Tweede Wereldoorlog / Laatste poging geroofde kunst terug te geven

In de Hollandsche Schouwburg worden kunstwerken tentoongesteld die in de Tweede Wereldoorlog door de nazi’s werden geroofd. De eigenaren zijn nog altijd niet opgespoord. Met de expositie doet de overheid een laatste poging hen te vinden.

De tentoonstelling is nog maar een week open, maar er hebben zich al zes mensen gemeld die menen te weten wie de eigenaar was van één van de kunstwerken of die een kunstwerk hebben herkend als familiebezit.

„Dat is meer dan we hadden durven hopen”, zegt Claire van den Donk, medewerker van het bureau. Daarmee is niet gezegd dat het rechtmatige claims zijn. Pas na een grondig onderzoek valt daarover een besluit.

Bij één geval was er meteen twijfel, vertelt Van den Donk. Volgens de persoon in kwestie hing het schilderij bij zijn grootvader aan de muur. Maar het is de vraag of dat het originele doek was, omdat het werk van deze schilder vele malen is gekopieerd. Namen noemt Van den Donk niet, vanwege de privacy. Ook wil ze niet zeggen om welk schilderij het gaat.

Wereldwijd heeft het bureau onder leiding van Rudi Ekkart de afgelopen acht jaar gezocht naar de herkomst van 4700 kunstvoorwerpen. Bijna 500 kunstobjecten zijn inmiddels terug bij de eigenaar of diens erfgenamen. Daaronder vallen ook de 202 stukken uit de collectie van de joodse kunsthandelaar Jacques Goudstikker, die de regering begin dit jaar besloot terug te geven aan diens schoondochter Marei von Saher. De overdracht is vorige maand formeel vastgelegd in een contract. Of alle schilderijen daadwerkelijk naar Amerika gaan, waar Von Saher woont, is onzeker. Von Saher denkt volgens haar advocaat nog na over wat ze met de collectie wil doen.

De expositie is niet alleen een laatste poging om de eigenaren te achterhalen van kunst die in de oorlog werd geroofd dan wel gedwongen werd verkocht. Met deze presentatie sluit het Bureau Herkomst Gezocht ook zijn werkzaamheden af.

Tot april 2007 kunnen nog claims worden ingediend. De kunstvoorwerpen waarvoor zich dan nog geen eigenaar heeft gemeld, blijven in het beheer van het Instituut Collectie Nederland in de zogeheten Nederlands Kunstbezitcollectie. Een deel valt overigens niet in de categorie roofkunst, maar betreft stukken die de Duitsers hebben gekocht van Nederlandse particulieren of kunsthandelaren.

Als één ding duidelijk wordt op deze bescheiden tentoonstelling is het wel dat de medewerkers van het bureau monnikenwerk hebben verricht. Er zijn talloze veilingcatalogi, archieven en persoonsregisters nageplozen, in binnen- en buitenland. Bij de opening zei Rudi Ekkart dat het onderzoek meer resultaten heeft opgeleverd dan acht jaar geleden werd verwacht. Een score van 500 op in totaal 4700 mag voor de buitenwacht misschien niet overtuigend lijken. Maar de expositie leert dat het een klein wonder is dat zo veel eigenaren zijn teruggevonden. Veel erfgenamen die konden worden getraceerd, wisten vaak niet eens af van het bestaan van de kunstwerken. Van andere families heeft niemand de oorlog overleefd. Wat het onderzoek ook bemoeilijkt heeft, is dat het zoveel jaren na de oorlog kwam.

De oprichting van het bureau was het gevolg van de beroering die in de jaren negentig bij het Nederlandse publiek ontstond, toen bleek dat veel roofkunst nog altijd niet terug was bij de rechtmatige eigenaren. Na de oorlog was de Stichting Nederlands Kunstbezit opgericht om de teruggave te organiseren. Erg soepel verliep dat niet en daarom werden begin jaren ’50 kijkdagen georganiseerd waar belanghebbenden konden zoeken naar geroofde schilderijen, tekeningen, sculpturen, keramiek, tapijten en meubels. Maar lang niet alle claims werden gehonoreerd, doordat de overheid zich niet bepaald hulpvaardig en coulant opstelde.

Zo kregen mensen nul op het rekest als ze hun spullen in de oorlog vrijwillig hadden verkocht. Maar wat heet vrijwillig als je het geld hard nodig had om als onderduiker te kunnen overleven? Of onder zware druk werd gezet door kunsthandelaren die een slaatje probeerden te slaan uit de benarde positie van joden? De overgebleven kunstwerken werden overgedragen aan het rijk en in bruikleen gegeven aan musea, de rest werd geveild.

Daarna werd het stil rond de roofkunst. Pas in 1997 ontstond er, naar aanleiding van een discussie over joods goud in Zwitserse banken, beroering over de Nederlandse roofkunst. Dat leidde tot de oprichting van de commissie-Ekkart, die met een vernietigend oordeel kwam over de wijze waarop na de oorlog de Stichting Nederlands Kunstbezit de claims had afgehandeld. „Formalistisch, bureaucratisch, kil en veelal zelfs harteloos”, zo typeerde de commissie het beleid.

Een jaar later ging het Bureau Herkomst Gezocht aan het werk om met alle beschikbare bronnen de herkomstgeschiedenis van de 4700 voorwerpen stuk voor stuk te reconstrueren. Dat werk duurde tot 2004, de afgelopen twee jaar zijn besteed aan het verder uitdiepen van de resultaten.

Op advies van de commissie-Ekkart werden de regels voor restitutie aanzienlijk versoepeld. Van de 40 claims is nu ruim de helft afgewikkeld en in bijna alle gevallen leidde dat tot teruggave. Elke maand komen er nog nieuwe claims bij. Maar eens houdt het op, klinkt ook een beetje door in deze tentoonstelling. Tot 4 april 2007 kunnen belanghebbenden nog een claim indienen. Daarna gaat het ’loket’ weliswaar niet dicht, want de lopende claims worden nog afgewikkeld, maar van een actief opsporingsbeleid zal ruim zestig jaar na de oorlog geen sprake meer zijn.

’Geroofd, maar van wie?’ Tot 25 februari in de Hollandsche Schouwburg, Plantage Middenlaan 24, Amsterdam, open dagelijks 10-16 uur, gratis toegang. Voor meer info: www.geroofdmaarvanwie.nl of www.herkomstgezocht.nl .

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden