UIT HET MOERAS VAN ONVERSCHILLIGHEID

Is alles geoorloofd als God niet bestaat? Op zijn sterfbed in het concentratiekamp Majówka van de staalfabriek bij de Poolse plaats Starachowice laat de joodse advocaat zijn zoon Roman Frister (1928) beloven na de oorlog altijd een fatsoenlijk mens te blijven en de moraal van de kampen niet in zijn nieuwe leven mee te nemen. Subtiel herinnert de vader de jongen eraan dat deze ooit twee kroon van hem had gepikt. Roman belooft wet en eerlijkheid te eerbiedigen en nooit te zullen stelen, maar lapt die belofte later aan zijn laars.

Je kunt het de schrijver nauwelijks euvel duiden. Met eerlijkheid overleefde je Auschwitz en Mauthausen nu eenmaal niet. In het naoorlogse communistische Polen moest je behendig kunnen manoeuvreren. In 'Zelfportret met litteken', deze week in een mooie Nederlandse vertaling verschenen, toont Frister onverhuld het angstige en bijna dierlijke kampbestaan waarin het homo homini lupus - de mens is de mens een wolf - met het ochtend- en avondappèl tot de orde van de dag behoorden.

In tegenstelling tot Primo Levi, die met 24 jaar in Auschwitz terechtkwam en al kort na de oorlog over zijn kampervaringen schreef in 'Is dit een mens', was Frister amper 15 toen hij met zijn vader het kamp in moest; pas vijftig jaar later schreef hij zijn verhaal. 'Zelfportret met litteken' is een rijp, maar verwarrend boek doordat het voortdurend heen en weer springt in de tijd.

Alsof hij alles in wil halen geniet Frister na de oorlog met volle teugen van een exuberant liefdesleven. In 1957 emigreert hij naar Israël, waar hij carrière maakt als journalist bij het liberale dagblad Ha'aretz. Na zijn zestigste stort hij zich nog in een avontuur met krantenmagnaat Robert Maxwell in Polen.

De voortdurende pendelbeweging in de tijd heeft echter het voordeel dat de beschrijving van de onmenselijke kampervaringen net niet onverteerbaar wordt. Een fatsoenlijk mens zoals zijn vader bedoelde is Frister misschien niet geworden, maar wel ontwapenend eerlijk over zichzelf. Menig huwelijk van hem liep spaak en de relatie met zijn kinderen is bijna zonder uitzondering slecht.

Toch zijn het niet steeds zijn psychopatische trekken die hem het leven hebben gered, maar stom toeval en geluk. Zijn jeugdige argeloosheid, afgewisseld met koppigheid en gewiekstheid en bovenal zijn onverwoestbare geestkracht deden de rest. De auteur noemt zichzelf terecht een geluksvogel. Het leven vindt hij te kostbaar om de hand aan zichzelf te slaan en nachtmerries over de holocaust kent hij niet.

Roze draad in het verhaal is de dood van zijn ouders. Na een lang ziekteproces door vlektyfus sterft zijn vader. Onbegrijpelijk voor Frister is dat zijn vader met de dood voor ogen ineens over God begint te praten, omdat hij hem nooit eerder met een gebedenboek had gezien. “Zolang er een God in de hemel is”, fluistert zijn vader plotseling, en: “De banken blijven eeuwig bestaan.” De volgende avond vertelt de verpleger dat zijn vader zijn ziel teruggegeven heeft aan zijn Schepper. “Waar heb je het over?”, zegt Frister. “Er zijn geen zielen, en God bestaat ook niet.”

Zijn moeder werd met één slag gedood, door Wilhelm Kunde, de sadistische Gestapo-officier, omdat ze hem aan zijn afspraak herinnerde om haar en haar gezin vrij te laten in ruil voor haar sieraden. Zolang ze leefde wenste zij haar mond niet te houden. “Hier ben ik God”, zei Kunde. Met de kolf van zijn pistool sloeg hij haar schedel in.

Het kostte Frister ruim veertig jaar om hem in de beklaagdenbank in het Duitse Kiel te krijgen. Kunde was de vijand van de niet minder moordlustige SS'er Amon Goeth, de commandant van Plaszów, uit 'Schindler's List' (1982) van Thomas Keneally. Goeth en Kunde probeerden beiden beslag te leggen op de bezittingen van weggevoerde joden. Daar in het getto van Kraków en het kamp Plaszów werden de joden als ongedierte behandeld.

Het proces tegen Kunde werd voor Frister een teleurstelling. Kunde kreeg zeven jaar. Als er geen God is, hoe wordt dan je lot bepaald, vraagt Frister zich jaren na de dood van zijn moeder af. In hoeverre wordt ons levenspad uitgestippeld door wat anderen voor ons beslissen? Is alles wat ons gebeurt het gevolg van vrije wil, van plannen en beslissingen, of komen we steeds weer aan bij een kruising en slaan we links- of rechtsaf zonder te beseffen hoe belangrijk deze beslissing kan zijn?

Vragen die in het verlengde liggen van de kwestie over de kennis van goed en kwaad, die de Duitse filosoof Rüdiger Safranski verbluffend helder behandelt in 'Het kwaad. Het drama van de vrijheid', ook net in vertaling verschenen. Safranski heeft twee biografieën op zijn naam staan over Schopenhauer en Heidegger. Op de cover staat een angstaanjagende afbeelding van een schilderij van Goya getiteld 'Moordende bandiet'.

Om te weten hoe het kwaad in de wereld gekomen is, moeten we onze toevlucht nemen tot de oorsprongsmythen van Egypte, de oude Grieken en de bijbel. Vóór de geordende wereld bestond er een grote duistere chaos met leegte. Door de doos van Pandora wordt de wereld door de grootste rampen bezocht, maar Prometheus had onder in de doos hoop ingesloten en hij schonk de mensen het vergeten. Weliswaar wisten ze nog steeds dat ze zouden sterven, maar niet wanneer. Zo ontstond bij hen de werklust, die Prometheus met het geschenk van het vuur nog verder aanwakkerde. Safranski beschrijft de contouren en de achtergrond van het kwaad veel fijnzinniger dan een kort bestek als dit toelaat.

Misschien kun je 'Zelfportret met litteken' niet direct een filosofisch geschrift noemen, maar de tijd is er pregnant in aanwezig. Door het besef van tijd weet Frister dat hij (nog) in leven is. In de meest tragische passage probeert hij de tijd krampachtig vast te houden. Betrapt op het dragen van een cementzak onder zijn kleren tegen de kou, moet hij in kamp Auschwitz III voor straf acht uur 'wacht' staan vlakbij de elektrische afrastering van het kamp. Slaap of een enkele val betekent een wisse dood. Door te tellen houdt hij de tijd, zijn bewustzijn én leven vast.

In het kamp komt de dood plotseling door moord, of sluipend door ziekte of onverschilligheid: “Hoe zwakker ik lichamelijk werd, des te meer scheuren er in mijn geestelijk pantser optraden. In het besef van dit proces, hoe traag het ook was, begon ik me zorgen te maken over het moment dat de inentingen uit mijn kinderjaren niet meer zouden werken en ik in het moeras van onverschilligheid zou wegzinken, zonder verder naar een reddingsplank te zoeken.”

Niet het kwaad, maar de vrijheid is het werkelijke probleem waar het om draait, betoogt Safranski tegen het eind van zijn boek. In een wereld zonder God, in een eeuw waarin het nihilisme van Nietzsche in de nazi-tijd werkelijkheid werd, is de vrijheid om als mens alles zelf te mogen bepalen, tot probleem geworden. Hij noemt Hitler de laatste ontremming van de moderne tijd en Auschwitz een negatieve oorsprongsmythe.

Wat de 'dood van God' betekent hebben we in de twintigste eeuw door schade en schande geleerd. Velen geloven nu liever in de mens, die alles zelf moet maken. Alleen was het geloof in de mens gemakkelijker toen we nog de omweg via God namen, schrijft Safranski terecht. Door de immense technologie lijkt de mens zelf schepper te zijn geworden, waarbij God is doodverklaard. Die geweldige systemen werken wel via ons, maar we zijn ze niet meer meester.

Op dit punt aangekomen blijkt de situatie voor de menselijke vrijheid toch niet zo ingrijpend veranderd. “Als we vandaag de dag het menselijk bewustzijn en de vrijheid opvatten als theater aan de oppervlakte, waaronder zogenaamd de werkelijke werkelijkheid van de onbeheersbare grote en kleine procerssen schuilgaat, zijn we net zo verstandig als vroeger, toen zei men: de mens wikt en God beschikt. God was, zouden we nu zeggen, het absoluut supercomplexe. Deze God bepaalt alles, dachten de mensen toen. Maar omdat ze de bestemming natuurlijk niet kenden, moesten ze toch handelen alsof ze hun leven zelf konden en moesten bepalen. Ons vergaat het tegenwoordig net zo bij het zien van complexe structuren, waarvan we iets, maar het meeste niet snappen.”

Onze vrijheid is riskant, maar zonder vertrouwen komen we er niet, zegt Safranski. Dat klinkt een beetje EO, maar ik zou evenmin iets beters weten. “Het vertrouwen vormt een kleine lichtkegel te midden van het duister waar je uit voortkomt en waar je naar toe gaat. Denkend aan het kwaad dat we kunnen doen en dat ons kan worden aangedaan, kunnen we altijd proberen te doen alsof een god of onze eigen natuur het goed met ons voorhad.”

Op zijn beurt beschrijft Frister hoe je al te pijnlijke gebeurtenissen tijdelijk uit je geheugen kunt wissen en hoe je verder kunt leven met een beschadigd innerlijk. Fantasie, dwars tegen de stroom ingaan, niemand kent het recept hoe je om moet gaan met het kwaad.

In het kamp Majówka bij de staalfabriek in Starachowice was het 'doen alsof' de belangrijkste spelregel. De illusie dat het er nooit zo erg kon zijn als elders stond dagelijks op het geestelijk menu: “Elke herinnering die te kwellend was, die pijn deed, die mijn weerstand dreigde te ondermijnen, veranderde vanzelf in een witte vlek in mijn geheugen.”

De oude Grieken zouden daar de hand van de goden in hebben gezien.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden