Twee tempi in een kerkgebouw

KAMPEN - “Ons orgel wordt met overheidsgeld in stand gehouden en daarom mag iedereen er van mij op spelen.” Terwijl menig organist 'zijn' orgel als een cerberus bewaakt, benadrukt organist Ab Weegenaar dat hij vindt geen enkel recht te hebben om mensen van de orgelbank te weren, mits hij er van overtuigd is dat het om goede spelers gaat. Zijn enige zorg is dat er niets beschadigt.

Reden om uitermate zuinig te zijn op het instrument waarvan hij zich vaste bespeler mag noemen heeft Ab Weegenaar alleszins want sinds twee jaar bekleedt hij een van de felst begeerde organistenplaatsen in ons land. De Bovenkerk te Kampen is immers een protestants Mekka voor orgelliefhebbers. Niet alleen door de faam van het Hinsz-orgel, maar evenzeer door de roem van Willem Hendrik Zwart, de vorige titularis. Dit verleden maakt Weegenaars positie er niet gemakkelijker op. “Zwarts manier van spelen, geënt op de stijl van zijn vader Jan, is zeker waardevol gewéést, maar was niet werkelijk uitgebouwd. Ik probeer dat nu wat bij te sturen. Je moet nooit het roer in een keer omgooien, maar je kunt niet voorkomen weleens tegen zere schenen te schoppen.”

Dat laatste lijkt inderdaad onvermijdelijk, gezien het feit dat Weegenaar zelf uit een milieu komt waarin Jan Zwart en zijn navolgers als Feike Asma bepaald niet bewonderd werden: “Ik kreeg mijn eerste orgellessen van mijn vader. Van hem mocht ik absoluut niet naar Asma luisteren, alsof het een vertegenwoordiger van het kwade betrof. Later ging ik zelf inzien dat met name de oude Zwart wel degelijk hele goede dingen gedaan heeft. Zijn 'Vaste Burg' is een uitstekend stuk dat ik vaak speel. Met Willem Hendrik Zwart heb ik, nadat ik hem was opgevolgd, altijd een heel prettig contact gehad. Alleen zijn aanhang doet wel eens schadelijke dingen. Vooral de eerste maanden van mijn aanstelling ontmoette ik oppositie. Maar het lukt nooit om het iedereen naar de zin te maken.”

Al pratend met Ab Weegenaar en luisterend naar een improvisatieconcert dat hij vorige week zaterdagmiddag gaf, lijkt geen andere conclusie mogelijk dan dat Kampen het getroffen heeft met een veelzijdig vakman die het muzikantenhart op de juiste plaats heeft, maar die tegelijk een beetje politicus is. Dat blijkt ook uit de namen die op de affiches van de zomerconcerten prijken: ze komen uit diverse hoeken van orgelwereld komen. “Ik vind dat er voor elk wat wils in zo'n serie moet zitten. Ik moet alleen de mensen die over het geld gaan overtuigen dat publiekstrekkers niet per definitie de beste organisten zijn.”

Als kerkorganist zegt Weegenaar op deze post alleen maar te kunnen functioneren door niet rechtlijnig te zijn: “In de Bovenkerk hebben de confessionelen en de 'gereformeerde bonders' afwisselend dienst; voor beide groeperingen binnen de Nederlands Hervormde kerk moet ik anders spelen. Het gebeurt nog wel eens dat me bij de gereformeerde bond gevraagd wordt het tempo nog net iets rustiger te nemen. Dat doe ik dan, hoewel ik betwijfel of het goed is dat er twee tempi in een kerkgebouw gehanteerd worden. In jeugddiensten moet ik soms liederen uit de Opwekkingsbundel of Johan de Heer spelen. Wat dat betreft kun je hier in Kampen geen puritein als organist hebben, die weigert uit zulke bundels te spelen.”

In het improvisatieconcert wordt duidelijk dat Ab Weegenaar zich niet extreem opstelt. Over het algemeen speelt hij in een toegankelijke stijl, die er ook bij de Zwart-liefhebber wel in moet gaan, met vaak overdonderende toccata-achtige variaties, lichtvoetig leggiero-spel, maar ook hoog-romantische cantilenes.

Ongetwijfeld heeft het enige verbazing gewekt dat Ab Weegenaar in 1995 als beste uit de bus kwam in de strenge sollicitatieprocedure, want hij genoot geen grote landelijke bekendheid. Over zijn loopbaan: “Ik groeide op met het orgel en had vanaf mijn twaalfde talloze organistenbaantjes. Voordat ik naar Kampen kwam was ik organist van de Grote kerk te Wageningen. Ik werd wel regelmatig her en der gevraagd voor concerten, maar ik ging er nooit zelf zo achteraan.”

Weegenaar zegt dat orgelspelen bijna een soort hobby van hem was. Dat is voorstelbaar: hij heeft zijn handen vol met zijn vaste werk in een geheel andere tak van de klassieke muziek, namelijk als eerste fagottist van het Gelders Orkest. “Mijn omgeving had mij destijds aangeraden om naast orgel fagot te gaan spelen, omdat met dat instrument gemakkelijk werk te vinden was. Dat ging zo leuk dat ik op mijn 15e al hoofdvak fagot ging studeren aan het conservatorium. Nog voor het behalen van mijn eindexamen had ik al een aanstelling aan het Noordelijk Philharmonisch Orkest. Op mijn 19e besefte ik dat ik toch ook mijn oude liefde, het orgelspel, weer wilde oppakken. Ik ging opnieuw naar het conservatorium.”

Zijn orkestbaan kan Ab Weegenaar nog steeds met zijn organistschap combineren, maar sinds zijn benoeming in Kampen heeft hij wel zijn docentschap aan het Arnhems Conservatorium wegens tijdgebrek moeten opgeven. “Ik heb iedere morgen orkestrepetitie en 's avonds uitvoeringen. In de middagen moet ik zorgen dat mijn techniek op beide instrumenten op peil blijft. De concerten in Kampen kosten mij veel voorbereidingstijd, want je moet steeds weer nieuw repertoire studeren. Als je een stuk twee keer speelt heeft het Kamper publiek dat direct door.”

Het toeval wil dat Weegenaar nu organist is van het orgel dat stellig het fraaiste fagot-register van ons land bezit. Tijdens zijn concert liet hij deze vermaarde rugwerkstem uitbundig horen. Beïnvloedt zijn werk als houtblazer en orkestmusicus zijn orgelspel? Weegenaar denkt dat dit inderdaad het geval is, maar dat dit niet zozeer zijn literatuurspel als wel zijn kerkelijk orgelspel betreft: “Ik denk dat ik door mijn ervaring in het orkest bij het begeleiden van de samenzang meer dan andere organisten een gevoel heb voor maat houden en weet wat het is om met anderen te musiceren. Ik voel het als een manco van veel orgelspelers, dat ze bij het begeleiden nooit exact gelijk zijn.”

Ook in zijn orgeltechniek ziet Weegenaar een parallel met het fagotspel: “Wanneer je als blazer er in één keer inknalt, met je tong tegen het riet, keurt een dirigent zo'n inzet af. Als organist moet je proberen de pijpen als een werkelijk blaasinstrument te laten klinken, en dan gaat het er ook om de orgeltoon een soort aanloop te kunnen geven.”

Een ander voordeel is dat hij uit het orkest solisten kan putten die kunnen optreden in de serie wandelconcerten op de zaterdagmiddag. “Willem Hendrik Zwart liet de mensen bij de speeltafel toekijken en verzoeken indienen. Ik heb dat ook wel gedaan, maar steeds weer vroeg men bepaalde werken van Zwart te spelen waarin ik me niet zo happy voelde. Daarom heb ik in de wandelconcerten de koers wat veranderd.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden