Opinie

Twijfel aan de twijfel

Verbeten aan recht en orde vasthouden, aan science of godsgeloof, wil agnost Anton Zijderveld niet. Maar zich verliezen in relativisme al evenmin. Hij vindt de uitweg in de twijfel. „Dat is moeilijker dan geloven.”

Prachtig én logisch krakkemikkig beschrijft de Vlaamse dichter Paul van Ostaijen de geestesgesteldheid van de agnost: „De menselijke functie schijnt van eerstaf als twijfel aan de twijfel te zijn gedetermineerd.”

De agnost twijfelt aan het meest absolute – God of het goddelijke – maar begint wanneer hij met een gelovige of een atheïst discussieert, onherroepelijk te twijfelen aan zijn eigen twijfel.

Robert Musil verwoordde deze geestesgesteldheid misschien nog wel fraaier dan Van Ostaijen: „God maakt de wereld en denkt erbij dat het net zo goed anders zou kunnen zijn.” God, de ultieme waarheid en zekerheid, twijfelt terwijl hij de wereld aan het creëren is. Beslist niet het optimum van creative design.

Dit ’mogelijkheidsdenken’ achtte Musil hoger dan het ’werkelijkheidsdenken’. Wat zou kunnen zijn, of wat had kunnen wezen, is volgens hem interessanter dan wat is, of werkelijk is geweest. In de wereld van de kunst is dat evident, maar in de wereld van de wetenschap een ketterij. Het empirisch-wetenschappelijke werkelijkheidsdenken koloniseert ons denken en handelen, schermt het af tegen het mogelijke dat niet is of was, maar wellicht wel zou kunnen zijn, of geweest had kunnen zijn. Toch kan het mogelijke zich ineens aan het werkelijke opdringen, of beter: er in binnendringen en het van zijn verheven voetstuk stoten. Dat heet in het wetenschappelijke onderzoek serendipity. Je bent bezig iets volgens de methodologische canon te onderzoeken en dan ontdek je ineens iets waar je helemaal niet op uit was, iets dat afwijkt en een geheel nieuwe opening voor het onderzoek biedt. Voor Max Weber was dit wezenlijk: politieke en maatschappelijke verschijnselen definieerde hij steeds met de formule ’de kans dat’. Macht is de kans die een persoon of een instantie heeft de eigen wil door te zetten, zonodig tegen de wil van anderen in. Wordt die kans werkelijkheid dan blijft deze onderhevig aan de twijfel. Immers, mensen kunnen op zeker moment weigeren de wil van de machthebber te volgen.

Onder politici is er weinig ruimte voor twijfel. Ze baseren zich op wetenschappelijke uitkomsten van de – vooral economische – planbureaus. Meten is weten, waarbij doorgaans vergeten wordt dat je eerst moet weten wat je hoe en waarom gaat meten. Politici uiten zelden hun twijfels. Ze stralen met oneliners en opmerkingen als ’onderzoek heeft aangetoond dat’ zekerheid uit. Politici raakten door de financiële crisis niet bevangen door twijfel aan hun economisch inzicht, maar door verbazing en verbijstering

Ook buiten wetenschap en politiek is dit actueel. Alleen orthodoxe calvinisten en moslims die in predestinatie geloven en zij die menen dat ons leven door de stand van de sterren bij onze geboorte is voorbestemd, zijn blind voor de mogelijkheid dat alles net zo goed anders had kunnen zijn.

Dat is een wat benauwde en benauwende tunnelvisie die evident misleidend is. Stel, één van mijn ouders had tijdens het liefdesspel waarin ik verwekt ben een niet tegen te houden niesaanval gekregen – wat toch alleszins tot de mogelijkheden behoort: dan was ik hier niet. Roald Dahl vertelt in één van zijn bizarre verhalen dat er eind negentiende eeuw in een Oostenrijks grensstadje een baby bijna stierf omdat hij nauwelijks levensvatbaar was. De ouders waren zielsgelukkig dat het ventje overleefde en opgroeide als... Adolf Hitler. Weegt de werkelijkheid van zijn leven echt op tegen de mogelijkheid van zijn wiegendood?

Twijfel is er in soorten. Gelovigen benadrukken dat geloof geen zeker weten is, dat het omzoomd wordt door twijfel. Geloofswaarheden kunnen niet wetenschappelijk bewezen worden, alleen gelovend aanvaard. Op dit punt komen religieuze fundamentalisten en natuurwetenschappelijk argumenterende atheïsten met elkaar in conflict. Volgens een christen-fundamentalist schiep God de wereld in zes dagen, bestond de ark van Noach tijdens de zondvloed echt en was het graf van Jezus van Nazareth twee dagen na zijn kruisdood heus leeg. Dat vindt de atheïst baarlijke onzin. De wereld is volgens de theorie van Darwin in een tergend langzame evolutie ontstaan, die ark was een fabeltje en dat lege graf een leugen van Jezus’ aanhangers. Beide posities kennen geen twijfel.

Er is een derde mogelijkheid: hermeneutiek. Die stelt dat het bij de drie voorbeelden die ik gaf niet om feiten gaat, maar om mythen, verhalen met een boodschap. Genesis 1 gaat niet ’echt’ over het ontstaan van de wereld, maar verdedigt het monotheïsme tegenover het polytheïsme van Israëls omringende volkeren: Jahwe maakt de wereld en geeft die als seculier domein aan de mensen die er verantwoordelijk voor zijn. Alleen deze Jahwe is heilig, de wereld – de natuur maar ook de menselijke instituties, zoals koningen en profeten – zijn seculier.

Dit is natuurlijk geen zeker weten en al helemaal geen natuurwetenschappelijk waar weten. Het blijft geloof omzoomd door twijfel.

Bij de agnost is het anders. Als het geloof van de gelovige omzoomd is door twijfel, is bij de agnost – die wil weten maar wat geloof betreft niet kan weten – de twijfel omzoomd door geloof. Om met Van Ostaijen te spreken, zijn bestaan is gedetermineerd door de twijfel aan de twijfel. De agnost zal daarom allergisch zijn voor de vele religieuze -ismen: van calvinisme tot boeddhisme, met de nodige fundamentalismen. En voor wetenschappelijke -ismen – atheïsme en sciëntisme – en politieke: marxisme, communisme, fascisme, anarchisme, populisme. Ze bieden waarheden en zekerheden aan en trachten iedere twijfel uit te bannen. In de -ismen wonen en werken ’ware gelovigen’: fanatiek bestrijden ze hun vijanden, de andersdenkenden en -levenden.

Ware gelovigen zijn altijd op zoek naar feiten die hun geloof staven. Karl Popper zegt terecht dat dit niet moeilijk is omdat je altijd wel enkele van zulke feiten vindt. Feiten die dat niet doen, worden dan verstopt of hardnekkig ontkend. De wetenschappelijke benadering is juist omgekeerd. Onderzoek wordt gepubliceerd met de uitdrukkelijke vraag aan te tonen waar er in de methoden en de uitkomsten fouten zitten. Tot uiteindelijke waarheid zal dat niet leiden, hooguit tot een waarschijnlijkheid die steeds open blijft staan voor de mogelijkheid dat de werkelijkheid toch anders is – voor twijfel dus.

Ook in de politiek is twijfel essentieel, althans binnen een democratische rechtsstaat. In een dictatuur is er één partij en één leider die de waarheid in pacht heeft en deze doorgaans met geweld bewaakt. Dissidenten als Sacharov, Amalrik en Havel werden door de communistische regimes vervolgd en langdurig gevangen gezet. Onder Hitler en Stalin werden ze doorgaans vermoord. In een democratie spelen minstens twee partijen een rol en staat tegenover een regering een parlementaire oppositie die de regering voortdurend kritisch bejegent en daarmee haar doen en laten aan permanente twijfel onderwerpt. Er zijn procedures een regering weg te sturen: motie van wantrouwen of, zoals in de VS, de impeachment, het wegsturen van de president. Zo begeleidt een structurele twijfel de zittende macht.

Twijfel neemt een positie in tussen de fundamentalisten en hen die vinden dat er geen eenduidige waarheid is, de relativisten. De eerste groep kan godsdienstig zijn, maar ook fanatiek atheïstisch. Doorgaans is de tweede groep sciëntistisch, waarbij wetenschap (vooral science, natuurwetenschap) een antireligieus geloof vertegenwoordigt. Niet geloof en godsdienst, maar onderzoek en wetenschap bieden ons waarheid en zekerheid. De meeste atheïsten onderscheiden zich van de agnosten die permanent twijfelen, zelfs aan eigen twijfel.

Hoe voorkomen we dat dit twijfelen uitmondt in relativisme dat als een -isme weer tegengesteld is aan de twijfel? Wat zijn de grenzen aan de twijfel? En hoe kunnen we overtuigingen koesteren zonder fanatiek te worden?

De agnost houdt niet verbeten vast aan law and order, maar verliest zich ook niet in het postmodernistische anything goes. Hij ziet wel dat er aan sommige zaken niet getwijfeld mag worden. Zo verwerpt hij verkrachting, marteling, racisme, vreemdelingen- en homohaat, moord en de door de staat uitgeoefende doodstraf. Maar op welke morele grond wijst hij twijfel daaraan af?

God, de Natuur of andere metafysische krachten is iets voor ware gelovigen, milieufanatici, natuuraanbidders of neospirituelen. Ik zie het morele fundament liggen in de oud-joodse en christelijke Gouden Regel: ’wat u niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet.’ Deze regel oefent, in uiteenlopende bewoordingen, in veel godsdiensten zijn matigende invloed uit.

George Herbert Mead analyseerde onze dagelijkse interacties in termen van ’je verplaatsen in de rol en houding van de ander’. Alleen zo kunnen we zinvol en betekenisvol met elkaar omgaan en morele compassie voor de ander opbrengen. We identificeren ons met de gemartelden in de kelders van het totalitaire regime en beseffen dat de rechtsstaat ons daarvoor behoedt. Door deze empathie, die meer is dan een sentimenteel medelijden, twijfelen we niet aan het moreel verwerpelijke van het martelen en is het gevaarlijk aan het belang van een democratische rechtsstaat te twijfelen.

Het zijn eenvoudige overwegingen maar omringd door fundamentalistische dan wel relativistische ware gelovigen moeten we elkaar er voortdurend aan herinneren. Twijfelen is moeilijker dan fanatiek geloven, maar het is van levensbelang voor een menswaardig bestaan.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden