Uiteindelijk blijkt God de beste knikkerbeker

In 1960 telde Nederland wel 361.641 ongehuwde mannen en vrouwen. Onder hen waren 21.696 gereformeerden.

Sneu, zo’n veld vol muurbloemen, vond de top van de gereformeerde kerk. Nu ja, ze formuleerden het anders. Een beleidsnotitie spreekt van „ingrijpende nood die niet-gehuwd zijn mee kan brengen”.

In het Historisch Tijdschrift GKN, dat tweemaal per jaar verschijnt, beschrijft Gerard Hazenkamp opkomst en ondergang van het gereformeerde huwelijkscontactbureau, van 1962 tot 1990.

Het leest als een compacte cultuurgeschiedenis van het naoorlogse Nederland. Dat begint natuurlijk met het probleem dat vrouwen direct na de oorlog ervoeren. Van hun soort was er veel aanbod. Heel erg dapperen onder hen durfden wel eens een advertentie te zetten, maar daartegen bestond in gereformeerde kring ernstig bezwaar. Het huwelijk was geen kwestie van vraag en aanbod, maar een heilig samenkomen van man en vrouw, door Gods zachte hand gestuurd. Wie per advertentie naar een man of een vrouw zocht, had kennelijk geen vertrouwen in de hemelse matchmaker. Dat kon wel zijn, zeiden de bestuurders van de Stichting Gereformeerd Landelijk Orgaan voor de Geestelijke Gezondheidszorg, maar je kon die in nood verkerende ongewild ongehuwden toch niet aan hun lot overlaten. Dus werd op 1 oktober 1962 het Gereformeerd Huwelijkscontactbureau opgericht. Onder de vleugels van de Geestelijke gezondheidszorg, dus.

Gerard Hazenkamp beschrijft nauwgezet waardoor het resultaat van dit bureau al met al tegenviel. Honderd huwelijken per jaar, en dat was niet veel, met meer dan 20.000 gereformeerde ongehuwden in de bloei van hun leven.

Misschien was de medische keuring een rem. Of de screening op algehele huwelijksgeschiktheid. Het hervormde huwelijksbureau was succesvoller, maar samenwerking daarmee werd afgewezen. Argument hiertegen was dat de scheidingscijfers van gemengd gehuwden hoger waren dan die van louter gereformeerd gehuwden en dat mocht je de mensen niet aandoen. Velen vroegen de brochure aan, maar slechts weinigen schreven zich werkelijk in. Onder hen bovendien te veel vrouwen, waardoor het noodzakelijk bleek op discrete wijze een vrouwenstop in te voeren, vooral geldend voor die met een hogere opleiding.

In 1969 kwam er dankzij samenwerking met katholieken, hervormden en humanisten het Landelijk centrum voor huwelijkscontacten. Dat betekende succes: 1500 inschrijvingen per jaar, van wie iets minder dan de helft daar de liefde van hun leven vond.

En toen kwam natuurlijk het hokken, als alternatief voor huwen. Dat zadelde het gereformeerde huwelijksbureau met de gewetensvraag op of ook kandidaten met hokdrang opgenomen mochten worden. Dat heette ’duurzame relaties’, waarbij duurzaam voor sommige gereformeerden juist betekende dat het te los was. Er was geen redden meer aan en in 1990 kregen de nog ingeschreven ongewild niet-gehuwden van het Landelijk Centrum een brief dat het LCH niet meer bestond. Ook dat was weer sneu.

Hoe hij op wonderlijke wijze zijn bestemming bereikte, vertelt betonproducent Jan van der Velden in het blad van de christelijke zakenlieden CBMC, Business Contact. Op zijn zestiende ging hij vervroegd van school om thuis in het betonbedrijf zijn zieke vader te vervangen. Deze vader bleef leven, maar werd diep ongelukkig door sterfgevallen en faillissementen in de katholieke familie. Van der Velden zag dat het katholieke geloof zijn vader geen steun bod. Zelf raakt hij bevangen door stress. „Ik probeerde controle over mijn leven te houden door knikkers over een aantal bekers te verdelen: werk, vrouw, kinderen etc. en hield op kantoor bij of overal wel het juiste aantal knikkers in zat, stuurde bij door de knikkers anders te verdelen.”

Uiteindelijk leerde Van der Velden dat God de beste knikkerbeker is die je kunt wensen. Hij en zijn vrouw zijn overgestapt naar de Evangelische kerk, in hun Vlaamse woonplaats. Hun drie kinderen werken in het bedrijf en aan het eind van de dag heeft Jan energie over. Dankbaar zijn werkt beter dan je opwinden, heeft hij geleerd.

Ter redactie dwarrelde ook het eerste nummer neer van het blad Oer, over aardeverbonden spiritualiteit. Oer is een nevenuitgave van Koorddanser. De officiële ondertitel van oer is ’driemaandelijkse inspirerende gids voor de ontmoeting met de bezieling van de natuur in ons en om ons heen’. Daarin mag zoiets als sjamanisme dus niet ontbreken. In Oer vertelt Rob Top hoe hij uit de levensmiddelenchemie stapte en sjamanistisch begeleider werd. „Ik ben ertegen dat mensen zich sjamaan noemen”, verklaart hij. Zo noemt hij zichzelf dus niet. Zijn sjamanistisch credo: „Ik ben met het Amerikaanse sjamanisme bezig en laat me ook inspireren door het Siberische en Afrikaanse sjamanisme. Ik voel dat ik op dit pad ben geduwd.”

Op dat pad komt hij raven tegen en buizerds, korhoenders, uilen en vleermuizen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden