Uitverkoren en daarna veracht

De Joden als het door God uitverkozen volk? Je zou het niet zeggen als je de geschiedenis bekijkt. Antoine Bodar sprak gisteren de Abel Herzberglezing uit, georganiseerd door De Rode Hoed en Trouw.

I
'Wanneer men na een paar jaar afwezigheid en een wel wat langgerekte vakantie in Bergen-Belsen - het was een vakantie van de cultuur - op een zomeravond weer eens in een eigen bed ligt, zonder boven- en zonder benedenbuurman, in een echte kamer, en het raam staat open en de wind beweegt de gordijnen en buiten slaat een klok, dan komt van lieverlede de vraag omhoog: Wat is er toch eigenlijk gebeurd? Hitler is dood en hij had beloofd mij te zullen vernietigen, maar ik luister naar een merel die op een tak van een boom in de tuin zit te fluiten.'

Aldus in 1946 de advocaat en schrijver Abel Jacob Herzberg - uit Russisch-Joodse ouders geboren te Amsterdam in 1893 en daar gestorven in 1989. In zeven opstellen doet hij eerst verslag van zijn gevangenschap in het concentratiekamp - van januari 1944 tot en met april 1945. Herzberg ontvouwt voorts de zo merkwaardige geschiedenis van de kleine stam op het strookje grond, ver weg aan de rand van de woestijn, waar het zonder macht en ongewapend eeuwen lang leeft terwijl wereldrijken ten onder gaan waarvan de kleine stam telkens de schuld krijgt - reden om telkens te pogen dat volk te verdelgen. De kleine stam evenwel is ook nu niet vernietigd. Daarentegen is het Derde Rijk verzwolgen. In weerwil van alle vervolgingen blijft hij bestaan. Waarom?

'Het is de diepe overtuiging van de gerechtvaardigdheid van zijn bestaan en daarmee de aanhankelijkheid aan zijn lot: Amor fati.' En dat is meteen de titel van Herzbergs eerste naoorlogse geschrift dat als motto de zinsnede uit Leviticus (26,44) draagt: 'Zelfs als zij in het land van hun vijanden zijn, zal Ik hen niet verwerpen.'

Het oogmerk van Adolf Hitler - zo Herzberg in Amor fati - behelst de afschaffing van de beschavingskracht, door het Jodendom in de wereld gebracht en met het christendom door Europa aanvaard. De oervader van de mens is heiden. Hij is als de oudste zoon in weerzin jegens de jongere zoon die - naar het beeld van Kaïn en Abel, van Esau en Jacob - wordt voorgetrokken. Staat de heiden voor de eerste fase in de geschiedenis, de Jood staat voor de tweede. Hoe zich in wraak van hem te ontdoen?

'Zes miljoen doden bedroeg de oogst. Zes miljoen maal de mythe van de broedermoord. Sieg Heil! Sieg Heil! Sieg Heil! En dit alles was alleen maar het begin. Het was de voorbereiding voor de heerschappij van de primitieve mens die niets zo haat als de beschaving [...] Na de Joden waren de christenen aan de beurt, na de synagogen de kerken [...] Wij zijn gesticht door prachtige kathedralen maar als zij in elkaar donderen is er iets in ons hart dat juicht.' Dat is het heidendom tegenover de Joodse en ook de christelijke cultuur.

'Ik denk aan Bergen-Belsen en ik weet het: Wij hebben de heiden ontmoet en wij zullen hem weer ontmoeten. Wat blijft ons over? Amor fati.'

Verkorenheid brengt altijd en overal verachting. Verkoren en veracht kiest Abel Herzberg - naar eigen bewering niet zo zeer door de Joodse godsdienst maar stellig door afstamming telg van het Joodse volk - voor de liefde tot het lot.

II
'Gij zijt een volk, aan Jahweh uw God gewijd. U heeft Hij onder alle volkeren verkoren om Zijn volk te zijn. Niet omdat gij talrijker zijt dan andere volkeren heeft Hij Zich aan u gehecht en u uitgekozen; want gij zijt het kleinste van alle volkeren. Maar omdat Jahweh u lief had en Zijn eed wilde houden die Hij uw vaderen gezworen had, daarom heeft Hij u weggeleid met sterke hand en u bevrijd uit het slavenhuis, uit de macht van Farao, de koning van Egypte. Erken dus dat Jahweh uw God waarachtig God is - de getrouwe God Die het Verbond gestand doet en genade bewijst aan wie Hem beminnen en Zijn geboden onderhouden tot in het duizendste geslacht.' Laat deze drie verzen uit het boek Deuteronomium (7,7-9) volstaan de goddelijke uitverkiezing van het Joodse volk vast te stellen. Verkoren wordt het bevestigd door Zijn gezworen eed, door Zijn verlossing uit de slavernij, door Zijn trouw aan het Verbond - eerst gesloten met stamvader Abraham, voorts geschonken aan Mozes op de berg Sinaï, nadien bestendigd jegens koning David: 'Mijn genade duurt eeuwig, Mijn trouw staat als de hemel onwankelbaar vast', verwoordt de psalmist (Ps 89,3-4), 'Ik heb een verbond met Mijn verkorene gesloten, een eed gezworen aan David, Mijn knecht. Voor eeuwig zal Ik uw nazaat behouden, uw troon doen staan van geslacht tot geslacht.'

Profeten maken gewag van de te verwachten Messias. Psalmisten bezingen de komst van de Gezalfde - Hem, de koning van Israel. 'Jubel luid, gij dochter Zion; juich, gij dochter Jerusalem. Zie, uw koning komt tot u, rechtvaardig en zegevierend. Hij is deemoedig. Hij rijdt op een ezel, op een veulen, het jong van een ezelin.' Zo de profeet Zacharia (9,9). En de psalmist (Ps 18,51): 'Heil verleent de Heer Zijn koning en genade Zijn gezalfde - aan David en zijn nageslacht tot in eeuwigheid.' Laat ook deze beide teksten voldoende zijn om tenminste aan te tonen dat van de te verbeiden Messias in de Joodse Bijbel sprake is.

Maar is Hij nog altijd te verwachten of is Hij tweeduizend jaar geleden verschenen? In deze nog te vervullen hoop dan wel al vervulde hoop scheiden zich de wegen van niet of wel aanvaarding van Jezus van Nazareth als de Messias, als de Gezalfde des Heren. 'Zijt Gij de Messias, de Zoon van de Gezegende', vraagt de hogepriester Jezus in het evangelie van Marcus (14,61-64). 'Ja, dat ben Ik.' En de hogepriester scheurt zijn kleed en rekent Jezus zijn bevestiging als lastering van God aan. Zo is de kern van de breuk verwoord tussen Joodse gezagdragers en de persoon van Christus toen. Naar Joods oordeel beweren christenen ten onrechte dat Jezus Christus de Zoon van God is. Omgekeerd houden Christenen Joden voor blind. De Kerkvaders althans plaatsen de Kerk tegenover de Synagoge. In de beeldende kunst wordt het paar zinnebeeldig voorgesteld door twee vrouwefiguren - de Kerk fier uit de ogen kijkend, de Synagoge blind of geblinddoekt. Daarenboven worden de verbeeldingen van Jezus en Zijn Moeder en de apostelen in de vorderende Middeleeuwen ontdaan van de uiterlijke trekken van het Joodse volk en omgevormd tot bij voorkeur eigentijdse al dan niet blonde bewoners van Europa. Alleen beulen en geselaars, hogepriesters en schriftgeleerden en bij uitnemendheid Judas Iskariot blijven Jood om te zien. Juist hij is gehuld in de kleur van de sociaal uitgestotenen - geel, de spitse Jodenhoed al dan niet op het hoofd. Veelal voert Judas de geldbuidel met zich mee als kashouder van Jezus en de Twaalf volgens de evangelist Joannes (12,6;13,29) - de bankierstaak die ook christenen in de Middeleeuwen plachten uit te besteden aan Joden.

En de heilige Geschriften van het Joodse volk - de Joodse Bijbel? Zo die niet zonder meer genaast mochten heten, dan toch werd aan de Joden ontzegd dat zij een van de christendom afwijkende uitleg van het Oude Testament zouden kunnen geven - niet inziend immers wat zij hadden moeten inzien. Het verzet van de meeste Joden tegen de christelijke prediking vervult de apostel Paulus met droefheid en pijn - juist in zijn verwantschap met hen, zijn broeders (Rom 9,3). Hosea (2,1.25) en Jesaja (10,22) aanhalend schrijft hij in de Brief aan de Romeinen (11,26-27) over de rest, het uitverkoren deel, van het eigen volk dat terstond deelt in het gekomen heil - de Joden die in Jezus Christus geloven. Klaarblijkelijk hebben de christenen alleen daarop hun denken gericht. Want Paulus wijst verder erop dat de aanwezigheid van de 'rest' meteen inhoudt dat God Zijn eens verkoren volk evengoed niet heeft verstoten (Rom 11,1). In het beeld van de plant spreekt hij over afgesneden takken en enting.

Als apostel van de heidenen maant hij de christenen, afkomstig uit de andere volkeren dan het Joodse waarop zij geënt zijn, tot bescheidenheid. 'Wilt gij snoeven, bedenkt dat de wortel u draagt en niet gij de wortel.' (Rom 11,19) En wat de afgesneden takken betreft - de Joden die Jezus als Messias afwijzen: God is bij machte hen opnieuw te enten en dat is eenvoudiger dan de enting van de heidenen; want het gaat om hun eigen stam. 'God kent geen berouw over Zijn genadegaven noch over Zijn roeping.'(Rom 11,23-24.29) Ten onrechte niettemin is eeuwenlang het denkbeeld van christelijke zijde gehuldigd, als zou de uitverkiezing van de Joden op de christenen zijn overgegaan. In de verkorenheid zijn christenen evenwel aan de Joden - het eerst door God beminde volk - toegevoegd.

In de scheiding van geloof omtrent de Messias heeft zich bij de verkorenheid van het Joodse volk de verachting gevoegd die het al sedert de vroege Kerk eens te meer is ten deel gevallen. Volgens Herzberg mogen de wortels van het antisemitisme dan sociaal zijn, de sociale afkeer draagt meesttijds als masker de godsdienst - het christendom dat zo veel anti-judaïsme heeft bevorderd dat dikwijls is ontaard in antisemitisme. Overtuigd van exclusieve uitverkiezing wijst de christenheid tot in de nieuwe tijd menselijke waardigheid alleen zichzelf toe. Waardigheid gold het onderscheid van andere mensen, niet de overeenkomst met hen. Waardigheid kwam christenen toe, niet heidenen, ketters en Joden - in weerwil van de schepping van elke mens naar Gods beeld en gelijkenis (Gn 1,26-27).

III
De Romeinse geschiedschrijver Tacitus bericht dat Jezus Christus tijdens de regering van keizer Tiberius door landvoogd Pontius Pilatus ter dood is veroordeeld en terechtgesteld. De rol van de Joden laat hij achterwege. In de Evangeliën en elders in het Nieuwe Testament daarentegen spelen de Joden de hoofdrol en is de Romeinen de bijrol toebedeeld. Enerzijds werden de christen geworden Joden na de opstand tegen de Romeinen in 66 met de verwoesting van de Tempel in 70 stilaan uitgesloten van de synagogen waardoor afkeer van de andere stamgenoten niet zal zijn uitgebleven. Vier jaar eerder al, in 62, was door toedoen van het Sanhedrin Jacobus (Minor), de eerste bisschop van Jeruzalem, ter dood gebracht. Anderzijds beijverden de christenen zich in die omstandigheid bijgeval Jezus vooral niet voor te stellen als Joodse opstandeling jegens het Romeinse bewind - te minder in het licht van de vervolging van de christenen te Rome door keizer Nero in 64. Christelijke baat was dus geboden bij eventuele verschuiving van de verantwoordelijkheid voor Jezus' terechtstelling in de Evangeliën van de Romeinen naar de Joden.

De Joodse geschiedschrijver Josephus beschrijft drie denkrichtingen binnen het Jodendom ten tijde van Jezus van Nazareth - Essenen, Sadduceeën en Farizeeën. Waarschijnlijk heeft Jezus tot geen van de drie richtingen behoord. Klaarblijkelijk hebben de Farizeeën destijds de meeste invloed gehad. Twistgesprekken, die Jezus met de Farizeeën in de Evangeliën voert, duiden vermoedelijk op de verwijdering tussen Joden en christenen toen, in de periode dat die zijn geschreven. De spanning tussen beide soorten gelovigen vergroot zich steeds verder. Tegen het einde van de tweede eeuw, maar blijkbaar al eerder (1 Tes 2,14; Rom 9-11), is de tweedeling tussen de Joden die Jezus niet hebben erkend als Messias en de christenen voltooid.

Waarop leggen de schrijvers van de Evangeliën onderscheidenlijk de nadruk ten aanzien van de rol van de Joden bij de dood van Jezus?

De Joodse leiders veroordelen Jezus ter dood wegens Godslastering. Zo Marcus. Pilatus acht dat vonnis uit nijd geveld en stelt de menigte de keuze tussen Jezus en Barabbas, zoals bij de andere evangelisten. De schare kiest en Pilatus acht het raadzaam de schare haar zin te geven en geeft Jezus over om te worden gekruisigd.

Pilatus vindt geen schuld in Jezus. Zo Lucas. Hij geeft zich moeite het leven van Hem te redden. Maar de leiders en de menigte beschuldigen Jezus van ontduiking van belasting aan de keizer. Voorts zou Hij, zoals bij de andere evangelisten, de koning der Joden zijn. Op die vermeende daad van rebellie gaat Pilatus in het geheel niet in. Hij spreekt geen doodvonnis uit maar geeft Jezus over aan de wil van de hogepriesters, de oversten en het volk.

Joannes noemt de tegenstanders van Jezus zonder meer de Joden, ofschoon Jezus zelf Jood is. Pilatus vraagt de Joden Hem zelf volgens de eigen wet te vonnissen maar zij antwoorden niet het recht te hebben iemand ter dood te brengen.

Bij Matteüs ontvangt Pilatus, gezeten op de rechterstoel, het bericht van zijn vrouw zich niet met Jezus in te laten. Hij laat water komen, wast zich de handen en zegt: 'Ik ben onschuldig aan het bloed van deze rechtschapen man; gij moet het zelf maar verantwoorden.' Daarop roept geheel het volk: 'Het bloed kome over ons en over onze kinderen.' (Mt 27,24-25)

Joannes heeft met 'de Joden' de daar aanwezigen bedoeld of wellicht de inwoners van Judea (de Judeërs). Matteüs spreekt hier niet van 'de schare' maar van 'geheel het volk'. Toch kan dat niet anders betekenen dan het daar roepende volk. Het aanvaardt de verantwoordelijkheid voor Jezus' veroordeling - de eigen generatie dus én de volgende generatie ('onze kinderen'). Hoe dat te verstaan? Zoals Marcus en Lucas bericht Matteüs (24,1-2) dat van de Tempel geen steen op de andere zal blijven en het heiligdom zal worden verwoest. En zo is geschied voordat de Evangeliën zijn geschreven in de generatie (ongeveer veertig jaar) na de dood van Jezus - de tweede generatie (de kinderen van de generatie die daar bij de landvoogd had geroepen). De vernieling van de Tempel is toen stellig onder christenen opgevat als straf aan de Joden van het eerste en het tweede geslacht voor de kruisiging van Jezus. Maar de gewraakte zinsnede 'Het bloed kome over ons en onze kinderen' beduidt dus niet dat sedertdien alle volgende geslachten schuldig zouden zijn aan de zo genoemde 'Godsmoord'.

Zou evengoed niet volgens de Joodse Bijbel straf zich moeten beperken tot de eigen generatie? Leert niet Ezechiel (18,4.20; Dt 24,16) dat de zoon niet behoeft te boeten voor de vader en de vader niet voor de zoon? Ieder draagt verantwoordelijkheid voor zijn eigen daden. En zijn niet alleen de leiders van de Joden bij de veroordeling van Jezus werkelijk aansprakelijk te stellen? Getuigt ook Petrus (Hnd 3,17-18) niet ervan dat zijn broeders in onwetendheid hebben gehandeld evenals hun overheden? Want de Messias moest sterven. Zo is in vervulling gegaan hetgeen God tevoren bij monde van de profeten had aangekondigd.

IV
Verachting en vijandschap zijn de Joden hun deel gebleven tot de ondergang van het Derde Rijk, als zouden zij door de eeuwen heen van geslacht op geslacht schuldig blijven aan de dood van Jezus Christus. Wat met hen aan te vangen door de christenheid? In hoeverre hen op te roepen Jezus als de Messias te erkennen en zich tot Hem te bekeren? Vragen, gesteld tot de tijd dat de Kerk als instituut met betrekking tot het Joodse volk werkelijk ontwaakt is geraakt als gevolg van de Shoa, de poging tot volledige uitroeiing van de Joden door de Führer en de zijnen.

Hoe de houding van de kant van de Kerk jegens het Jodendom voor te stellen? Kerkvaders reeds hebben steeds contra Judaeos (tegen de Joden) geschreven.

In de vierde eeuw preekt Joannes Chrysostomos (met de gouden mond van welsprekendheid) scherp tegen het Joodse volk: 'Rampzalig en beklagenswaardig zijn de Joden. Zo veel goeds dat zij van de kant van de hemel in handen kregen, hebben zij afgewezen en verworpen. Zij hebben de profeten gekend maar omtrent wie die profeteerden hebben zij gekruisigd. Het door hen van de hand gewezen goeds is door anderen geroofd en naar zich toe getrokken. Tot het zoonschap geroepen zijn zij tot het geslacht van de heidenen vervallen. Ik weet dat velen eerbied hebben voor de Joden en dat zij hun levenswijze voor eerbiedwaardig houden. Maar dat is een ongegrond oordeel. Daarom haast ik mij het met wortel en tak te verwijderen. De synagoge is als het theater. De synagoge is een bordeel, een theater, een hol voor rovers, een onderkomen voor wilde dieren - zelfs voor onreine.'

Waarom kiest Joannes Chrysostomos zulke felle, hatelijke, beledigende woorden van anti-judaïsme die reiken aan antisemitisme? Zich richtend niet tot de Joden maar tot de eigen gelovigen spreekt hij de overtuiging uit dat de Joden niet langer het uitverkoren volk zijn maar alleen de tot het christendom bekeerden onder hen en meer nog de christenen, afkomstig uit de heidenvolkeren. De Joden hebben de Zoon van God vermoord en blijven altijd schuldig. Dat is hun straf. Had God hun niet gevraagd de wet te onderhouden? Toen deden ze dat niet. Nu de wet niet meer van kracht is, omarmen zij die. De zon van de gerechtigheid is opgegaan voor de Joden - naar Maleachi 3,20 - maar de Joden hebben zijn stralen afgewezen en verkeren nu in duisternis. De Joden willen niet weten dat Christus de zon is.

(Terzijde het volgende: Wie hedentendage moskeeën haatpaleizen noemt maakt zich tegenover moslims aan hetzelfde vergrijp schuldig als destijds Chrysostomos.)

Het anti-judaïsme is in de Kerk gebleven tot voorbij de Tweede Wereldoorlog. Daarvan getuigt het gebed voor de bekering van de Joden op Goede Vrijdag - gezegd tot het Tweede Vaticaans Concilie in de jaren zestig: 'Laat ons ook bidden voor de ontrouwe Joden: Dat onze God en Heer de blinddoek van hun harten wegneme, opdat ook zij Jezus Christus, onze Heer erkennen.'

Naast hevig anti-judaïsme als van Joannes Chrysostomos doen zich in de geschiedenis van de Kerk ietwat gematigder vormen daarvan voor. Diens jongere tijdgenoot, kerkvader Aurelius Augustinus verwijt de Joden weliswaar hun ijdelheid en verwaandheid, hun boosaardigheid en zinnelijkheid maar niet zij noch de heidenen zijn de grootste vijand van de Kerk. Dat zijn de ketters. De Joden hebben zijn inziens na de stichting van de Kerk desondanks een taak in Gods heilsplan. Zij zijn de librarii van de christenen, de beheerders van de boekerij die de Hebreeuwse Bijbel is. Onbegrepen wegens hun blindheid houden zij de eigen heilige geschriften evengoed levend tot getuigenis bij heidenen en ketters, in wier omgeving zij dankzij de diaspora verblijven. Daartoe immers zijn zij als straf voor de kruisiging veroordeeld. Massaal bekeren van de Joden tot het christendom acht de kerkvader niet per se noodzakelijk. Zij bewaren eenvoudigweg hun voorvaderlijke tradities en getuigen zo niettemin van de christelijke waarheid, hoewel zij zulks niet inzien.

V
In pauselijke geschriften, zoals overgeleverd in het compendium van het Romeinse leergezag, komen in de tijd voorafgaand aan het Tweede Vaticaanse Concilie feitelijk slechts weinig vermeldingen inzake de Joden aan de orde. Over verdraagzaamheid stuurt Gregorius I de Grote in november 602 aan de bisschop van Napels, in wiens stad Joden zich bij de paus hebben beklaagd gehinderd te worden in de uitoefening van hun eredienst en de viering van hun feesten. Waarom Joden op die wijze beletten? Het brengt niets. Beter is zich jegens hen mild en verstandig te gedragen en hun uit de eigen heilige geschriften te bewijzen wat wij te zeggen hebben. Zo kunnen zij zich met de hulp van Gods genade tot de schoot van de moederkerk bekeren.

Onder verwijzing naar Gregorius I vermaant paus Alexander VI in 1065 de vorst van Benevento: 'Hoewel wij niet twijfelen aan uw oprechte geloofsijver in uw verordening de Joden tot de christelijke eredienst te brengen, toch moeten wij u berispen. Eenieder blijft vrijheid voorbehouden. Want onze Heer Jezus Christus, zoals men lezen kan (in de Evangeliën), heeft niemand tot Zijn dienst gedwongen. Alleen door nederige aansporing heeft Hij allen, die Hij tot het eeuwige leven voorbestemde, van dwaling teruggeroepen. Niet door te rechten derhalve maar door het vergieten van Zijn bloed.'

Op 15 september 1199 geeft paus Innocentius III de constitutie omtrent de verdraagzaamheid van de Joden in het licht: 'Weliswaar is de trouweloosheid van de Joden veelvoudig te verwerpen, maar door hen wordt wel ons geloof waarlijk bevestigd. Daarom mogen zij door de gelovigen niet zwaar worden onderdrukt. Zoals aan de Joden niets meer in hun synagogen dan wat wettelijk is toegestaan wordt geoorloofd, zo mogen zij in het hun toegestane geen schaden ondervinden. Als zij liever in hun verharding volharden in plaats van de voorspellingen van de profeten en de geheimen van de wet in te zien en tot de kennis van het christelijke geloof te geraken, dan verzekeren wij hun niettemin het schild van onze bescherming waarom zij vragen. En dat op grond van de christelijke zachtmoedigheid. Wij treden zo in de voetsporen van onze voorgangers zaliger nagedachtenis.' De paus laat de namen van de Romeinse bisschoppen volgen die zich op vergelijkbare wijze hebben uitgesproken, vermeldt nog eens dat niemand tegen zijn wil gedoopt kan worden en benadrukt dat geen vieringen of feesten met stenen en knuppels mogen worden verstoord en dat niemand het wage een Jodenkerkhof te schenden of om aan geld te komen reeds ter aarde bestelde lichamen daar op te graven. 'Wie dit decreet verzaakt wacht excommunicatie.'

Drieërlei valt ten aanzien van deze pauselijke oproepen tot tolerantie op te maken:

Kennelijk zijn zij nodig, zoals vooral uit die van 1199 blijkt. Klaarblijkelijk worden steeds pogingen gedaan de Joden in hun vrijheid te beknotten en ontbreekt telkens het inzicht dat bekering alleen in vrijheid en niet onder dwang kan plaats vinden. Joden weten dan klaarblijkelijk niet wat zij missen door zich van het christendom afzijdig te houden, maar toegegeven moet worden dat het Joodse geloof het christelijke bevestigt (om niet te beweren eerst mogelijk maakt, zoals nu wordt gezegd).

VI
Veracht door de christenen zijn de Joden. Het past ons christenen ons dat te herinneren en het is onze plicht die herinnering levend te houden. Wij behoren elk anti-judaïsme achter ons te laten en zo des te gerichter elk antisemitisme te bestrijden. 'Wanneer u zich herinnert wat is gebeurd, zult u zich schamen en geen woord durven zeggen' - zo de woorden van Ezechiel (16,63) die toen gericht tot Joden nu ook christenen zich aantrekken.

Sommige christenen hebben zich dit inzicht eerder verworven. Zo Jacob Revius in de zeventiende eeuw: 't En zijn de Joden niet, Heer Jesu, die U cruysten, / Noch die verradelijck U togen voor 't gericht, / Noch die versmadelijck U spogen in 't gezicht, / Noch die U knevelden en stieten U vol puysten.'

'Verkoren en veracht' - een tweeluik. In dit tijdsgewricht zouden christenen liever spreken van een drieluik: 'Verkoren, veracht, verbonden' - al blijft die verbondenheid hier nagenoeg onbesproken.

Op 28 oktober 1965 brengt paus Paulus VI de verklaring Nostra Aetate uit die handelt over de houding van de Kerk ten opzichte van de niet-christelijke godsdiensten. Met betrekking tot het Jodendom levert Jacob Herzberg desgevraagd commentaar in het katholieke weekblad De Bazuin van 27 november van dat jaar. 'Men zal, naar ik aanneem, begrijpen dat er van Joodse zijde niet zo veel te zeggen valt over de Concilieverklaring', begint hij zijn commentaar. 'Ik houd alleen de indruk over dat die Joodse groep, die - volgens de Evangeliën - bij de veroordeling van Christus betrokken was, niet vrijgesproken is maar gratie heeft verkregen, terwijl huidige en toekomstige Joodse geslachten deswege niet strafbaar worden geacht. Een Nederlandse rechter zou onder zulke omstandigheden zeggen: Ze worden ontslagen van rechtsvervolging. Een vrijspraak zou een veel verdere strekking hebben gehad. Niet om haar zelf, maar omdat daaraan een nader onderzoek en een herwaardering der historische feiten ten grondslag gelegen had.' Ik verzeker u dat het door Herzberg bepleite onderzoek in de Kerk voortgang vindt. Gewonnen was toen, in 1965, toch al iets, althans volgens Herzberg: 'Wat er verandert [door de Concilieverklaring], is dat de collectieve aansprakelijkheid der Joden niet langer door de Kerk aanvaard wordt. Dit tast het antisemitisme aan in zijn wezen.'

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden