Tweede keus voor Afrikaanse slaven

In Libië wonen drie tot vijf miljoen gastarbeiders. De meesten komen uit Afrikaanse landen ten zuiden van de Sahara. De gastarbeiders zijn niet echt welkom. 'Afrikanen brengen enge ziektes naar Libië.' Een reportage.

Gerbert van der Aa

In een fotozaak in Sebha, een woestijnstadje in het zuidwesten van Libië, laat Joseph Osam (23) een foto van zichzelf maken. Joseph komt uit Ghana, maar woont en werkt in Libië. Hij trekt zijn broek met laaghangend kruis nog wat meer naar beneden en zet zijn baseballpetje recht. ,,Ik wil er Amerikaans uitzien'', zegt hij. ,,Naar het voorbeeld van de zwarte rappers. Zij zijn mijn broeders.''

Joseph kwam een jaar geleden en werkt nu als electricien in Sebha. Drie weken reisde hij op een vrachtauto door de woestijn. De foto is bestemd voor zijn vriendin in Ghana. ,,Ik wil haar laten zien dat het goed met me gaat'', zegt Joseph. Stoer kijkt hij in de camera.

Libië is tweede keus. Joseph had naar Europa gewild. ,,Ik heb enkele keren geprobeerd een visum te krijgen voor een Europees land'', zegt hij. ,,Maar de aanvraag werd telkens afgewezen.'' Daarom werd het Libië. ,,Het is een stuk welvarender dan Ghana. En als Ghanees heb je geen visum nodig om Libië binnen te mogen.''

Libië is een immigratieland. Naast de autochtone bevolking van vijf miljoen mensen wonen er naar schatting drie tot vijf miljoen gastarbeiders. De meesten komen uit landen ten zuiden van de Sahara, met name Soedan, Nigeria en Ghana. Maar de meeste koks komen uit Marokko. De Marokkaanse keuken staat hoog aangeschreven in Libië. En leraren komen vaak uit Irak of Egypte.

De aantrekkingskracht van de voormalige Italiaanse kolonie die in 1952 onafhankelijk werd heeft te maken met de welvaart. Libië is na Nigeria de belangrijkste olieproducent op het Afrikaanse continent. De hele bevolking profiteert daarvan. Het gemiddeld jaarinkomen is 10 000 gulden. Daarmee zijn de Libiërs veruit de rijkste inwoners van Afrika. Alle staatsburgers krijgen daarnaast van de overheid een gratis woning. Zelfs het kleinste gehucht in de woestijn beschikt over elektriciteit. Benzine kost een dubbeltje per liter.

De gastarbeiders mogen de smerige en zware karweitjes opknappen. De Afrikanen werken onder meer in de landbouw. In de vele oases zie je zwarte jongens met gieters de planten besproeien. Of ze werken als schoonmaker of in de bouw om zware spullen te sjouwen.

De toestroom van Afrikaanse gastarbeiders is al jaren groter dan de vraag. In Sebha, dat bestaat uit zeven naast elkaar gelegen oases, staan elke ochtend groepjes Afrikanen op werk te wachten. Ze hebben een verfkwast, een gloeilamp, of een hamer uitgestald om te tonen welk beroep ze uitoefenen. Vaak staan ze dagenlang doelloos voor zich uit te staren. Af en toe komt een busje langs om een paar jongens in te laden.

,,Het valt niet mee om werk te vinden'', zegt Ali Mohammed (22) uit Niger. Ali draagt een leren jack en heeft een gaatje in zijn oor. Hij werkt meestal in de bouw. ,,Kuilen graven en zo.'' Hij had veel geld willen verdienen in Libië, maar hij werkt vaker niet dan wel. En als hij werk heeft, verdient hij hooguit tien dinar (zes gulden) per dag. ,,Net genoeg om van te leven.''

Ali blijft positief. ,,Geld verdienen is niet de enige reden dat ik in Libië ben. Het heeft ook te maken met zucht naar avontuur. Als jongere wil je wat van de wereld zien.'' Aan het eind van het jaar gaat Ali terug naar Niger. ,,Als je dan thuis bent, heb je in ieder geval een mooi verhaal te vertellen.''

In Tripoli, 800 kilometer ten noorden van Sebha, wemelt het van de gastarbeiders. De hoofdstad is gebouwd langs de Middellandse-Zeekust, brede wegen en imposante viaducten verbinden de stadsdelen met elkaar. De wegen zijn bedekt met een mooie egale laag asfalt, waarop hard gereden kan geworden. En dat gebeurt dan ook.

Tripoli kent winkels met dure Italiaanse merkkleding. Goedkope kleding, veelal uit China, is te koop op de markt langs de Errachid-straat. Uit een muziekzaak klinkt snoeiharde Amerikaanse rock. Een paar honderd meter verderop staan vijf gigantische kantoortorens, gebouwd op een smalle sokkel. Van een afstand lijken ze op omgekeerde whiskyflessen.

Overal staan enorme billboards met de afbeelding van de grote leider Moammar Al-Kadafi, zoals bij het Ottomaanse fort in de oude stad: Kadafi in blauw gewaad, met een donkere zonnebril. Op zijn gezicht ligt een soort trotse minachting verscholen. Kadafi heeft een hoge dunk van zichzelf. Libië is voor hem de islamitische modelstaat, waaraan andere landen een voorbeeld moeten nemen.

De komst van al die gastarbeiders is in zekere mate een bewijs van Kadafi's succes. Toen hij in 1969 via een staatsgreep aan de macht kwam, was Libië een van de armste landen op het Afrikaanse continent. Inwoners uit de buurlanden hadden er weinig te zoeken. Door de welvaart is de situatie veranderd. Buitenlanders staan in de rij voor een baan.

Kadafi heeft altijd een belangrijke internationale rol willen spelen. Hij was ooit de drijvende kracht achter de Arabische eenheid. Maar met zijn ondiplomatieke optreden vervreemdde hij zijn Arabische collega's van zich. In de loop van de jaren verschoof Kadafi's aandacht meer naar Afrika. Regelmatig praat hij over een groot Afrikaans rijk met Tripoli als hoofdstad. Vooral de relaties met de straatarme Sahel-landen zijn verbeterd. Al heeft dat waarschijnlijk vooral te maken met Kadafi's gewoonte om met cadeaus te strooien.

In de hoofdsteden van Mauritanië en Niger zijn op Libische kosten prachtige moskeeën gebouwd. Ook subsidieert Kadafi er de armenzorg. De verhouding met buurland Tsjaad, waarmee Libië van 1973 tot 1994 in oorlog was is verbeterd. Vorig jaar mei trok Kadafi met een colonne van meer dan vierhonderd auto's dwars door de woestijn naar de Tsjadische hoofdstad Ndjamena. Het bezoek leidde tot een waar volksfeest. Bijna alle auto's die Kadafi had meegebracht werden cadeau gedaan.

Onder de Libische bevolking zijn de Afrikaanse gastarbeiders niet populair. Ze worden niet beschouwd als gelijkwaardige burgers. ,,Afrikanen brengen allerlei enge ziektes naar Libië'', zegt Abdulnasr Bayufaki (30), een garage-houder uit Tripoli. Afrikaanse vrouwen zouden veel als prostituée werken. ,,In ziekenhuizen worden steeds vaker patienten met Aids binnengebracht'', zegt Bayufaki achter het stuur van zijn BMW. ,,Het is duidelijk wat de oorzaak is.''

Onvrede is er ook over de betrokkenheid van Afrikanen bij de drugshandel. De Libische regering subsidieert eerste levensbehoeften zoals kleding en voedsel. Veel Afrikanen verkopen deze producten met winst in hun geboorteland. Soms nemen ze op de weg terug naar Libië cocaine mee, die vervolgens per schip wordt doorgevoerd naar Europa. Vooral Nigerianen zijn betrokken bij deze drugshandel.

,,Iedereen in Libië weet dat Nigerianen in drugs handelen'', meent Bayufaki. Een rapport van de Verenigde Naties bevestigt de toegenomen rol van Nigeria als doorvoerland voor drugs. Volgens Bayufaki zorgen Afrikanen alleen maar voor problemen. Hij vertolkt daarmee de mening van de doorsnee Libiër.

En Afrikaanse gastarbeiders voelen zich op hun beurt benadeeld. ,,We worden behandeld als beesten'', zegt Ben Okeke (23), een Nigeriaan die autobanden repareert. ,,De Arabieren beschouwen Afrikanen als slaven. We worden stelselmatig gediscrimineerd. De Libiërs laten ons werken voor een hongerloon. Maar wat ze niet beseffen is dat wij dit land draaiende houden.''

Ben zegt dat het vaak voorkomt dat Libiërs Afrikanen vragen een klusje op te knappen en vervolgens de helft van de vergoeding betalen. ,,Als we bij de politie gaan klagen worden we uitgelachen'', zegt Ben. ,,Ook al staat de overeenkomst op papier. Het kan de Libische overheid niets schelen dat Afrikanen worden opgelicht.''

Dan is er nog het taalprobleem. Met Engels of Frans, de talen die de gastarbeiders spreken, kom je in Libië niet ver. De meeste Libiers spreken slechts Arabisch, onbegrijpelijk voor de meeste gastarbeiders. Ben komt niet verder dan salaam aleikum, de woorden waarmee Libiers elkaar begroeten. Ben, die nu drie maanden in Libië is, wil het liefst zo snel mogelijk weg. ,,Soms begrijp ik niet hoe ik zo stom kon zijn om naar dit land te komen.'' Ben is geen uitzondering. Slechts weinig Afrikanen blijven langer dan een paar maanden in Libië.

Bij Katrun, een kleine oase in het uiterste zuiden van Libië, staan zo'n twintig vrachtwagens voor hun tocht naar Agadez in Niger, ruim 2000 kilometer door de woestijn, over onverharde pistes met mul zand en grote keien. De vrachtwagens zijn bijna allemaal beladen met vaten benzine, in Libië veel goedkoper dan in Niger. Boven op elke vrachtauto zitten tientallen Afrikanen. Een reis boven op een lading benzine is veel goedkoper dan het vliegtuig.

De passagiers hebben zakken handelswaar bij zich. Ze bungelen aan de buitenkant van de vrachtwagen naar beneden. En ze hebben eten en jerrycans met water ingeslagen. De tocht door de Sahara duurt drie weken, als alles meezit. Onder de brandende zon krijgen de reizigers enorme ladingen stof over zich heen. Op het traject zijn slechts een paar waterputten waar ze vers water kunnen inslaan. Vanuit Agadez, waar het asfalt weer begint, reizen de meeste passagiers per bus verder naar andere delen van West-Afrika.

De tocht kent ook andere gevaren. In het grensgebied tussen Libië en Niger dwingen gewapende bendes auto's tot stoppen en beroven de passagiers. Ook halen niet alle vrachtauto's de overtocht. Niet altijd slaagt degene die de onderdelen is gaan halen er in de auto terug te vinden. Twee jaar geleden werd in Niger een kapotte vrachtwagen aangetroffen met daaromheen vijftig dode lichamen.

De reis naar Niger op een vrachtwagen is betaalbaar. ,,Ik betaal 300 dinar (180 gulden) naar Agadez'', zegt Jimmy Becksy (20), een Liberiaan op weg naar huis. ,,Vanuit Agadez kost het dan nog eens 200 dinar om naar Liberia te reizen.'' Jimmy draagt plastic slippers en een dikke jas. 's Nachts kan het gemeen koud worden in de woestijn. Hij ontvluchtte Liberia voor de burgeroorlog. Nu het in zijn land wat rustiger is, wil hij terugkeren.

Jimmy wilde doorreizen naar Italië, maar dat is niet gelukt. In Tripoli kon een Libiër hem aan boord van een vrachtschip smokkelen. Maar de man vroeg ruim duizend gulden. ,,Zoveel geld heb ik niet'', zegt Jimmy.

Jimmy heeft angst voor de reis door de Sahara. Liberia bestaat grotendeels uit oerwoud. Daar weet hij zich wel te redden. In de burgeroorlog zwierf Jimmy maandenlang door de bossen en leefde van insecten en vruchten. Water was overal te vinden. In de woestijn gelden andere wetten. ,,Stel dat de auto kapot gaat en we zonder water komen te zitten. Ik weet als oerwoudbewoner dan echt niet waar ik moet gaan zoeken. Hopelijk weet de chauffeur waar hij mee bezig is'', zegt Jimmy.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden