Review

Uit mijn vingers springt al vloed

'Half geboren/ kon ik zoveel kanten op./ Mijn longen konden elke lucht,/ mijn tong kon alle talen./ Verschillende verhalen/ kon ik nog gaan geloven,/(....)

En nu/ zit ik op zwemles/ en vanwege regenweer/ draag ik een gele regenjas./ Ik zit in Holland in een klas/ ik spring/ in deze regenplas./ Ik ben niet alles meer./ Ik ben maar/ één miljoenste/ van wat ik vroeger was.'

De kinderpoëzie van Edward van de Vendel (33) is beeldend en beschouwend tegelijk. Dat bleek vorig jaar al uit zijn veelbelovende debuut 'Betrap me': vederlicht lopende, zintuiglijke poëzie die aan het denken zet, zichzelf is en hoogstens stilistisch herinnert aan Ted van Lieshout. Dat maakte nieuwsgierig naar zijn tweede bundel, 'Bijna alle sleutels', die onlangs verscheen met pittige denkprenten van Sylvia Weve.

Ook hierin zijn zijn gedichten als gedachten van een dromerige ik-figuur, die zichzelf geïnteresseerd en geamuseerd vanaf een afstandje bekijkt, terwijl associaties, vergelijkingen en overwegingen de revue passeren. De eigen zolderkamer die vader timmerde is '...een brug, /een stuurhut op een stomer,/ een hokje op de rug/ van een kameel.' Het schaakbord in de klas, weggezet door de juf omdat er gewerkt moet worden, 'dampt nog als een ovenschaal./ Er hangen zetten boven,/ plannen, wetten,/ wraak'. En groot worden is je goal schoonhouden, ook als de wedstrijd feller wordt: 'Groeien is je doel verdedigen,/ maar de ballen worden wel/ van harder leer, de tegenstanders/ knallen steeds gemener/ medespelers neer en het veld/ wordt alle dagen dieper./ Ik heb de trainer moeten vragen/ mij te leren vliegend keepen'.

Een nieuw gekocht mes roept een wereld op van avontuur: 'Ik ben Robinson -/ wil jij mijn Vrijdag zijn? En natuurlijk zijn de kameraden bloedsbroeders: 'maar met een flinke snee/ kunnen we alle twee vertrekken/ op een rode zee,/ een oceaan van bloed./ Misschien spoelen we wel samen aan./ Kijk,/ uit mijn vingers/ springt al vloed.'

Waarbij Van de Vendel in de laatste regels bloed en springvloed samentrekt tot één zin met twee betekenissen. Een dubbele betekenis heeft ook het slot van 'Vuur': daarin zoekt de ik-figuur 's avonds bij een kampvuur aarzelend toenadering tot een meisje, maar vlucht weg als zij begint te zoenen. Later komt hij terug om het vuur te blussen, maar dat hoeft niet meer, want: 'jij staat te/ stampen op de as/ en ik hoor je zeggen:/ 'Het is uit.'

Evenals in 'Betrap me' beginnen verschillende gedichten met een beeld, om te eindigen met een existentiële vraag. Zoals in het gedicht 'Beeld' over de spiegel: 'Zo raak ik/ toch mezelf/ elke morgen/ verder kwijt?'

Met deze bundel, over alle veranderingen en onzekerheden in het puberleven tussen elf en veertien, bewijst Edward van de Vendel dat zijn debuut geen eendagsvlinder was. Zijn poëzie is een tikje filosofisch, bevat weemoed en humor, en heeft soms verrassend originele beelden, zoals 'Verhuisd', waarin een kamer met 'een nieuwe jurk van frisse verf' haar toekomstige bewoner ten huwelijk vraagt. En dat in zinnen die stromen en dansen alsof dichten vanzelf gaat.

Minder beschouwend, maar wel beeldend is de poëzie van de Vlaamse dichter-illustrator André Sollie (50). Zijn nieuwe bundel 'Het ijzelt in juni' is na 'Soms dan heb ik flink de pest in' (1986) en 'Zeg maar niks' (1991) zijn derde. Opvallend is de ontwikkeling die hij doormaakte, van populair liedjesschrijver in jongerentaal, met dwingend metrum en rijm, naar een veel rustiger, authentiekere poëzie in een vrijere vorm met alleen rijm als het uitkomt. En vergeleken met de pubergedichten van Nannie Kuiper, in 'Ik heb alleen maar oog voor jou' (1997) - kernachtig maar soms wat triviaal - zijn ze complexer.

'Het ijzelt in juni' bevat drie afdelingen met vooral jeugdherinneringen, over thuis, verliefdheden en over de tijd tussen vroeger en nu. Prachtig is het gedicht over de take-off naar volwassen worden: (...) Een kind/ op hoge jongensbenen./ Ik ruik nog naar de kooi./ Loop in de armen van de wind./ Word nog vanmiddag mooi. (-) Ik ben me,/ ik herken me al./ Dit is dus het begin. (-) Mijn tijd/ gaat/ in.'

André Sollie schildert de warmte van thuis, maar doorbreekt sentimentaliteit: 'Moeder is een meisje, even./ Een te warme wintersprei. (-) Prinsjelief moet overgeven.' Maar evengoed laat hij, in 'Moeder', de gebondenheid tussen ouder en kind zien: 'Sinds je dood bent nog het meest./ Je blijft maar praten./ Woorden uit mijn mond.' In de liefdesgedichten overheersen nabijheid en vervreemding, zoals in 'Afstand': 'Hier ver dichtbij/ verberg ik mij.' en 'Haal me alsjeblief/ weg naar je toe.'

Vervreemding blijkt ook uit de collages van afgescheurde foto's van vroeger waarmee André Sollie zijn bundel heeft geïllustreerd. Met nogal wat portretfragmenten van hemzelf zijn ze vaak nogal particulier. Ook de titel, uit het gedicht 'De tijd' is raadselachtig: 'Het ijzelt in juni./ Zoals ze/ rechtop/ in mijn heden staan.' Het klinkt wel interessant, maar waar slaat die tegenstelling tussen kou en warmte op? En wie zijn die 'ze'? Het is verrassend dat André Sollie in deze bundel 'dichtere' taal gebruikt dan in vroegere bundels, maar hermetisch hoeft het nu ook weer niet te worden.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden