Ultieme sport: spel of stopwatch?

Jan Smeekens draagt de Nederlandse vlag het Olympisch Stadion in tijdens de openingsceremonie van de Olympische Winterspelen van Pyeongchang. Beeld ANP

Is schaatsen de ultieme sport omdat de snelste altijd wint, of is juist een spel met een scheidsrechter leuker om naar te kijken?

Leve het spel!

Twee weken Winterspelen, dat betekent in Nederland: veel schaatsen. Daar zijn we goed in. We kunnen winnen, misschien gaan we wel heel veel winnen, misschien wel elke dag.

Als chef sport zal ik het volgen, en er mede op toezien dat we het goed in de krant zetten. Maar op het puntje van mijn stoel? Nee, dat zal ik niet zitten.

Tekst gaat verder onder de afbeelding

Henk Hoijtink. 'Bij sporten met start en finish wint altijd de beste. Ja, en?' Beeld Maartje Geels

Zo’n sport waarbij twee strepen zijn getrokken, start en finish. Wie het eerst bij de tweede is, wint. Het is mij te basaal, te weinig divers. Steeds dezelfde slag, rondje na rondje. Of, neem wielrennen, de pedalen maar rond en rond malen, uur na uur.

Geef mij de balsporten, met hun voortdurende diversiteit. Ze kunnen elke seconde een andere wending nemen. Daar moeten spelers zich op instellen, en een seconde later kan het alweer anders zijn. Weet u nog waarom Johan Cruijff het straatvoetbal van ooit zo bezong? Dan ketste de bal af op een stoeprand, dan viel hij dood op een putdeksel. Red je er maar uit, dáár krijg je techniek van - en wat al niet meer: scherpte, vindingrijkheid, straatwijsheid.

Bij de sporten met hun strepen, start en finish, wint altijd de beste. Ja, en? Wat heeft de verliezer daaraan, om eens iets te zeggen? Die weet dat hij de kracht of de frequentie van zijn slagen moet opvoeren, of dat hij de pedalen nog harder moet rondtrappen. Anders dan zo plat kan het in de kern niet zijn.

De sporten met hun strepen heten eerlijk te zijn - cynisme over doping onderdrukken we even. De mindere kan nooit winnen. In de meeste balsporten kan dat soms wel. David kan winnen van Goliath, hij zal er al zijn hersens voor moeten gebruiken, of zijn straatwijsheid, maar het kan. Gelukkig wel. De kille hang naar perfectie, naar maakbaarheid en ordening, willen of moeten weten wie de beste is, dat cijferfetisjisme - de beste die zijn talent veelal ook maar van God of wat dan ook heeft gekregen. Zoveel liever is mij de slimste.

Hou ik meer van spel dan van sport? Als je dat zo wilt zeggen, mij heb je er niet mee. Ik pak ‘Homo ludens’ erbij, de spelende mens, het werk van historicus Johan Huizinga uit 1938. Ik lees: ‘Wij spelen, en weten dat wij spelen, dus wij zijn meer dan enkel redelijke wezens, want het spel is onredelijk’. In het spel zelf, schrijft Huizinga, ‘ligt geen morele functie, noch deugd noch zonde’.

Van wie-er-het-eerst-is-sporten wordt door (schaats)coaches wetenschap gemaakt. Doordat hun sport niet gelaagd is, is veel in cijfers te vatten. Houvast in cijfertabellen. De onmachtige en onwetende mens die zich ermee kietelt dat hij een stukje van het leven, dat tussen start en finish, dan toch onder controle kan hebben, kan begrijpen.

Als het leven niet eerlijk is, en we mogen met alle verschillen in mogelijkheden stellen dat het dat niet is, als het voor de spartelende mens niet te begrijpen is ook, waarom en hoe zou sport dat dan wel moeten zijn? Zo lang als ik over voetbal schrijf, een kleine veertig jaar, heb ik een overwinning of een nederlaag nog nooit verdiend of onverdiend genoemd, of terecht of onterecht - nee, ook niet als in de beginjaren tachtig in de regio Alkmaar een vierdeklasser van een derdeklasser won. Het zijn onzinnige adjectieven. Wie het meest scoort, wint. Dat weet iedereen bij het begin. Hoe kan een overwinning dan onverdiend zijn, of onterecht?

In het voetbal zijn ze er, zoals eerder in het hockey, al achtergekomen dat het een illusie is dat technische hulpmiddelen voor de scheidsrechter de opperste rechtvaardigheid brengen. Ook camera’s zien niet alles. Of beter: ook zij kunnen niet alles eenduidig zien. Dat is in een contactsport gewoonweg onmogelijk. Het zal nog veel vaker blijken dan gedacht of gehoopt, en ik zal elke keer gniffelen om deze bloedserieuze poging om het spel te bedwingen, het spel dat zijn eigen gang gaat en zich niet laat grijpen.

Sport heeft van het spelgehalte het beste verloren, schrijft Huizinga in het afsluitende hoofdstuk van ‘Homo ludens’. Het spel gaat in ernst over. Met de kennis van nu lees ik daar de controledwang in, de waan dat wij er zijn om de beste te bepalen, dat wij kunnen uittekenen hoe je de beste wordt, dat wij zo het leven tussen twee strepen dan toch in de hand kunnen hebben.

Nee, het spel, zo besluit Huizinga, is goed noch slecht. Het spel, zeg ik, is er niet om te bepalen wie goed is en wie, als verliezer, slecht. Het spel hoeft geen rechtvaardigheid in zich te hebben. Het behoeft geen perfectie.

Leve het spel!

Leve de stopwatch

Geef mij een start. En een finish. En alles daartussen wat in topsport gebeurt. Het lijkt zo’n simpel concept. Trek twee lijnen, stel een aantal goedgetrainde vrouwen of mannen op bij de eerste lijn, en reik bloemen uit aan diegene die als eerste de laatste lijn bereikt. ‘Saai’, zeggen critici. De misvatting! Ultieme sport is objectief meetbaar, zonder jury, zonder interpretatie, zonder geluk. Ik kijk nu al uit naar donderdag 15 februari als op het olympisch ijs van Gangneung de 10 kilometer bij de mannen wordt gereden, 25 rondjes. De beste wint.

Begrijp me niet verkeerd. Ik voel een diepe affectie voor voetbal, vooral als het spel gespeeld wordt in een geelzwart shirt en de acteurs zich in Breda aan het publiek tonen. Voetbal is het mooiste spelletje dat er bestaat. Het is een stammenstrijd, de strijd tussen twee clans in een geciviliseerde wereld. Soms wint de beste, maar vaak ook niet. Dat is de schoonheid van het spel. En ja, het is topsport, dat ook - maar niet in zuivere vorm.

Tekst gaat verder onder de afbeelding

Antal Crielaard. Beeld Maartje Geels

Bovendien is voetbal een spel waarin een jury - een derde partij - invloed heeft. En subjectieve beoordelingen komen de eerlijkheid niet ten goede. Leuk om in het café een boom over op te zetten, of op verjaardagen urenlang over te discussiëren. Maar je komt er nooit uit: je kunt net zo goed urenlang oeverloos ouwehoeren over een potje Mens-erger-je-niet. Heerlijk om te doen, dat wel.

In de topsport waar ik van houd, de sport die zich tussen start en finish afspeelt, is het veel duidelijker: wie als eerste de eindstreep bereikt, is die dag de beste. Dat klinkt simpel, zeker als je oppervlakkig kijkt. Neem nu het Gangneung Oval - de komende weken de habitat van de Nederlandse ijsglijders. Tientallen mannen en vrouwen gaan de strijd aan. Wie er wint, is niet alleen een fysieke kwestie. In de absolute top van de meetbare sporten is een goedgeprepareerd lichaam niet voldoende. Een stevig mentaal gestel is nog veel belangrijker.

In de jongste editie van schaatstijdschrift Bislett was Jorrit Bergsma er helder over. Een jaar geleden verloor hij op de WK afstanden, op het olympisch ijs van Gangneung. Bergsma: “Sven (Kramer, red.) start een rit voor mij. Hij zet een heel scherpe tijd neer: 12.38. Twee seconden boven het wereldrecord. Dat is een tijd waarvan ik weet dat hij die kan rijden. Toch ben ik onder de indruk. Tegelijkertijd weet ik dat ik die tijd moet kunnen halen. Daardoor was ik te gretig, want die onzekerheid is er dan ook nog. Ik weet dat ik het kan en daardoor verlies ik mijn geduld en verlies ik de wedstrijd.”

De winnaars in de meetbare sporten - waartoe ik ook wielrennen, atletiek en zwemmen reken - hebben veel meer nodig dan een door training gesterkt lichaam. Vraag het grote kampioenen als Sven Kramer en Dafne Schippers. Ze winnen vooral met hun hoofd - het lijf is een goedgetrainde bijzaak. Dat hoor je ook terug als ze zich uitspreken. Vergelijk het gemiddelde interview met een voetballer met dat van een schaatser en je weet: als je je niet kunt verschuilen achter de scheidsrechter, het veld of je medespelers dan ontstaat een mooier verhaal: dat van opoffering en toewijding. Dan gaat het over topsport.

Het is die combinatie van fysieke en mentale kwaliteit die de meetbare sporten zo fascinerend maakt. Een goed voetbalteam kun je bij elkaar kopen. Een schaatser of een hardloper is op zichzelf en daarmee op zijn psychologische kracht aangewezen. Denk ook aan een klassieke afstand als de marathon: 42 kilometer en 195 meter. Om die met een gemiddelde van meer dan 20 kilometer per uur te lopen, is een onwaarschijnlijke opoffering nodig. Uren, weken, maanden trainen. Monotone kilometers die uiteindelijk - in de top - moeten leiden tot een tijd van iets boven de twee uur.

Ik kijk uit naar de olympische 10 kilometer. Ja, op 15 februari om 12 uur zit ik op het puntje van mijn stoel om te zien hoe de matadoren van de lange adem hun strijd strijden. En met méér dan gemiddelde interesse zal ik kijken naar Sven Kramer, die in die 25 rondjes in Gangneung zijn carrière van een onuitwisbare glans kan voorzien. Want op die afstand heeft hij nog altijd geen gouden olympische medaille gewonnen. Daaraan ligt een foute wissel in Vancouver ten grondslag, die vier jaar later in Sotsji nog in zijn hoofd leek te zitten. Donderdag wordt het summum voor de liefhebbers van de meetbare sport. Laat niet alleen de beste winnen, maar ook de sterkste.

Lees hier meer over de Olympische Spelen

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden