Uit de beste nesten: een excursie langs begaafde families

De familie Bach geldt als het voorbeeld van erfelijke muzikaliteit. Wie de stamboom ziet telt, afhankelijk van waar men de grens der begaafdheid trekt, binnen twee eeuwen tussen de vijfentwinig en vijftig muzikale talenten. Toch is het maar de vraag of we zonder dat ene uitzonderlijke genie van Johann Sebastian de familie wel zo zouden hebben opgemerkt.

Ook de families Shakespeare, Rembrandt en Mozart hebben het begaafde bloed niet in stand weten te houden. Toen enige tijd geleden twee nazaten van de familie Van Rhijn zich in het Journaal mochten verbazen over hun zojuist opgeduikelde verwantschap met de grote Rembrandt (wij verbaasden ons ook) werd de indruk gewekt als stamden ze regelrecht van hem af, maar nee hoor, ze kwamen van Rembrandts broer. Rembrandts eigen bloed stroomt allang nergens meer.

Het is een feit dat families vol uitzonderlijke begaafdheid, om onduidelijke redenen overigens, vaak geen blijverdjes zijn. Vroeger dacht men zelfs dat de geestelijk veredelde teelt automatisch nogal wat degeneratieverschijnselen met zich meebracht, die niet bevorderlijk waren voor het instandhouden van de familie. Feit is ook dat nogal wat geniale kunstenaars en geleerden kinderloos bleven. Een opvallend aantal genieen huwde zelfs nooit: Isaac Newton, Georg-Friedrich Handel, Ludwig van Beethoven, Franz Schubert, Johannes Brahms, Michelangelo, Franz Kafka, Arthur Schopenhauer, Soren Kierkegaard, Friedrich Nietzsche.

Begaafde families spreken sterk tot de verbeelding. Wie in de Duitse genealogieen rondneust merkt algauw dat iedere familie met pretenties krampachtige pogingen in het werk stelt om een of ander, meestal eindeloos verweg, familieverband met het Duitse genie bij uitstek, Johann-Wolfgang von Goethe, aan te tonen. Alsof men daar zelf beter van wordt. Overigens wordt de begeerte tot verwantschap met begaafde personages uit de wereldgeschiedenis sterk bepaald door politieke en sociale factoren. Zo reageerde mijn schoonmoeder weinig gecoiffeerd en alsof ik de familiejuwelen had verkwanseld, toen ik haar ervan op de hoogte stelde dat ze een soort betachternichtje van de vrouw van Karl Marx was.

Ten aanzien van de oorzaken van uitzonderlijke creatieve of wetenschappelijke begaafdheid in bepaalde families heersen nog heel wat sprookjes. Omdat er nogal wat geslachten zijn waarvan meerdere leden met hun talenten voor het voetlicht zijn getreden, heeft de gedachte postgevat dat zulke begaafdheid erfelijk zou zijn.

De familie Bach geldt als het voorbeeld van erfelijke muzikaliteit. Wie de bekende stamboompjes in ogenschouw ziet, telt, afhankelijk van waar men de grens der begaafdheid trekt, binnen twee eeuwen tussen de vijfentwintig en vijftig muzikale talenten. Toch is het maar de vraag of we zonder dat ene uitzonderlijke genie van Johann Sebastian de familie wel zo zouden hebben opgemerkt. De zoons immers haalden het niveau van hun vader bij lange na niet en zouden zonder hem misschien zoiets hebben voorgesteld als de broertjes Benda (Franz, Joseph, Georg Johann), terwijl later Bachse nazaten al nauwelijks meer iets voorstelden. Voor de verklaring van zo'n snel verval van begaafdheid heeft men de verklaring gezocht in het verschijnsel der regressie: wanneer de begaafdheid der ouders boven of onder het gemiddelde ligt, dan is dit bij de kinderen ook het geval maar in mindere mate. Kinderen van zeer begaafde ouders bereiken hun niveau niet, terwijl kinderen van zwak begaafde ouders meestal beter gedisponeerd dan vader en moeder blijken.

Bij de Bachs valt trouwens makkelijk vast te stellen dat de begaafdheid niet alleen erfelijk maar vooral ook sociaal bepaald was. Men werd musicus omdat vader en ooms musici waren. Als Bach groeide men nu eenmaal op in een muzikaal nest, en dat bepaalde de beroepskeuze .

Ook in de familie Mozart is het verschijnsel der regressie duidelijk. Leopold Mozart was een verdienstelijk musicus maar vooral een goed impresario, die het geniale zoontje in zekere zin volstopte met muziek. Bij de zoons van Wolfgang Amadeus Mozart, Carl Thomas en Franz Xaver Wolfgang (die, door zijn moeder, op het eerste gezicht van enige muzikaliteit omineus werd omgedoopt tot Wolfgang Amadeus junior) was het talent al weer helemaal verwaterd.

Bij de familie Mendelssohn lag het weer anders. Grootvader Mozes behoorde tot de belangrijke denkers van de Verlichting, vader Abraham werd een steenrijk bankier (ook een vorm van begaafdheid, zou ik menen, zij het een met wat minder uitstraling - Abraham zei van zichzelf niet zonder ironie: 'Eerst was ik de zoon van mijn vader, nu ben ik de vader van mijn zoon'), maar de muzikaliteit van Felix Mendelssohn-Bartholdy en zijn zusje Fanny kwam overduidelijk van zijn moeders kant en zal bij voorbeeld ook flink gestimuleerd zijn door het maatschappelijk veelbetekenende feit dat Felix op jeugdige leeftijd al een huisorkestje voor z'n verjaardag kreeg.

De nature-nurture-discussie over de erfelijkheid van geestelijke eigenschappen is nog altijd niet afgesloten. En misschien vormt het bestaan van hele families met begaafde leden helemaal geen bewijs voor het een of het ander. Het blijven namelijk uitzonderingen op de regel dat genieen en hoogbegaafden meestal unieke verschijnselen zijn; men ziet het zelfs aan het verloop van de kunstenaarsfamilies Bach en Mozart. Vermoedelijk is wel de aanleg erfelijk, maar niet de verwezenlijking van het talent.

Toch blijft de erfelijkheidshypothese populair. In het ietwat enge boekje 'Super kids and their parents', waarin Robert Leland Johnson in brieven het geval van zijn superzoontje Anthony publiceerde ten gerieve van andere ouders met hyperbegaafd kroost, treft vooral de eerste pagina. Daar blijkt het werk namelijk te zijn opgedragen aan een handjevol voorouders van het ventje, om te beginnen aan een voorvader in de tiende graad, waarvan niet zonder trots vermeld wordt dat hij afstamt van Karel de Grote (zoals wij allen, trouwens), plus een betovergrootvader die familie zou zijn geweest van een van de eerste Amerikaanse presidenten. En zo verklaren wij thuis in familiekring het vooralsnog meer verhoopte dan geactualiseerde tekentalent van onze kinderen aan het bloed van Velasquez dat in sterk verdunde vorm hun door d'aad'ren vloeit.

De eerste die met de geliefde erfelijkheidshypothese op de proppen kwam had alle reden om trots te zijn op zijn eigen familie. Sir Francis Galton (1822- 1911) was een volle neef van Charles Darwin (wiens 'Origin of the Species' hem op de gedachte bracht de vererving van geestelijke eigenschappen te bestuderen), een ander nabij familielid was Josuah Wedgewood, grondlegger van de befaamde porseleinfabriek.

Zelf was Francis Galton ook niet mis. Lewis M. Terman, die de Stanford-Binet methode ontwikkelde om de intelligentie te meten, schatte het IQ van Galton als kind op 200, een schier onbestaanbare piek. Galton las toen hij tweeeneenhalf oud was en schreef correct Engels op z'n vierde. In zijn hoofdwerk, 'The hereditary genius' doet hij genealogisch onderzoek naar vele honderden prominente juristen en staatslieden uit de Engelse geschiedenis. In alle gevallen vond hij ook grote aantallen prominente en begaafde familieleden, die des te opvallender presteerden naarmate ze nader verwant waren.

Maar Galtons onderzoek lijdt ernstig onder de geest des tijds. Zo liet hij de vrouwelijke lijnen geheel buiten beschouwing; dat een zoon het talent van zijn moeder of grootmoeder kon hebben kwam niet bij hem op. En dat terwijl volgens huidige inzichten juist de moeders vaak een vooraanstaande rol spelen bij de ontwikkeling van begaafdheden. Zo leerde een recent onderzoek in California van hyperintelligente kinderen dat hun moeders grote overeenkomsten vertoonden. Het bleken in de regel zelfverzekerde, initiatiefrijke, competente, tolerante, flexibele en afstandelijke vrouwen, die daarnaast duidelijk minder sociaal dachten, zich minder verantwoordelijk voelden en ook minder gevoelig voor status waren dan de moeders van gemiddelde kinderen.

Opvallend is dat onder de begaafde families de muzikale en mathematische talenten overheersen. Het zijn kennelijk de bezigheden die wel intelligentie en inzicht vereisen maar geen levenswijsheid, die veelal in familiekring circuleren. Vooral het aantal muzikale geslachten valt op. Naast Bach de familie Couperin en de familie Strauss; in Nederland vele generaties Brandt Buys en Mengelberg, tegenwoordig de familie Andriessen.

De bekende sterrenkundigen Frederick William en John Frederick William Herschel, vader en zoon, stamden trouwens ook, niet helemaal toevallig ben je geneigd te denken, uit een muzikantenfamilie. De beroemdste familie van wiskundigen is ongetwijfeld het geslacht Bernouilli geweest, met acht belangrijke rekenaars.

Wie met sterke rekenaars en getallendeskundigen in de familie nu wat hoop koestert, doet er trouwens goed aan de aard van het talent eerst na te gaan. Zo circuleerde in mijn familie een neef die de gehele dienstregeling van de Veluwse Auto Dienst uit het hoofd kende maar voor het overige geen zinnig woord wist uit te brengen. De geschiedenis kent nogal wat voorbeelden van min of meer debiele rekenwonders, wier gevallen ons nu aan eenzijdig begaafde autisten (a la 'Rain Man') doen denken.

Zo noemt G. Revesz in zijn boek 'Talent en genie' een zekere Jedediah Buxton, die na afloop van een toneeluitvoering van een stuk van genie Shakespeare slechts het aantal uitgevoerde danspassen en uitgesproken woorden wist te melden. Een ander geval, Inaudi, was in staat antwoord te geven op vragen als: de som van drie getallen is 43 en de som van hun derde machten 17299, maar verder leverde hij geen enkele maatschappelijke bijdrage.

Bij de muzikale of wiskundig begaafde families steken de beeldend kunstenaars (de Breugheltjes, Jan en Hubertus van Eijck) en de letterkundigen wat schraal af. De gezusters Bronte, broers en kinderen Mann, en dichter bij huis de gebroeders Van het Reve behoren in die branche tot de bekende voorbeelden.

Persoonlijk heb ik de indruk dat bij mathematische en muzikale begaafdheid de hereditaire aanleg een grotere rol speelt dan bij andere begaafdheden. Er is vast en zeker een verband met de leeftijd waarop de diverse supertalenten optreden. Extreme muzikaliteit komt voor bij peuters die nauwelijks uit de luiers zijn, Mozart, Mendelssohn. Picturale talenten worden op z'n vroegst rond de puberteit evident (Lucas van Leijden, Albrecht Durer). Letterkundige begaafdheid komt op z'n vroegst voor aan het eind van de puberteit. Chatterton en Voltaire waren zeventien toen ze 'debuteerden', Rimbaud was achttien).

Opvallend is dat begaafdheid vaak in een generatie optreedt, om dan weer generaties lang te sluimeren of zelfs helemaal weg te raken. Een voorbeeld van een enkele generatie talenten vormt de schrijversfamilie Bronte. Charlotte, Emily en Anne, en in zekere zin ook hun broer Branwell, die schilder werd, toonden allemaal opvallende talenten. Maar hun vader was een zonder zijn dochters totaal onopvallend gebleven eenvoudige man die zich een beetje had opgewerkt.

Een ander geval van begaafdheid binnen een generatie vormt dat van de merkwaardige gebroeders Powys. Drie broers werden bekende schrijvers. John Cowper Powys (1872-1963), auteur van het obscure maar overweldigende 'A Glastonbury romance', geldt als een ondergewaardeerd genie in de Engelse letterkunde; zijn broers, Theodore Francis (1875-1953) en Llewelyn Powys (18841933) publiceerden romans die een tijdlang veel gelezen werden.

De familie Powys zelf was erg trots op haar regelrechte afstamming van de oude vorsten van Powys, maar aan deze zwaardzwaaiende lieden kon het literair talent niet worden toegeschreven. Meer aanleiding vonden biografen van het geslacht in de familieverwantschap met de dichters Cowper en Donne. Maar ook dat lijkt nauwelijks iets te verklaren. Cowper was zelf kinderloos en de bloedverwantschap loopt via een achterneef, dominee John Johnson, die qua temperament Cowpers exacte tegendeel was. En ook de verwantschap met de 'metaphysical poet' John Donne loopt via via, en wordt bovendien verzwakt door de enorme verwijdering in de tijd.

Een van de kritischer biografen van de Powys-broers, Kenneth Hopkins, formuleert het als volgt:

“Genie dat wordt overgebracht door het bloed is geen getij, dat komt en gaat en weer terugkeert; maar het is een rimpeling waarvan de grootste kracht in het centrum ligt en die steeds zwakker wordt naarmate ze zich uitbreidt. Het Donne-bloed bij deze Powyses was een bijna uitgeputte rimpeling: hun genie vertegenwoordigt vast en zeker een nieuwe en onafhankelijke rimpeling.”

Een geruststelling voor potentiele telers van begaafde families kan zijn dat men met grote geesten niet langer ook grote beesten in de familie haalt. De gedachte dat genialiteit een pathologisch verschijnsel is, is inmiddels achterhaald. Vooral Lombroso was er niet van af te brengen. Hij haalde zijn bewijslast zelfs uit zulke absurde voorbeelden als van de onderzoekers Gay-Lussac en Davy die beiden krankzinnig zouden zijn geweest omdat ze bij een van hun ontdekkingen op sloffen door de kamer hadden gedanst. Ook Mohammed zou zielsziek geweest zijn, omdat hij ergens gezegd heeft dat zijn haar verbleekte van sommige Koran-hoofdstukken. Met enig recht kan men Lombroso's ideeen over genialiteit en gekte dan ook krankzinnig noemen.

Tegelijk mogen kwekers en telers van genialiteit zich bezinnen op het ironische versje van Goethe dat deze ter gelegenheid van zijn eigen begaafdheid schreef:

Vom Vater hab'ich die Statur

Des Lebens ernstes Fuhren,

Von Mutterchen die Frohnatur

und Lust zu fabulieren.

Urahnherr was der Schonsten hold,

Das spukt so hin und wieder;

Urahnfrau liebte Schmuck und Gold,

Das zuckt wohl durch die Glieder.

Sind nun die Elemente nicht

Aus dem Komplex zu trennen,

Was ist denn an dem ganzen Wicht

Original zu nennen?

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden