Uniek en uniform

Vorige week publiceerde Letter & Geest een opstel van de Oostenrijkse schrijver Stefan Zweig uit 1925, waarin hij Amerika aanklaagt als de Grote Gelijkmaker. Door de ontwikkeling van dans, mode, cinema en radio dreigt een monotonisering van de wereld. ,,Nu is Europa aan de beurt. De wereldoorlog was de eerste fase, de amerikanisering is de tweede.' De filosoof Cornelis Verhoeven vraagt zich af waarom dit gemekker nog altijd zo indrukwekkend is. ,,Maar Zweig legt niet uit, waarom die ene dorpsklok die vroeger over een paar duizend mensen beierde, de authenticiteit van het individuele bestaan minder bedreigde.'

Het duurde even voordat ik in het opstel van Stefan Zweig over de monotonisering van de wereld iets meer kon lezen dan een herhaling van het gebruikelijke gemekker over de verloedering annex de naderende ondergang van de westerse cultuur.

Het naderende jaar 2000 - einde van het oude of begin van het nieuwe millennium? - zou een mooi en traditioneel punt kunnen zijn om dit indrukwekkend geformuleerde doemdenken op te hangen aan een chiliastische indeling van de geschiedenis; alsof de wereldgeschiedenis door innerlijke wetmatigheden gedwongen was onze somberheid met mooie ronde getallen tegemoet te komen. Maar al gauw werd mij duidelijk dat een tirade over de mechanisering van het bestaan, gedateerd in 1925, en verwijzend naar een paar voorgangers, toch iets heel anders moet zijn dan een simpele herhaling. Er wordt wel degelijk een schokkende ervaring of een beklemmend gevoel in doorgegeven en daaraan moet het wel te danken zijn, dat het stuk nog altijd zo indrukwekkend is.

Ook clichés hebben hun geschiedenis, die mogelijk interessanter is dan hun inhoud; en wat in 2000 als een cliché klinkt, is ooit een onthutsende ontdekking of een frisse vondst geweest. Wie dat nu leest, is waarschijnlijk ten onrechte geneigd die hele geschiedenis te negeren en zich over te geven aan de verleidingen van een 'déjà vu'.

Herlezing van het stuk roept dus op zijn minst twee vragen bij mij op. Ik wil mij beperken tot de bespreking daarvan. De eerste is die naar de historische positie van de cultuurfilosofische klacht uit de jaren twintig over de benauwende mechanisering van het hele menselijke bestaan, en de tweede die naar de gronden daarvan en van de eventuele waarheid van de uitspraken waartoe zij leidt. Wat voor de zoveelste keer wordt gezegd, is daarom niet meer of minder waar dan het de eerste keer was. Het bijzondere van deze uitspraak is intussen dat het hier niet gaat om een eeuwige waarheid, maar om een tijdgebonden waarschuwing of profetie; en we kunnen moeilijk zeggen dat een profetie die na zoveel jaren nog geen aanstalten maakt om in vervulling te gaan, nog altijd een hoge graad van actualiteit heeft. Ook het pessimisme, niet als levenswijsheid, maar gekoppeld aan concrete gegevens, heeft een beperkte houdbaarheid. Dat alleen al kan een reden zijn om ons voor de geschiedenis daarvan te interesseren.

Wat we in elk geval veilig kunnen zeggen, ook zonder de details van die geschiedenis precies op een rijtje te hebben, is dat een klacht als die van Stefan Zweig in de oudheid en de Middeleeuwen nauwelijks denkbaar is. Een eventueel onvermijdelijk pessimisme moest zich daar baseren op een geloof in het onvermijdelijke en eeuwige noodlot of in de onverbeterlijke slechtheid van de mensen en een beperkt geduld van de almachtige goden die de menselijke overmoed afstraften.

Het pessimisme dat hier aan de orde is, vindt zijn basis in de historische ontwikkeling van de menselijke cultuur, namelijk in de uniformiteit van technische producten en in de gelijkschakelende en wurgende werking die daaraan wordt toegekend en die als typerend wordt beschouwd voor de mechanisering van het hele bestaan.

Al veel vroeger kunnen er goede en mooi te formuleren redenen zijn geweest om de uniformerende werking van bijvoorbeeld een gelijk gerichte mensenmassa als dreigend en heilloos voor de individuele ziel te beschouwen. Seneca bijvoorbeeld waarschuwt in zijn brieven aan Lucilius voortdurend tegen de negatieve invloed die het verkeren in de massa op de menselijke geest kan uitoefenen. ,,Zo dikwijls als ik onder de mensen ben geweest, ben ik als minder mens teruggekomen.' Hier wordt, zouden we kunnen zeggen, uit naam van een bepaald beeld van de mens als uniek en tot weerbarstigheid geroepen individu gewaarschuwd tegen een uniformerende werking die eindigt bij een nulpunt waar de gelijkschakeling leidt tot uitschakeling. In de massa is niemand nog iemand.

Ik leg deze gedachte, die haar eigen bittere ernst heeft en een legitieme somberheid kan oproepen, nu even opzij om de historische vraag weer op te vatten. Een negatief uitgelegde monotonisering die uitgaat van technische ontwikkelingen en waarin die ontwikkelingen zelf als een soort van zondebok worden beschouwd, is uiteraard alleen mogelijk op een moment in de geschiedenis waarin die technische verworvenheden al een grote verspreiding en een hoge graad van dwingende vanzelfsprekendheid hebben gekregen. Daarmee zitten we al geruime tijd na de industriële evolutie en diep in de negentiende eeuw. In de boeiende geschriften van Jan Hendrik van den Berg zijn daarover frappante details en prikkelende beschouwingen te vinden, ook van politieke en cultuurfilosofische aard.

Niet lang voor Karl Marx konden mensen door slordige en overkoepelende denkers als een soort van nevenproducten van de techniek worden beschouwd of met machines vergeleken. De meta foor van het innerlijk als een stoommachine met al die mechanismen als druk en stoom afblazen is vrij nauwkeurig te dateren.

Hetzelfde is naderhand gebeurd met de computer. Mensen proberen zich te begrijpen aan de hand van wat zij zelf maken. Een niet al te gering deel van de oude psychologie ontleent haar verklaringsmodellen aan de techniek; daarmee overschrijdt de mechanisering van het bestaan de grenzen van het louter technische en kan zij een bedreiging worden voor een opvatting en een ideaal van menselijke cultuur waarin het individu niet alleen niet te herleiden is tot wat er leeft en roert in een revolutionaire of zich in het amusement stortende en aan brood en spelen overgeleverde massa, maar evenmin tot een technisch mechanisme. Het ligt waarschijnlijk meer voor de hand het typisch menselijke te zien als onderscheiden van alles wat al mechanisch verklaard en technisch geproduceerd is.

Mij dunkt nu dat Stefan Zweig zich vooral tot tolk maakt van de vrees voor de uniformiteit die deze reductie met zich brengt. In dat opzicht sluit zijn sombere visie aan bij een angst die zich vooral in Duitsland na de Eerste Wereldoorlog meester maakte van de intellectuelen. Een factor van betekenis daarbij moet ook de vestiging van een communistische, principieel op gelijkschakeling gerichte wereldmacht in Rusland zijn geweest. Tien jaar na Zweig wees ook Martin Heidegger in zijn 'Inleiding in de metafysica' naar de twee grote machten die de 'zijnsvergetelheid', die in zijn ogen veel lijkt op een seculiere variant van de godvergetenheid, met groot vertoon van macht in de hand werkten. Ook zijn toon heeft iets moralistisch of profetisch en is donkergekleurd door de schemering die hij over het avondland ziet vallen, met Duitsland in het bedreigde centrum daarvan. In dat centrum, vernederd, maar gevoelig, lokaliseert hij de schatkamer en de nieuwe hoop van een Europese cultuur en van een filosofie die niet wegrafelt in zijnsvergetelheid. Ik citeer een typerende passage in de vertaling van Harry Berghs: ,,Dit Europa, in heilloze verblinding steeds op het punt zich zelf om te brengen, bevindt zich thans in de grote tang tussen Rusland enerzijds en Amerika anderzijds. Rusland en Amerika zijn beide metafysisch gezien hetzelfde: dezelfde troosteloze razernij van de ontketende techniek en van de grenzeloze organisatie van de gemiddelde mens.'

Interessant hierin - en daarmee kom ik op de tweede vraag die het artikel van Zweig bij mij oproept - is dat de technische ontwikkeling zo rechtstreeks wordt gekoppeld aan het gedrag van de individuele mens. Er wordt met een weliswaar profetisch, maar bij nader inzien misschien toch dubieus gemak overgeschakeld van het technische gegeven dat alle mensen tegelijk kennis kunnen nemen van hetzelfde nieuws overal in de wereld naar het sombere vermoeden dat zij onder de indruk daarvan ook hetzelfde zullen denken en willoos aan elkaar gelijk zullen worden, en dan nog op het minimum en het meest oppervlakkige niveau. Heidegger en Zweig leggen niet uit waarom die ene dorpsklok die vroeger over een paar duizend mensen beierde, de authenticiteit van het individuele bestaan minder bedreigde en de pluriformiteit eerder intact zou laten dan de technische verworvenheden die tot in verre gewesten doordringen. Zeker Heidegger moet toch ook de ervaring hebben gekend dat een kleine dorpsgemeenschap, waar vrolijk het geklop van ambachtelijke hamers klonk, op haar eigen manier mensen kon gelijkschakelen en beknotten, terwijl in de stad mensen misschien eerder vereenzaamden in de anonieme massa, maar zich in die vereenzaming, om maar in zijn termen te spreken aan het 'men' konden ontworstelen en zich tot authentieke individuen ontwikkelen.

Het lijkt alsof het de schaalvergroting op zichzelf is die hen en al die anderen zo beangstigt, meer dan de inhoud van de kapitalistische of communistische boodschap. Mij dunkt dus dat we, ook in hun ogen, een onderscheid moeten maken tussen de uiterlijk uniformiteit van de technische verworvenheden en de innerlijke uniformiteit in menselijk denken en reageren die zij daarvan lijken te vrezen en die bij Heidegger hier als de organisatie van de gemiddelde mens wordt omschreven, maar die hij in zijn boek Zijn en tijd al het 'men' had genoemd. De ene uniformiteit, die van voorsteden, huizen en technische voorzieningen als radio's, lijkt mensen van buiten af aangereikt te worden; de 'organisatie van de gemiddelde mens' of de terreur van de middelmaat heeft meer te maken met wat Seneca omschreef als de besmettelijke werking van het verkeren in een massa en lijkt meer te beantwoorden aan een behoefte van binnen uit dan dat zij ons als een gegeven wordt opgelegd.

Als mensen invloed ondergaan van de technische mogelijkheden, is dat altijd ook een gevolg van hun eigen keuze en hun vrijwillige onderdanigheid, als we het niet al een behoefte aan veiligheid moeten noemen. Hoe omvattender een systeem is, des te gulziger en baziger is het, maar in diezelfde mate heeft het ook meer te bieden op terreinen die een individu niet zelfstandig kan regelen. Het neemt mensen op in een netwerk dat hen ook in staat stelt een groot deel van hun unieke persoon te redden uit de klauwen van de gelijkschakelende uniformiteit. Maakt de politie tegenwoordig geen reclame met een kreet als 'uniek in uniform'?

Ik denk zelfs dat de paradox nog wat dichter bij de absurditeit ligt waar tenslotte alles naar lijkt te streven. Reclame is er altijd op uit alle mensen hetzelfde product aan te smeren en maakt daarbij altijd gebruik van de belofte dat iemand juist dank zij dit product zal overkomen als een unieke persoonlijkheid. En in de jaren dat de 'eigen mening' op scholen hoger werd aangeslagen dan de juiste spelling, heb ik leerlingen nooit wanhopiger zien spieken dan wanneer hun werd gevraagd naar hun eigen mening. Dan pas sloeg de onzekerheid echt genadeloos toe. Want het ging om een politieke correctheid die vrijwel even strikt was voorgeschreven als een bepaald merk sportschoenen en die je dus maar beter spontaan kon aanhangen.

En, om even een frivole zijsprong te maken in plaats van dreigend en profetisch uit te pakken, er is nauwelijks een grotere uniformiteit waar te nemen dan in het product 'spontane leuke meid' dat tegenwoordig op alle televisieschermen in de rol van unieke persoonlijkheid een voorbeeldfunctie vervult. Ze praten allemaal hetzelfde gorgelhollands en niemand zal het nog wagen een vrouw niet een 'fraaw' te noemen. Maar je kunt dit soort van zaken heel goed nors en met gepaste minachting afdoen als gelijkschakelende werking van de massa en van de reclame zonder ook maar in de verte aan de Untergang des Abendlandes te denken.

Onwillekeurig kom ik intussen gevaarlijk dichtbij het gemekker van Zweig en Heidegger en dus ook bij het einde van mijn uiteenzetting. Ik wil alleen nog even gezegd hebben dat naar mijn overtuiging en ervaring uiterlijke uniformiteit als het dragen van een das niets te maken heeft met innerlijk conformisme.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden