Uit de stank weg naar buiten

Honderden buitenplaatsen liet de Amsterdamse stadselite verrijzen, van de rijke Gouden Eeuw tot begin 1900. De nog overgebleven buitens met hun tuinen en parken worden nu gekoesterd. 2012 is het jaar van de Historische Buitenplaats.

Kennis over hygiëne en ziekten was er nauwelijks, vier eeuwen geleden. Epidemieën zoals de pokken en de pest ontstonden, zo dacht men toen, onder meer door het inademen van slecht riekende dampen. Geen wonder dat wie niet 'in een kwade reuk' wilde staan en genoeg kapitaal had dankzij de lucratieve handel op de Oost, 's zomers wegvluchtte uit de hoofdstad, met zijn als open riolen dienende stinkende grachten. Sommigen konden zich niet meer permitteren dan een tuintje met een prieeltje aan de rand van de stad. De vermogende Amsterdamse kooplieden en regenten daarentegen gaven de voorkeur aan een echte buitenplaats: een monumentaal zomerhuis met een tuin of zelfs een park eromheen. Van eind zestiende tot begin twintigste eeuw stichtten zij waarschijnlijk meer dan vijfhonderd van deze buitenplaatsen in het groen.

In het 'goede seizoen', ongeveer van mei tot september, trok de rijke stadselite per koets, trekschuit en soms zelf met een eigen jacht naar de buitenplaatsen. Het zomerhuis moest goed bereikbaar zijn vanuit Amsterdam, opdat de heer des huizes redelijk snel voor zaken naar de stad kon terugkeren. Kennemerland, de Beemster en locaties langs de Amstel en het Gein waren daarom ideaal. Maar ook wat verder weg, in 's Graveland en langs de Vecht en de Eem, in Baarn bijvoorbeeld, verrezen hun buitenplaatsen. Met de komst van verharde wegen en het spoor trok de stedelijke elite nog verder weg, naar de Utrechtse Heuvelrug of de Veluwezoom.

Omdat het hele gezinsleven werd verplaatst van de stad naar het zomerverblijf, verhuisde ook een belangrijk deel van het huisraad mee. Op de tentoonstelling 'Naar Buiten! , in het Amsterdamse Museum Geelvinck Hinlopen Huis is onder andere een reismand te zien met serviesgoed. Bovenop het deksel is met een metalen kram een scherf van een bord bevestigd, als waarschuwing aan de sjouwers dat de mand breekbare waar bevatte. Tegen de winter moest alles weer terug naar het huis in de stad. De buitenhuizen waren enkel op zomers verblijf gebouwd; in de winter waren ze nauwelijks warm te stoken. Daarom werden ze bij het vertrek in de herfst vrijwel geheel leeg afgesloten.

De buitenplaatsen waren er vooral voor rust en ontspanning. Er werd gefeest, getrouwd, vaak visite ontvangen en afgelegd. Jagen, vissen, bloemschikken, borduren, spelevaren, musiceren, toneelspelen, gedichten voordragen, het gehele sociale luxeleven speelde zich er af. Vaak werd er voedsel verbouwd voor eigen gebruik en werden er kippen en fazanten en ander mooi gevogelte gehouden voor het lekkere vlees en verse eitjes. Uit interesse voor verre streken, aangewakkerd door de handelsreizen naar Oost- en West-Indië, gingen sommige stedelingen op hun buitens uitheemse vruchten kweken, zoals ananas en meloen. Een andere populaire bezigheid tijdens het verblijf buiten de stad was het bestuderen van de natuur, waarvoor men soms ook bijzondere planten kweekte, die weer gedroogd en nagetekend konden worden.

De tuinen en parken rond de buitenplaatsen laten goed zien hoe er in de loop der eeuwen verschillend is gedacht over de ideale natuur. In de zeventiende eeuw wilde de mens met kunstgrepen de natuur verbeteren. Bij buitens uit die tijd is dat vaak nog herkenbaar aan de formele stijl van gladgeschoren hagen, symmetrische bloemperken en rechte paden langs kunstig gesnoeide bomen en struiken. De komst van de Romantiek, vanaf de tweede helft van de 18de eeuw, luidt het einde in van de formele tuin: om eind 18de eeuw mee te tellen moet je een tuin hebben in de Engelse landschapsstijl. Weg met de strakke lijnen uit de Franse tijd, vanaf nu moeten tuinen en parken er natuurlijk uitzien, met kronkelpaadjes, weelderig groen afgewisseld met open plekken, mooie vijvers, verrassende doorkijkjes en hoogteverschillen.

Een mooi voorbeeld van zo'n park in Engelse landschapsstijl laat landgoed Elswout bij Overveen zien, een van de best bewaarde buitenplaatsen van het land. In de 18de eeuw, toen de Alpen erg 'hip' waren, werd het formele landschapspark omgevormd tot een 'klein Zwitserland' met bijzondere bruggen en kronkelige beekjes. Dankzij Staatsbosbeheer, dat Elswout in beheer heeft, ziet het landgoed er nu nog steeds zo uit.

Als gevolg van de malaise na de Franse Revolutie en de Napoleontische oorlogen werden eind 18de eeuw veel buitenplaatsen verkocht. Uitgekookte opkopers lieten de buitenplaatsen slopen, nadat zij eerst fraaie interieurdelen en bruikbare bouwmaterialen verkocht hadden. Een bekende opkoper was de Amsterdamse boekverkoper en speculant Frederik Kaal (1733-1790). Tussen 1775 en 1790 liet hij tien buitenplaatsen slopen. Het woord 'kaalslag' is afgeleid van zijn naam.

Maar de werkelijke genadeslag voor de buitenplaatsen was de vooruitgang die aan het einde van de 19de eeuw inzette. Er kwamen treinen en auto's, waardoor de afstanden overbrugbaar werden tussen de stad en de tuinsteden en dorpen die ontstonden en waar men het hele jaar 'buiten' kon wonen. Die 'moderne' huizen waren voorzien van waterleiding, verwarming, riolering en elektriciteit, en dat was heel wat comfortabeler dan de onverwarmde, ouderwetse en geldverslindende buitenplaatsen. Van de in totaal 6000 buitenplaatsen die heel Nederland rijk is geweest, zijn er nog ongeveer 600 over. Een gedeelte wordt nog bewoond door particulieren, andere werden verbouwd tot kantoorpand. Ongeveer 100 buitenplaatsen kwamen in beheer bij Staatsbosbeheer, Natuurmonumenten en De 12 Landschappen. De Landschappen beheren onder andere de Stichtse Lustwarande, de buitenplaatsengordel van De Bilt tot Rhenen, en verschillende buitenplaatsen in Kennemerland. Natuurmonumenten beheert onder meer de 's Gravelandse buitenplaatsen, en stelt in de maand september weer veel van zijn cultureel erfgoed, waaronder kastelen en buitenplaatsen, open voor publiek.

Naast landgoed Elswout in Overveen bij Haarlem, heeft Staatsbosbeheer onder meer kasteel Groeneveld in Baarn in beheer. De tuinen en parken die particulieren ooit aanlegden bij hun buitens worden nu, vier eeuwen later, door de drie grote natuur- en landschapbeschermende organisaties gekoesterd als kostbare en bijzondere natuur.

Een stadspaleis met vier buitens
Museum Geelvinck Hinlopen Huis is een oud Amsterdams stadspaleis uit de 17de eeuw. Het woonhuis bevindt zich aan de Herengracht, en is via de verrassend grote, klassiek ontworpen 'keurtuin' verbonden met het voormalige koetshuis aan de Keizersgracht, waar zich nu de ingang van het museum bevindt.

De puissant rijke families Geelvinck en Hinlopen die hier hebben gewoond, bezaten in totaal vier buitens. Drie daarvan lagen in het Gooi: landgoed Boekesteyn (een van de huidige 's Gravelandse buitenplaatsen), het buiten Oud-Bussem in Huizen en landgoed Pijnenburg bij Soest, waar de dichter Vondel nog een graag geziene gast was. Het vierde buiten lag op de Utrechtse Heuvelrug: buitenplaats Goudestein in Maarssen, dat tegenwoordig dienst doet als gemeentehuis.

Vanuit hun 'paleis' aan de Herengracht trokken de beide families generaties lang naar hun vier buitenhuizen.

De expositie 'Naar Buiten! Stedelingen en hun buitenplaatsen', die het museum in samenwerking met Natuurmonumenten, Staatsbosbeheer en De12Landschappen heeft samengesteld, krijgt daardoor twee gezichten. Ten eerste geeft een bezoek aan het museum een goede indruk van de luxueuze behuizing van de rijke Amsterdamse patriciërs. De tentoongestelde voorwerpen - onder andere schilderijen, prenten en foto's van buitenplaatsen, met natuurmotieven beschilderd aardewerk en porselein, tegeltjes met oud-Hollandse spelen, tuingereedschappen en tuinbeelden en een houten model van de trekschuit Amsterdam-Haarlem - verwijzen bovendien naar het zomerse verblijf van de families op hun buitenplaatsen.

Andere musea die aandacht besteden aan het Jaar van de Historische Buitenplaats zijn onder andere Keramiekmuseum Princessehof in Leeuwarden en Museum Kennemerland in Beverwijk.

Naar Buiten! Stedelingen en hun buitenplaatsen.

Museum Geelvinck Hinlopen Huis, Keizersgracht 633, Amsterdam;

t/m 04/02/2013, wo t/m ma 11-17u.

Groen Geluk. Van lusthof tot volkstuin. Keramische objecten met onder andere natuur- en jachtmotieven, en een tot volkstuin omgetoverde museumtuin.

Keramiekmuseum Princessehof, Grote Kerkstraat 11, Leeuwarden; t/m 28/10/2012, di t/m zo 11-17u.

Arcadië aan het Wijkermeer.

Buitenplaatsen en hun bewoners. Museum Kennemerland, Westerhoutplein 1, Beverwijk; t/m 16/09/2012, wo, za, zo 14-17u.

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden