U mag weer van adel zijn

Ileen Montijn in Tassenmuseum Hendrikje, een burgemeesterswoning uit 1664 aan de Amsterdamse Herengracht, in het verleden bewoond door een jonkvrouw. Beeld Maartje Geels

Adellijke Nederlanders komen weer voor hun afkomst uit. Ze zijn de schaamte voorbij. Maar volgens schrijfster Ileen Montijn, die de revival van de adel in haar jongste boek beschrijft, is het onzin om de adel een publiekrechtelijke status te geven. 'De Grondwet zegt niet voor niets dat iedereen voor de wet gelijk is.'

Nederland heeft na de Tweede Wereldoorlog hard zijn best gedaan om van de adel af te komen. Maar dat gaat niet lukken, meent historica Ileen Montijn (Den Haag, 1952), schrijfster van het boek 'Hoog geboren' over 250 jaar adel in Nederland.

De adel is terug in de openbaarheid. "De revival van de adel van de laatste jaren laat zien dat mensen een diepe behoefte hebben aan distinctie. Als iedereen hetzelfde is, wordt de wereld zo saai."

Adel zocht anonimiteit
Enkele decennia geleden zag het er heel anders uit. De adel voelde zich toen hogelijk ongewenst in de Nederlandse samenleving die in de ban was van modernisering, democratie en gelijkheid.

Kennelijk voelde de adel zelf feilloos aan dat standsverschil hopeloos ouderwets was en zocht de anonimiteit. Antropoloog Yme Kuiper noemde dat het 'grote wegkruipen'. Aangeboren onderscheid was vanaf de wederopbouw langzaam een taboe geworden.

"Mensen vertelden me dat ze er last van hadden", zegt Montijn. "Iemand die in een kantoortuin werkte, maakte ooit mee dat een collega op het bureau klom, iedereen tot stilte maande en luidkeels zei: 'Jongens, onze Alexander is... baron!'. Ik begrijp wel dat zij liever over hun afkomst hun mond hielden."

Evenzeer kenmerkend vindt zij het verhaal van Otto baron van Verschuer. Het bestuur van de CHU, van oudsher de politieke partij voor mensen met dubbele namen, moest in 1972 lange tijd vergaderen over de vraag of die het zich wel kon veroorloven om een baron als voorzitter te hebben. "Ze waren bang dat dit tegen ze zou werken."

Montijn, oud-journaliste en vooral columniste van NRC Handelsblad en schrijfster van historische werken, werd door haar uitgever gevraagd een overzicht te schrijven van het adellijke leven in ons land. Enige jaren terug had zij succes met het boek 'Leven op stand' over het huiselijke leven van de hogere kringen tussen 1890 en 1940.

Adel heeft volgens haar van nature iets biologerends, het is onmogelijk om het te negeren of er onverschillig tegenover te staan. "Ik ben erg geïnteresseerd in de vraag hoe mensen leven. Wat houdt het nou in om van adel te zijn? Wat maakt die mensen anders? Ik voelde me een antropoloog die een vreemde volksstam van een afstandje bekeek."

Neerkijken op gewone mensen
Wat haar boeit, is het feit dat in het verleden de verschillen tussen mensen aangeboren waren en dat dit zo moest blijven. "In de eerste helft van de vorige eeuw kreeg je te horen dat als je voor een dubbeltje geboren was, je niet moest proberen om een kwartje te worden, want dat was ongepast. Dat zei de bovenmeester van de dubbeltjes, maar dat zeiden ook de mensen aan de top van de samenleving.

"Zij keken neer op gewone mensen en vonden hun eigen groep exclusief. Dat de ene groep de andere mag betuttelen en bevoogden. Ik dacht tijdens het onderzoek wel eens bozig: wat verbeeldden zij zich eigenlijk wel?"

De stelling van adellijken is vaak dat het paternalistische ook een andere kant had. Zo zorgden zij voor hun personeel bijna net zo goed als voor hun kinderen. Montijn betwijfelt dat. "Er waren ongetwijfeld edellieden die goed voor hun personeel zorgden en hun een veilig bestaan boden. Maar vaak zijn dat ook zoet-idyllische beelden. Want zij leefden wel in harmonie, maar het bleven twee werelden. De bazen woonden in het grote huis en anderen zaten in schamele hutjes verderop.

"Over het algemeen leefde het personeel in erbarmelijke omstandigheden, en als zij niet meer nodig waren, vlogen ze eruit. In de jaren dertig werden de lonen van personeel verlaagd. Want ja, de aandelen waren minder waard geworden en als het inkomen terugloopt, moeten ook de lonen omlaag. Zij bedachten niet dat die mensen al aan de rand van hun bestaanszekerheid leefden."

Geen nauwkeurige omschrijving
Mensen van adel zijn deftig, zeker, maar wat kun je er meer over zeggen? "Het verschijnsel lijkt te verdampen zodra je het gaat omschrijven", zegt Montijn. Blauw bloed bestaat niet en een adelsgen evenmin. "Wat die mensen bijzonder maakt, is dat zij weten waar zij vandaan komen. In de duistere Middeleeuwen vormde de adel de top van de samenleving. Het waren machtige rijken die een kasteel, grond en paarden hadden en die over personeel beschikten om de grond te bewerken.

"Verder was het niet zo nauwkeurig omschreven. Wat er gebeurde, is dat zij hun familie gingen boekstaven. Zij wisten wie er met wie getrouwd waren geweest en welke kinderen daaruit waren voortgekomen. Gewone mensen wisten dat niet, die kennis hield na een of twee generaties op."

"De adel hield zijn 'stamboom' bij en dat was weliswaar alleen volgens de mannelijke lijn en we weten dat dat slechts een klein deel van de werkelijkheid is, maar ze wisten wel waar ze vandaan kwamen. Dat gaf die groep zelfvertrouwen en een gevoel van continuïteit. Dat gaf aan dat je er mocht zijn.

"Vaak hoor je tegenwoordig van kinderen van donoren van zaadcellen, die alles op alles zetten om te weten te komen wie hun vader is. Zij zoeken naar hun wortels en vragen zich af waar ze vandaan komen. Iets in de mens verlangt daarnaar. De adel heeft dat voor elkaar. Dan heb je een stapje voor op anderen."

Objectieve kenmerken en perceptie
Volgens Montijn zit de geheimzinnigheid van adeldom in het schemergebied tussen objectieve kenmerken en perceptie. Wie gelooft dat een edelman een nobel karakter heeft, zal daar in de praktijk bevestiging voor vinden. Floor barones Van Dedem vatte dit effect bondig samen: "Als ik parels van de drogist draag denkt iedereen dat het echte zijn. Als de buurvrouw die draagt, denkt iedereen dat ze nep zijn."

Adel is vooral representatie, zegt Montijn, iets van een voorstelling. "Die bestaat bij de gratie van iemand die het wil spelen, en dat er een publiek is dat dat ziet. Het heeft iets theatraals en dat heeft het altijd gehad. Je kunt niet ergens stilletjes in een kamerjas van adel gaan zitten zijn. Je moet je presenteren als adel, anders zegt het niets. Dat gold zeker vroeger.

"Nu hebben we het romantische beeld van de verarmde jonker die koste wat het kost op zijn kasteel blijft wonen en daar op een houtje bijt, omdat hij al zijn geld kwijt is aan het onderhoud van zijn landgoed. Maar je ziet toch aan hem dat hij een edelman is. Hij draagt een ernstig versleten, maar toch zeer duur pak. Het is theater en dat maakt het aantrekkelijk. Mensen houden daarvan."

'Aristocraat' was een scheldwoord
De adel leek na de Franse revolutie een moeilijke tijd tegemoet te gaan. 'Aristocraat' was een scheldwoord; de patriotten voerden stevig actie tegen de stadhouder en zijn adellijke trawanten. Heel Europa raakte overspoeld met een golf van kritiek op de adel en het standsverschil.

Maar die emoties luwden snel en na de inhuldiging van Willem I als soeverein vorst in 1813 beleefde de adel in ons land een grotere bloei dan ooit.

Het bleek dat met die opgewonden staat van gelijkheid praktisch niet te leven viel. De verschillen tussen de mensen waren toen nog te groot. De adel was door de patriotten theoretisch afgezet, maar het bleven dezelfde mensen die het land moesten besturen. Zij mochten geen familiewapens meer hebben, maar iedereen wist wie van adel was.

Ook Nederland, waar het lang niet zo fel aan toe was gegaan als in Frankrijk, had behoefte aan herstel van de traditionele orde.

Nieuwe adel
De nieuwe vorst had nieuwe adel nodig en behalve dat hij de oude adel in ere herstelde, bood hij de mogelijkheid aan vermogende families om in de adelstand verheven te worden. "Daar was niet iedereen van de oude adel blij mee", zegt Montijn.

"Stilletjes werd er gemord. Moesten ze naar Willem I voor een papiertje. Ze vonden hun familie veel ouder dan die van de koning. Bovendien voelde men zich toch verheven boven die nieuwe adel, zoals tegenwoordig 'oud geld' neerkijkt op de nieuwe rijken.

"Maar ach, binnen de adel bestaan nu eenmaal verschillen in status, rijkdom en levenswijze. Een graaf gaat 'boven' een baron en die weer boven een jonkheer. Ik vroeg eens aan een graaf of hij familie was van een naamgenoot en met een zweem van verontwaardiging antwoordde hij: 'Nee, die is barón!'."

'Rode boekje'
Toch ontstond er een redelijk homogene adel, zeker na het uitkomen in 1903 van het zogeheten 'rode boekje' (officieel 'Nederland's Adelsboek'), waarin de stambomen van alle families staan vermeld. Op het eerste gezicht staan de adellijken broederlijk naast elkaar. "Wel staat precies vermeld sinds wanneer de familie van adel is. Dat blijft van belang en dat moet gezegd blijven."

Na een aanvankelijke spectaculaire toename van het aantal adellijke families werd er langzaam steeds harder op de rem getrapt. Er mochten er ook niet te veel komen van de door de Willem I ingestelde Hoge Raad van Adel die werd bestierd door hoogadellijke leden. Zo werd de aanvraag van de schatrijke Maastrichtse aardewerkfabrikant Petrus Regout beslist afgewezen.

"Uit de notulen van de raad bleek dat men zijn gedrag ronduit afkeurde. Ze vonden hem ijdel, praalziek en eigenlijk een vreselijke parvenu. Voor de adel, kortom, totaal ongeschikt."

Het aparte is volgens Montijn dat uitgerekend het burgerlijke en egalitaire Nederland veel zuiniger omging met het aanwijzen van nieuwe adel dan omringende landen. Voor de Nederlandse adel is heel toepasselijk de regel: men is het of men is het niet.

De definitieve bevestiging van dit beleid ziet Montijn in de wetgeving van 1994 waarvan de essentie is dat adel wordt beschouwd als een 'historisch instituut'. Het werd niet afgeschaft, maar nieuwe adel werd zo onmogelijk gemaakt.

Vorm van hobbyisme
Montijn zelf is tegenstander van het huidige systeem waarbij de wetgever zich bemoeit met de adel. Haar voorkeur gaat uit naar het systeem van Duitsland waar de adel een particuliere aangelegenheid is en wordt gezien als een vorm van hobbyisme.

"Ik vind het onzin om de adel een publiekrechtelijke status te geven. De Grondwet zegt niet voor niets dat iedereen voor de wet gelijk is. Handel daar dan ook naar. Ik vind het merkwaardig dat de overerving van adel nog steeds uitsluitend langs de mannelijke lijn verloopt en niet ook via de vrouwelijke. Er was een meerderheid in de Tweede Kamer voor dit laatste, maar de Hoge Raad van Adel was tegen. Die kreeg zijn zin."

Toen de Tweede Kamer de wet over de adel in 1994 aannam, ging men er ook een beetje van uit dat door geen nieuwe adel toe te laten het verschijnsel een langzame dood zou sterven. Maar dat komt niet uit. Kort voor de Tweede Wereldoorlog ging het om zevenduizend personen, maar de Hoge Raad van Adel schat het aantal nu op ruim tienduizend en misschien zijn het er ook wel elfduizend.

De schaamte voorbij
Heel voorzichtig komen mensen er weer voor uit om van adel te zijn. Ze zijn de schaamte voorbij. Het ledental van de Nederlandse Adelsvereniging bereikte in 1971 een dieptepunt met 404, maar dat is nu drie keer zoveel.

"Voor de ouderen is het een beetje wennen, maar adellijke jongeren kregen belangstelling voor hun roots. Zij gingen elkaars gezelschap zoeken."

Er is nu een Vereniging voor Jongeren van Adel in Nederland. Montijn wijst ook op de bloei van ridderlijke orden zoals de protestantse Johanniter Orde en de katholieke Maltezer Orde. Na een sluimerend bestaan ontwaken zij weer als verenigingen.

Interesse in etiquette
Daarbij komt dat ook de media de adel weer als een aantrekkelijk onderwerp hebben ontdekt. Tv-programma's als 'Blauw bloed' en 'Hoe heurt het eigenlijk?' zijn zeer goed bekeken. Nederlanders interesseren zich weer voor etiquette, dragen jagersjassen, bezoeken country fairs en lezen bladen over het landleven.

"De echte macht van de adel is geheel verdampt en daarmee is de adel volgens Montijn niet meer zo controversieel. Nu de welvaart eerlijker is verdeeld en de hoogmoed is verdwenen is er ruimte gekomen voor een 'nieuw aura van respectabiliteit'.

"Men prijst de oude elite aan als voorbeeld voor allen. Iemand zei dat de aristocratische gewoonte om bomen te planten voor kleinkinderen en landgoederen aan te leggen voor komende generaties een verademing is in een wereld van managers en aandeelhouders, waar niet verder wordt gekeken dan de kwartaalcijfers.

"En ja, het leven van aristocraten blijft boeien. Het staat voor mij vast dat de adel geen bedreigde soort is."

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden