dan mannen. Vrouwen blijken bovendien negatiever over die tijdelijke baan in de wetenschap, stelde het bureau vast.

Sociaal-psycholoog Wil Portegijs sprak met de 'verloren' vrouwen. Wat was nou doorslaggevend voor uw vertrek? 'Dat het contract afliep' zeggen ze meestal. Dat ligt bij mensen met een tijdelijk contract voor de hand. Maar binnen de groep die wel een vaste baan bemachtigde antwoorden de vrouwen opvallend vaker dan mannen: 'uit onvrede'. Volgens Portegijs zijn het juist de vrouwen die veel publicaties op hun naam hadden, die vertrekken: de minder ijverige vrouwen blijven wel.

Stellen zij andere eisen, of zitten ze in een slechtere positie? Beide, als je op Portegijs mag afgaan. Vrouwen hechten meer aan collegiale samenwerking dan mannen en maken dat op de universiteit naar hun zin te weinig mee. Maar ook werken vrouwen vaker in deeltijd, en op de universiteit ('aan het front der wetenschap') wordt verwacht dat je in minder tijd toch evenveel presteert als collega's die fulltime werken. Bij vrouwelijke (hoofd) docenten hangt de steun die ze van hun hoogleraar krijgen af van het aantal overuren dat ze maken. Bij mannen niet.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden