Uitvinder van de knotwilg gedijt weer

De bever is het grootste knaagdier van ons land. Knaagdieren vormen een soortenrijke groep zoogdieren; er zijn er duizenden, in grootte variërend van de capibara tot de dwergmuis. Er heeft in Noord-Amerika ooit een soort bever geleefd die zo groot werd als een grizzlybeer, maar die is helaas uitgestorven. Op het noordelijk halfrond is desondanks de bever het grootste knaagdier; in de Nieuwe Wereld is dat de Amerikaanse bever, Castor canadensis, en in de Oude Wereld de zeer nauw verwante Europese bever, Castor fiber. Bevers zijn in het water levende nachtdieren; overdag zie je ze zelden. Wat je overdag wel ziet, zijn de vele sporen die ze achterlaten: omgeknaagde bomen, overal los rondslingerende takken, hier en daar een burcht, en natuurlijk de bekende beverdammen.

De mens en de bever onderhouden vanouds een wat moeizame relatie. Bevers werden gehaat en gejaagd. Hun vlees werd gegeten, ook op vrijdag want door hun aquatische leefwijze vielen ze voor katholieken onder de noemer 'vis'. Hun pels werd tot jas of muts verwerkt en ook produceren bevers een sterk geurend stofje waaraan medicinale eigenschappen werden toegeschreven.

In 1826 werd bij het Overijsselse Zalk de allerlaatste inheemse Nederlandse bever door een boer doodgeknuppeld. Ruim anderhalve eeuw later zijn uit het Elbegebied afkomstige bevers in de Biesbosch uitgezet. Sindsdien gaat het snel bergopwaarts, zo snel zelfs dat men mij onlangs voorspelde dat er vanwege vermeende overlast over een aantal jaren wel weer op bevers gejaagd zal mogen worden. Dat zou toch schandalig zijn. Met een strategisch rond de boomstam aangebracht stukje kippengaas kun je een hoop schade voorkomen.

Om Tiengemeten, waar ik zes weken doorbracht, leven twee beverfamilies; een enorme solitaire populier markeert de grens van de territoria. Met filmmaker Cees van Kempen ben ik een dag lang op zoek gegaan naar de dieren. Omdat Tiengemeten geen dierentuin is en de natuur zich nu eenmaal niet laat dwingen, hebben we helaas geen levende exemplaren gezien, maar wel veel sporen van hun aanwezigheid: een aantal burchten waaronder een splinternieuwe, een heuse beverdam die ervoor zorgt dat een klein deel van het eiland bij eb niet leegloopt maar een min of meer stabiele waterstand heeft, tientallen omvergeknaagde bomen en boompjes en overal paden door de vegetatie die ze benutten om zich te verplaatsen. Op de bij eb droogvallende kreekranden zijn enorme pootafdrukken te vinden.

Bevers voeden zich onder andere met wilgenbast, liefst afkomstig van verse wilgentenen. Daartoe hebben ze een mooie techniek ontwikkeld. Als je een wilg laag bij de grond afknaagt, loopt de stomp weer uit en vormt tientallen wilgentenen. De bever is daarmee de uitvinder van de knotwilg, de knot zit alleen laag bij de grond en niet op twee meter hoogte. Dat onze plattelandsknotwilgen al sinds mensenheugenis wel een hoge knot hebben, is naar verluidt om te voorkomen dat bevers er de wilgentenen afhalen. Wilgentakken die ze per ongeluk laten slingeren, kunnen trouwens weer wortel schieten en zo nieuwe bomen vormen. Het zorgt voor dynamiek in de vegetatie en de dieren voldoen ook nog aan hun herplantplicht.

Jelle Reumer is paleontoloog

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden