Uitzonderingen zijn tegenwoordig gemiddeld. Hester Macrander kijkt rond in de bijzondere klas van haar kinderen.

'In mijn vorige cabaretprogramma 'Hup' bracht ik de volgende tekst, waarom altijd hartelijk gelachen werd. Blijkbaar herkende de zaal iets: 'We hebben tegenwoordig zulke bijzondere kinderen!', begon ik.

'Zeventig procent van de klas is hoogbegaafd. Geen wonder, als het onderwijzend personeel laagbegaafd blijkt te zijn. Vijfentwintig procent heeft adhd. Sommige kinderen hebben het allebei – dat wens je niemand toe: een hoogbegaafde adhd'er over de vloer! Dan heb je nog vier procent 'nieuwetijdskinderen', die contact hebben met het hogere. Mijn kinderen niet, die hebben contact met het lagere. En 1 procent is tegenwoordig nog normaal, maar heeft dan wel astma, eczeem of een voedselallergie.'

Waarom lachten al die vaders en moeders? Ik denk omdat ze het wat overdreven vinden, die aandacht voor al die afwijkingen. En dan is het lekker als iemand op het podium die trend wat relativeert. Trouwens: spreek nooit van 'kinderen met afwijkingen'. Op de school van mijn kinderen spreekt het onderwijzend personeel liever over 'opvallers'.

Overdrijven we, of worden zoveel kinderen tegenwoordig terecht dyslectisch (woordblind), autistisch, hoogbegaafd of hypersensitief gelabeld? Slechtsprekende kinderen zitten op hun vierde al bij de logopedist, en jongetjes die motorisch wat hoekig de boom inklimmen zijn onder behandeling van een fysiotherapeut. Ik legde mijn vraag voor aan de juf van mijn zoon Max (9 jaar, groep 6) maar die lachte: ,,Je krijgt voor elk probleemgeval een zak extra overheidsgeld, dus afwijkingen zijn in ieder geval heel handig!”

In mijn eigen jeugd werd de hele klas over één kam geschoren, namelijk de gemiddelde. Dat was natuurlijk niet goed, al die individuen gleden mee in een trage stroom van niet te specificeren brij. Maar nu is de onderwijspraktijk omgeslagen naar de andere kant: de hele klas lijkt uit uitzonderingen te bestaan. En alle (mondige) ouders wensen aangepaste, individuele aandacht voor hun 'bijzondere' kind.

Sommige ouders verwachten te veel van een school. Dat legt een enorme druk op de toch al zwaar belaste onderwijzers. Er kan een vervelende spanning ontstaan tussen ouders en onderwijzend personeel: vaders en moeders worden als zeuren ervaren, onderwijzers als te weinig betrokken. In die sfeer proberen ouders met IQ-testen of diagnoses van psychologen de gewenste behandeling af te dwingen.

Is de sfeer op een school open, worden ouders gezien als handige raadgevers in de gebruiksaanwijzing van hun kind -dan zijn veel van die buitenschoolse diagnoses en bijbehorende labels in de meeste gevallen niet nodig. Het lijkt mij voor de tere kinderziel ook niet goed om deze te labelen als autist of hoogbegaafd. Voor de rest van z'n leven zadel je het kind op met een etiket. Zo min mogelijk doen, lijkt mij.

Mijn ervaring is dat je er in de meeste gevallen samen met de leerkracht wel uitkomt. Je moet als ouder zelf in de gaten houden hoe het gaat met de ontwikkeling van je kind, en de school om bijstelling vragen als dat nodig blijkt. Als er daadwerkelijk iets met die opmerking gebeurt, is het probleem in de meeste gevallen weer verholpen. Tot het volgende probleem zich weer aandient. Maar da's opvoeden, door ouders en leerkrachten samen.

Natuurlijk tast je soms in het duister over wat er met je kind aan de hand is, en dan is het goed om het te laten onderzoeken bij een onderwijsbegeleidingsdienst, of wat dies meer zij. Soms kan het label van een geconstateerde 'afwijking' een groot voordeel zijn. Bij dyslexie bijvoorbeeld, omdat kind en ouders zichzelf niet langer de schuld geven van wat ervaren wordt als falen.

Als ik nu terugkijk op mijn eigen schooltijd, begrijp ik dat kleine Anton uit mijn klas verschrikkelijk dyslectisch was, zonder dat iemand dat besefte. We hadden toen nog 'centraal lezen'; om de beurt moest ieder kind een stukje voordragen, inmiddels pedagogisch volstrekt onverantwoord. De helft van de klas verveelde zich en las vooruit, een klein deel volgde de tekst. Anton wist nooit waar we waren. Als hij de leesbeurt kreeg, begonnen wij te zuchten (hoe wreed!), want Anton stotterde zich al spellend door zijn tekst. De meester werd dan woedend op hem. Arme Anton. Ik hoop dat het nog goed is gekomen met hem, maar waarschijnlijk heeft hij nog steeds een minderwaardigheidscomplex. Het voorbeeld van Anton is weerzinwekkend, en ik ben blij dat zijn stoornis tegenwoordig benoemd wordt. Maar nu zijn er wel schrikbarend veel kinderen dyslectisch! Het lijkt wel een hype! Het gros heeft volgens mij gewoon moeite met leren lezen. Het kwartje valt wat langzamer, denk ik. Toch goed dat deze kinderen niet meer beticht worden van luiheid. Ze worden nu geholpen met de 'makkelijk lezen boekjes', dunne boekjes met inhoud die hen aanspreekt, met een eenvoudige bladspiegel, korte zinnen, simpele woorden en grote letters. Anton was daar vast heel gelukkig mee geweest.

Dyslexie heeft ook een zusje: dyscalculie. Kinderen met die afwijking raken in de war bij het zien van cijfers, begrijpen de samenstellingen niet en kunnen niets onthouden. Eindelijk begrijp ik waarom ik zo'n moeite heb met de boekhouding! Maar mijn zoon Max is een rekenwonder (heeft ie dus van z'n vader). Van jongs af is hij gefascineerd door alles wat je in cijfers kunt uitdrukken. Gelukkig geeft de school hem alle ruimte. Hij krijgt extra rekenbladen om uit te zoeken hóe hij een som moet uitrekenen. Hij is daar heel bedreven in. Hoogbegaafd? Dan toch alleen in rekenen. Met sporten, knutselen en schoonschrijven presteert hij ver onder de middelmaat. Een knutselwerkje van een zesjarig dyslectisch jongetje – wat ik zijn moeder onlangs trots de school zag uitdragen – zou Max niet kunnen maken!

Mijn dochter Lot (6 jaar, groep 3) leest weer als een tierelier, terwijl haar vriendinnetje de woorden nog bij elkaar moet spellen. Lot mag nu meedoen met de leesles van groep 4. Misschien heeft ze wel de tegenovergestelde afwijking van dyslexie: al heel jong uitermate goed kunnen lezen. Het zal vast een naam hebben, maar welke? Moet ik Lots IQ laten testen? Ik kijk wel uit.

Over hoogbegaafdheid is de laatste jaren veel te doen geweest. Ook dit was een hype, net als dyslexie nu. Echt hoogbegaafden zijn er maar heel weinig. Die zijn in de kleuterklas al geïnteresseerd in de prehistorie en kennen op hun zesde de beginselen van het Russisch. In Lots klas zit maar één zo'n zonderling, en zijzelf is het in ieder geval niet.

Zat er vroeger ook een autistisch kind in mijn klas? Vast wel, maar met de onwetende wreedheid die wij toen hadden ten aanzien van alles wat afweek, zal ik die leerling niet eens opgemerkt hebben. In Max' klas zit er één die autistisch gelabeld is. Al jarenlang krijgt hij speciale aandacht en ik moet zeggen dat ik niet zoveel autistisch gedrag meer aan hem kan ontdekken.

Ik heb geboft met de school van mijn kinderen, waarvan de onderwijzers erop hameren dat ze een goed contact willen met de ouders. Het gaat hen erom, zegt het hoofd van de school, dat ze erachter komen hóe een kind leert, welke leervoorwaarden het nodig heeft. Het gaat dus om de juiste benadering. Elke dag na school staan de meesters en juffen op het plein en kan je ze aanspreken. Er wordt naar ons, ouders, geluisterd en er wordt iets met onze opmerkingen gedaan. Als dit contact met de school er niet zou zijn, zou ik misschien mijn kinderen ook aan een IQtest hebben onderworpen – om de onderwijzers met een diagnose in de hand te dwingen hun aanpak te wijzigen. Gelukkig praten wij gewoon met elkaar.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden