Uitzetten asielzoekers is en blijft moeilijk

Het asielbeleid lijkt streng en het heeft een afschrikkende werking. Maar in de praktijk valt het vaak mild uit.

In 1993 kwam het Zaïrese meisje Francine naar Nederland met een vrouw die hier een vluchtelingenstatus had en zei haar moeder te zijn. In werkelijkheid was het haar tante. Francine werd teruggestuurd naar Zaïre.

Een Zaïrese vrouw die haar moest begeleiden, verdween halverwege de reis op het vliegveld van Zürich en Francine wachtte er moederziel alleen een week lang op wat er ging komen. De media deden van de deportatie uitgebreid verslag. Het 'comité Francine terug' werd opgericht, er werden Kamervragen gesteld. Drie jaar later mocht Francine zich definitief bij haar tante voegen.

Publiekscampagnes voor 'vluchtelingenkinderen', zoals Mauro en Sahar of voor de Angolese Milton in Den Bosch in 2008, lijken nieuw, maar zijn het niet. De campagnes lijken wel op elkaar. "Dit had je vriendin kunnen zijn, uw kind of kleinkind", luidde de oproep tot een kaartenactie voor Francine. "Laat ons klasgenootje blijven", schreven kinderen in 1986 op hun tekeningen voor de staatssecretaris in hun campagne tegen de uitzetting van Seyit.

In de jaren zeventig waren er acties voor christen-Turken en voor sympathieke, langharige Portugese dienstweigeraars die niet wilden vechten in de koloniale oorlogen in Mozambique en Angola. Begin jaren zestig waren ze er voor half doodgevroren Joegoslaven die het communistische arbeidersparadijs ontvluchtten als verstekelingen in treinen.

Wanneer asielzoekers lang in Nederland wonen, is uitzetten moeilijk. Zij bouwen een netwerk op dat hen helpt in de strijd tegen uitzetting. Het zoeken naar aandacht van de media, het houden van demonstraties, het bestoken van (lokale) politici en bestuurders met petities en het verzamelen van tekeningen van klasgenootjes zijn verrassend effectief.

Politici willen al decennialang streng en rechtvaardig zijn en menen onderscheid te kunnen maken tussen echte en onechte vluchtelingen, of tussen waarachtige en leugenachtige. In werkelijkheid geeft de asielwetgeving weinig houvast, omdat het niet mogelijk is te bepalen wat de kernbegrippen uit het Vluchtelingenverdrag 'vervolging' en 'gegronde vrees' inhouden.

De begrippen worden steeds opnieuw en steeds anders ingevuld of gedefinieerd. 'Vervolging' en 'gegronde vrees' geven dan ook zelden de doorslag. Veel mensen worden, vaak na jaren, toegelaten op andere gronden: als werknemers, echtgenoten, studenten, getraumatiseerden, of omdat ze in Nederland zijn ingeburgerd. Dat gebeurt niet omdat rechters soft zijn (of als linkse hobby asielzoekers toelaten), maar omdat blijkt dat de wet wel gebruikt kan worden om asielzoekers af te wijzen, maar niet om hen uit zetten.

Al in de jaren zestig meenden ambtenaren dat de oplossing van dit probleem een 'geruisloze' toelating was, vooral om de gevreesde precedentwerking te voorkomen (iets waar ook PVV-Tweede-Kamerlid Fritsma onlangs in Trouw op wees). Helemaal lukken deed ook dat beleid niet, juist omdat in zaken waarbij wel geruis ontstond de kans dat iemand mocht blijven uiteindelijk het grootst was.

Kortom, de acties zijn niet nieuw, het probleem is niet nieuw en de oplossing op individueel niveau is dat meestal ook niet. Op zich is het geen probleem dat de wet in de praktijk al decennialang zo functioneert. Het strengverwoorde beleid heeft de afschrikkende werking die politici willen. En de milde praktijk laat de humanitaire kant van de samenleving zien.

Het enige probleem ligt mogelijkerwijs bij de politici of beleidsmakers die hun ogen sluiten voor de onmogelijkheid van het strenge beleid in de praktijk.

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden