Twee koffers

In Rotterdam miste schrijver Ernest van der Kwast zijn gezin in Zuid-Tirol, en als hij daar was had hij heimwee naar het rumoer van Rotterdam.

Het begon allemaal met twee koffers. Mijn moeder kwam in 1969 met twee koffers vol armbanden, kettingen en oorbellen in Nederland aan. Ze betrok een kamer in het zusterhuis en ging aan de slag als verpleegster.' Zo begint mijn boek 'Mama Tandoori' (2010). Lezers vragen mij nog steeds hoeveel er 'waargebeurd' is. Ze willen een percentage horen. Ik antwoord soms in een bibliotheek of een leeszaal: 'Mijn moeder zegt dat 5 procent van het boek waar is, ik houd het op 95 procent. Er is dus geen consensus binnen de familie.' Als mijn moeder, die in Toronto woont, het zou hebben gehoord, zou zij op haar beurt weer hebben gezegd: 'Dat is niet waar!'

Toen Wim Brands mij in zijn programma 'Boeken' interviewde over 'Mama Tandoori' stelde hij geen enkele vraag over het waarheidsgehalte van het boek. Hij wilde meer weten over de migratie van mijn moeder. Over haar reis van India naar Nederland, maar ook over de vlucht van haar familie na de 'Partition', de opdeling van Brits-India in 1947. Door de deling in een hindoeïstisch India en een islamitisch Pakistan kwam een vluchtelingenstroom van meer dan twaalf miljoen mensen op gang. Mijn moeder, die toen nog gezoogd werd, maakte met haar zeven zussen, twee broers en ouders deel uit van deze enorme stroom mensen. Ze kwamen uit Rawalpindi (thans Pakistan) en zochten hun heil in Kasjmir, maar hier brak de oorlog uit, zodat de familie weer moest vluchten. Uiteindelijk kwamen ze in Agra aan, waar ze een onderkomen vonden in een huis van een gevluchte islamitische familie.

Deze lange reis moest ik gaan maken, drukte Brands mij op het hart. Misschien was hij (net als mijn moeder, overigens) bang dat ik een vervolg zou schrijven op mijn boek. Dat was te makkelijk, 'Mama Tandoori 2' klonk ook te commercieel, maar het idee voor een vóórvervolg sprak mij wel aan.

In mijn jeugd heeft mijn moeder zelden of nooit over het verleden gesproken. Het was alsof het niet bestond. Als kind kreeg ik weinig mee over de Indiase cultuur. Mijn broers en ik mochten rundvlees eten en we spraken Nederlands met onze moeder. Behalve als ze boos was. Dan begon ze plotseling in het hindi te vloeken. We waren waarschijnlijk de enige kinderen ter wereld die tien Indiase scheldwoorden kenden voor 'buitenechtelijke zoon', maar niet in het Hindi konden vragen waar het toilet was.

India was een rode stip op ons voorhoofd, een bindi die we weleens droegen, omdat we dat er leuk uit vonden zien. India was ook de gebedskamer van mijn moeder op zolder, waar ze met een rode, doorzichtige doek al wiegend bad tot haar goden. Maar die kleine kamer op zolder was verboden gebied voor ons. Heel soms mochten we op onze sokken naar binnen en luisterden we naar het gezang van onze moeder. "Waarom huil je, mama?" vroeg mijn oudste broer haar ooit, maar ze gaf geen antwoord. Ze leek niet hier te zijn, maar ver weg, in het land waar wij geen weet van hadden.

Ik heb altijd een romantisch beeld van een landverhuizer gehad. Ik benijdde schrijvers als Du Perron, Hermans en Grunberg om hun vestiging in een ander land en wilde ook zo snel mogelijk weg uit Nederland. Enerzijds om los te komen van mijn moeder, die verlangde dat ik mijn studie fiscale economie zou afmaken en die tegenover buurvrouwen opschepte dat ik staatssecretaris van financiën zou worden, anderzijds voor het avontuur.

In 2004 was het eindelijk zover en migreerde ik vanuit Rotterdam naar Bozen in de Italiaanse provincie Zuid-Tirol. Mijn spullen pasten in een bestelbusje en het was een overzichtelijke verhuizing. In de meeste dozen zaten boeken, plus nog wat espressokopjes. Ik kwam er echter snel achter dat ik ook veel gewoonten en meningen had meegenomen.

"In Nederland ...", begon ik na verloop van tijd geregeld een gesprek met mijn Italiaanse vriendin, buurvrouw of schoonvader. Of ik zei meteen, minachtend: "Typisch Italiaans." Voor het eerst bedacht ik dat mijn moeder ooit ook moeite moet hebben gehad om te aarden in een nieuw land.

In 2010 verhuisden we vanuit de stad naar een bergdorpje, Jenesien. Er waren inmiddels twee kinderen en door het succes van 'Mama Tandoori' vloog ik een à twee keer per maand naar Nederland voor werk. In Rotterdam, op een zolder van een kennis, miste ik mijn gezin, maar in het bergdorpje verlangde ik naar de dynamiek van Rotterdam. Het rumoer, de avonden met literatuur, theater en muziek. Jenesien was een prachtige plek, op 1000 meter hoogte. Weilanden, bergen, koeien met een glanzende, grijze vacht, blonde paarden. Maar ik vond het steeds meer een plek om te sterven in plaats van om te leven. Een soort Florida, alleen dan zonder witte sokken boven witte gympen. Een plek voor later, voor de herfst van het leven.

We zouden twee zomers in de bergen blijven. Toen verhuisden we met het gezin naar Rotterdam. En daar wonen we nog steeds. Of moet ik dat laatste woord vervangen door 'een paar jaar'? Of in de woorden van mijn vriendin: "maximaal vijf jaar". Zij vindt het heel moeilijk in Nederland. Ze kan niet wennen aan het weer. Daar waar Zuid-Tirol driehonderd zonnedagen per jaar telt, zijn die volgens mijn vriendin in Nederland op één hand te tellen. Er is één seizoen: herfst. En dan zijn er nog de honderd culturele en principiële bezwaren, waar ik haar geregeld gelijk in moet geven. (Ze werkt in de zorg en daar verandert niet alles ten goede).

Het is op bepaalde momenten moeilijk om wel vaste grond onder je voeten te voelen, maar niet het idee te hebben dat je geworteld bent. Het land van mijn vriendin hangt als een zwaard boven mijn hoofd, boven alle afspraken die ik aanga, boven mijn dromen. Maar ergens vind ik dat zwaard ook wel geruststellend. Ik presenteer talkshows in zaaltjes en schrijf meer in opdracht dan dat ik aan een boek werk. F. Scott Fitzgerald schreef verhalen voor geld om tijd vrij te kunnen maken voor het werken aan een roman, maar meestal leefde hij van verhaal naar verhaal. Veel jonge schrijvers stappen in dezelfde valkuil.

Over vijf jaar ben ik veertig en ben ik er misschien aan toe om te sterven. Nou ja, om me erop voor te bereiden. Laat de herfst van het leven aanbreken, en laat die vooral mild zijn.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden