Twijfel over inzicht in georganiseerde criminaliteit

Van een onzer verslaggevers ARNHEM - Ruim een half jaar na het verschijnen van het rapport van de commissie-Van Traa komt uit wetenschappelijke hoek de eerste stevige kritiek. In het Tijdschrift voor criminologie wordt het onderzoek van vier hoogleraren naar de georganiseerde criminaliteit in Nederland gekarakteriseerd als 'de beste verhalenbundel van deze eeuw, maar niet het beste onderzoek'.

Het tijdschrift is geheel gewijd aan het rapport van de vier hoogleraren criminologie (Fijnaut, Van de Bunt, Bovenkerk en Bruinsma). De vier hebben in opdracht van de parlementaire enquêtecommissie geprobeerd een beeld te schetsen van aard en omvang van de georganiseerde criminaliteit.

In het criminologisch tijdschrift wordt breeduit bewondering en respect uitgesproken voor het onderzoek, dat uiteindelijk in amper zeven maanden klaar moest zijn. “Het is geen proefschrift waaraan jaren is gewerkt, de rapporten zijn ook niet geschreven vanuit een strikt academisch standpunt. Toch moeten de algemene wetenschappelijke criteria een belangrijke rol spelen bij de beoordeling van een wetenschappelijk werk”, aldus de redactie van het blad. En juist op dat punt zien de beroepsgenoten tekortkomingen in het rapport van de onderzoeksgroep-Fijnaut.

Het rapport geeft volgens de criminologen H. Elffers en D. Hessing een schat aan informatie over de georganiseerde criminaliteit in Nederland. Maar: “We moeten deze informatie vooral zien als een rijke bron van gedocumenteerde gevallen. Het zicht op de omvang van het probleem en daardoor op de aard en ernst is onvolkomen.” Elffers en Hessing betreuren het dat het onmogelijk is voor anderen de conclusies van de onderzoeksgroep op waarde te schatten, omdat de achterliggende gegevens vooral uit processen-verbaal, politieregisters en -analyses komen, die niet vrij toegankelijk zijn.

De twee vragen zich ook af of Fijnaut c.s. er in geslaagd zijn voldoende zicht te bieden op aard en ernst van de georganiseerde criminaliteit. “Die pretentie hebben de onderzoekers wel. Wij twijfelen daar sterk aan.” Elffers en Hessing schattten dat de groep-Fijnaut in het eindrapport slechts 40 procent van de gevallen van georganiseerde criminaliteit beschrijven. Zij vinden dat te weinig om conclusies aan te verbinden.

De criminoloog W. de Haan vraagt zich na lezing van het eindrapport af of wetenschappelijk gesproken de prijs niet te hoog is geweest. Hij wijst er op dat de probleemstelling door de enquêtecommissie van meet af aan niet als een wetenschappelijke vraag, maar als een beleidsvraag is geformuleerd. “De onderzoekers stonden daardoor voor een dilemma: aan de opdracht beantwoorden, maar wetenschappelijk concessies doen of een wetenschappelijk doel nastreven maar geen antwoord hebben op de vragen die de opdrachtgever stelt.”

De Haan stelt vast dat de groep-Fijnaut die keuze uit de weg is gegaan en besloot beide te doen. “Politiek vertaald levert dat een tweeslachtige boodschap op. De boodschap luidt dat de situatie enerzijds niet zo erg is als vaak wordt gedacht, maar anderzijds toch ook zorgwekkend is.” Hij concludeert dat de groep-Fijnaut een opdracht heeft aanvaard die eigenlijk bij voorbaat onuitvoerbaar was. De Haan vindt dat de basis waarop de conclusies rusten, “niet altijd even stevig is” en de manier waarop de gegevens in het rapport zijn verwerkt noemt hij “nogal wisselend van kwaliteit”.

Desondanks vindt hij dat het onderzoek wel enige meerwaarde heeft opgeleverd. “Dankzij dit onderzoek weten we vooral wat de politie weet over georganiseerde criminaliteit, of beter, wat zij had kunnen weten indien ze haar informatie meer systematisch had verzameld en grondiger had geanalyseerd. Alles overziende is de meerwaarde nu paradoxaal genoeg vooral dat we nu meer dan voorheen weten wat we niet weten.”

Fijnaut, Van de Bunt, Bovenkerk en Bruinsma leveren zelf in het Tijdschrift voor criminologie ook een bijdrage aan de discussie. Zij schrijven dat ze zich van meet af aan van bewust waren dat het onmogelijk zou zijn de omvang van de georganiseerde criminaliteit verantwoord te bepalen. Omdat ze zich in hoofdzaak hebben gebaseerd op politiebronnen, is er bij het onderzoek sprake geweest van “blinde vlekken”.

“In de eerste plaats dient te worden gewezen op het ontbreken van kennis omtrent bepaalde criminele groepen, zoals de moeilijk toegankelijke Chinese bendes. In de tweede plaats zijn er grote lacunes in kennis over de opbrengsten van de criminaliteit en de besteding van misdaadgeld in de legale economie.”

De professoren geven ronduit toe dat hun onderzoek tekort schiet op het punt van het vaststellen van de omvang van de georganiseerde criminaliteit. Ze vragen zich tegelijk af of dit te vermijden zou zijn geweest, als ze meer tijd hadden gehad voor het onderzoek. Er zouden dan meer branches, meer dossiers, meer steden zijn onderzocht. “Maar desondanks zou het moeilijk blijven gefundeerde, realistische uitspraken te doen over bijvoorbeeld het aantal actieve criminele groepen, de omvang van de schade, de aantallen criminele liquidaties of de hoeveelheid investeringen in legale branches.”

De vier vinden dat hun onderzoek wel voldoende houvast biedt om de ernst van de problematiek van de georganiseerde misdaad in Nederland beter te kunnen beoordelen. “De belangrijkste waarde die het onderzoek voor de enquêtecommissie heeft gehad en hopelijk ook voor anderen zal hebben, is dat het de onduidelijkheid en onzekerheid over de georganiseerde criminaliteit heeft gereduceerd.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden