reconstructie

Twaalf jaar na haar dood in het IJ krijgt Christine eindelijk een naam

Sibille Schöntauf bij het graf van haar moeder in Amsterdam. Beeld Carina van Leeuwen

Twaalf jaar nadat zij zelfmoord pleegde door in het Amsterdamse IJ te springen, wordt de identiteit van een vrouw vastgesteld. Ze was een Duitse van 45. Hoe kwam het zover, en hoe vergaat het haar dochter en moeder?

Moeder Ellen Schöntauf (86) woont in het Duitse Radevormwald, bijna 300 kilometer van het Amsterdamse IJ vandaan waar Christine in 2006 verdronk: “Nee, Christine was niet geestesziek. En dat ze zelfmoord pleegde, kan ik niet geloven.” Als Ellen Schöntauf ‘platt’ praat, klinken sommige woorden net Nederlands. Een maand geleden ontdekte Christine’s dochter Sibille pas dat de Duitse politie in haar dossier een afscheidsbrief heeft. Die leest moeder Ellen nu voor het eerst, hardop. Haar primaire reactie is defensief. 

‘Niemand heeft het ooit echt geïnteresseerd hoe ik geleefd en geleden heb. Niemand zal me missen. Daarom kies ik voor de vrije dood. Ver weg, omdat ik hier niet begraven wil worden. Het is een onverdraaglijk idee dat mijn dochter en mijn ouders verdriet…’ Over het slotwoord dat Christine met haar hanenpoten schreef, ontstaat verwarring. Staat er heucheln? Het origineel is verloren gegaan.

Er staat huichelen, weet Christine’s iets jongere broer Jürgen (56) zeker. Hij woont met zijn gezin twee uur van oma vandaan in Hennef. Het agressieve ‘huichelen’ past voor hem bij het gedrag van de onuitstaanbare persoon, die zijn zus voor hem was geworden. Na een aarzelende blik op haar dochter Sibille (34): “Ik kon haar aanwezigheid niet verdragen. Het was moeilijk om met haar in één ruimte te zijn.”

Moeder Ellen Schöntauf woont al 86 jaar in het stadje Radevormwald met 25.000 inwoners in Noord-Rijnland-Westfalen. Het is een Sauerlandachtig gebied, oostelijk van Keulen. Hier, bovenop een heuvel, zoals de toeristische brochure trots vermeldt, speelde zich ook het hele leven af van dochter Christine. Ze leeft er van haar geboorte in 1960, tot haar verdwijnen, vlak voor Kerst 2005.

Sibille met haar moeder ChristineBeeld -

Christine heeft een moeilijke jeugd. Zij maakt school nooit af; wel zit ze af en aan in een jeugdinrichting vanwege agressie. Jeugdschizofrenie, oordeelt de huisarts. Een diagnose van de psychiater horen de ouders nooit, ‘dat wil Christine niet’.

Van oudere broer Siegfried steelt ze veel geld. Met zijn pistool pleegt ze een overval. Het levert haar op haar 19de een jaar gevangenisstraf op. Ook daarna blijft haar leven een aaneenschakeling van angstbeelden, ruzies en eenzaamheid. 

Op een grauwe, kille dag in november loopt Christine’s enige kind Sibille de voetstappen van haar moeder na: van haar toenmalige appartement in een laagbouwflat in de Herderstraat naar de plasticfabriek waar zij bijna twintig jaar werkte. Het loopje duurt krap tien minuten, met onderweg niet meer opwinding dan een enkele roddelende buurvrouw. ‘Erlemann und Huckenbeck’ staat er nog steeds op de gevel. De fabriek is een begrip in het stadje, ook oma werkte er een jaar. Christine bediende grote machines die auto-onderdelen uitspugen.

Het vertrek

Eigenlijk valt het Sibille nu pas op: “Het leven van mijn moeder was klein. Het werk zwaar en saai. Zo bekeken, begrijp ik haar beslissing om hier te vertrekken.” Als tiener wil Sibille ook weg. Haar is het levend gelukt. De protestantse kerk was haar redding, de enige plek waar zij zich als kind thuis voelde. Sibille Schöntauf ging theologie studeren en werkt als jeugdbegeleidster in een kerk in het Oostenrijkse Linz.

“Mijn werk heeft me inzicht gegeven in het irrationele gedrag van anderen. Ik betrek dat niet snel op mezelf.” Daarnaast heeft Sibille zich na een lange periode van verdringing de laatste jaren juist grondig beziggehouden met haar wispelturige moeder: “Uiteindelijk heb ik vrede met haar kunnen sluiten.”

Zo is het juist dochter Sibille die vertelt dat Christine ook goede kanten had: “Ze heeft altijd gewerkt, om geld voor ons te verdienen. Ze sloofde zich uit voor mijn verjaardagen, leende geld om mooie cadeaus voor me te kopen. Ondanks haar psychische problemen heeft ze voor haar kind gedaan wat ze kon.”

Afscheidsbrief

Sibille heeft als enige van de familie geen moeite met de snoeiharde afscheidsbrief. “Zeker, hij heeft me erg geschokt. Maar vooral omdat het zo duidelijk toont hoe mijn moeder zich voelde. Dat wisten we. Om het in haar eigen woorden te lezen is een ander verhaal. Ik kon het niet opbrengen om contact met haar te hebben. En door haar ziekte kon zij mij niet anders benaderen. Dat zij in die situatie dacht dat ik haar niet zou missen, dat begrijp ik.”

De afscheidsbrief is in dat appartement aan de Herderstraat door de Duitse politie gevonden. Die zocht haar omdat ze weer iemand bedreigd had, dit keer haar therapeute in Bonn. De rechercheur verzuimt de brief door te geven. Die duikt toevallig op, omdat Sibille de politie om informatie belt, nadat haar moeder deze zomer is geïdentificeerd. Zij blijkt sinds februari 2006 op begraafplaats Sint Barbara in Amsterdam te liggen, als onbekende dode. In oktober heeft Sibille het graf bezocht. Ze schreef met haar vinger in het zand: Du bist nicht allein.

Geschreeuw

Die kleine Sibille. ‘Een verkrachting’, maakt Christine van haar avontuurtje. Het is een uitleg die niemand gelooft. “Zal ik abortus plegen?” Na de geboorte logeren de twee bij oma en opa. Daarna in een opvanghuis voor moeders in Keulen. Bijna haalt Jeugdzorg Sibille bij haar moeder weg. Als er een woning vrijkomt in de flat naast oma en opa, en die beloven een oogje in het zeil te houden, mag ze bij Christine blijven.

De moeder van Christine met kleindochter Sibille in Radevormwald. Beeld -

Een herinnering van oma: “Als ik via het balkon het geschreeuw van Christine tegen Sibille hoorde, belde ik op. ‘Ik trek het niet’, zei ze dan. Stuur haar maar, zei ik. Dan kwam ze bij ons spelen.” Zo ging het ook als Sibille ziek was, of het weekend naderde. “Sibille is mijn vierde kind”, besluit oma aan een lunchtafel met veel worst. “Heeft Holland veel vegetariërs? Quatsch! Deze slager is echt heel goed.”

Oma had evenmin een makkelijk leven. Op haar 13de door twee dronken Russische militairen verkracht, terwijl ze wist dat haar moeder haar daarvoor zou verachten. Daarom een zelfmoordpoging in een sloot. Háár moeder die haar eigen ouders na haar huwelijk nooit meer wilde zien.

Een familielijn van arbeidersvrouwen die geen uitweg uit de hardheid weet. Daarom zegt Ellen tegen Christine als ze ongewenst zwanger is: “Had een voorbehoedmiddel gebruikt.” En over haar bevalling: “Wat een theater. Toen ik Christine kreeg, gaf ik geen kik.”

Het patroon

Omdat Christine terugkeert naar Radevormwald is Sibille veilig. Altijd zijn oma en opa als reddende engelen vlakbij. Wie weet hoe het in miljoenenstad Keulen was afgelopen. Misschien was de peuter dan wel over het balkon gevlogen. Nog meer anderen strekken hun handen naar Christine en Sibille uit. Broer Siegfried, bij wie Christine een tijd woont. Later springt Jürgen bij. Hij neemt Sibille mee naar Disneyland in Parijs en leest met haar als hij zijn ouders bezoekt. Er is een sociaal werker die zich door de jaren heen met hen bemoeit, er zijn volwassen vriendinnen.

En er zijn talloze therapeuten, en mensen die een baantje aanbieden. Dit was het patroon, vertelt de familie: altijd begint Christine dolenthousiast ergens aan. Eindelijk is er iemand – een therapeut, een vriendin – die het snapt. Binnen een paar maanden is het hommeles. Dan komt het schelden, soms de bedreigingen. Weer is ze niet begrepen.

Juist omdat iedereen probeerde te helpen, vindt moeder Ellen het zuur, dat Christine dit niet kon zien, laat staan waarderen. “Als ik ervandoor ga, wil ik met die rotfamilie niks meer te maken hebben”, is haar standaard uitspraak. Ook favoriet: “Ik spring in de Rijn”. Of: “Ik ga de bergen in en spring in een gletsjerspleet.” Dan vinden ze je terug als Ötzine, antwoordt oma gevat, verwijzend naar gletsjermummie Ötzi. “Ze nam nooit haar verantwoordelijkheid, dat was haar kernprobleem.”

De kerk

Ondanks alle engelenhanden is het leven voor Sibille niet makkelijk. Lang zijn moeder en dochter heel close. Er zijn periodes dat ze haar grootouders niet mag zien. Maar als moeder geld nodig heeft, wordt ze weer op hen afgestuurd. Als tiener begint Sibille naar een eigen leven te snakken. “Ze wilde alles samen doen, alles weten. Ik was voor haar relatie, vriendin en dochter in één. Zo moest ik elke dag mee boodschappen doen. Vaak moest ik ’s avonds in de snackbar bier en patat halen. Of een brief naar een therapeut op de bus doen.”

Op school ligt Sibille eruit, de juiste kleren heeft ze niet. Soms gaat ze in haar eentje naar de kindermis. “Toen ik rond mijn 12de een uitnodiging kreeg van de kerk voor belijdenis, ben ik gaan kijken. De sfeer beviel, ik werd geaccepteerd en kreeg vrienden.” Haar moeder vindt het prima, tot zij ook gesprekken met de pastor voert die op ruzie uitlopen: “Toen was de kerk ineens een sekte.”

Sibille heeft een wonderbaarlijke kalmte ontwikkeld te midden van haar moeders chaos. Als ze zestien is, is de maat vol: “Ik belde mijn oma of ik een tijdje kon komen logeren. Pas toen ik daar was, besefte ik dat het definitief was.” Ze huilt veel, alsof de spanning loskomt. Tegen de wens van haar moeder in gaat ze theologie studeren.

Christine kan tijden van de radar zijn, en dan komt er weer een telefoontje. Oma herinnert zich: “Ze belde altijd midden in de nacht. Opa sliep er als een beer doorheen. Ze had veel te vertellen, het duurde wel een uur. Natuurlijk nam ik altijd op! Zij eindigde steevast met: ‘Niemand kan mij helpen’. En dan was het schluss.” Christine hangt op.

Dat laatste najaar in 2005 wil Christine haar dochter ontmoeten. Maar ze wil niet vertellen waarom. Oma en kleindochter voelen angst, angst dat Christine haar iets aan zal doen. De ontmoeting komt er niet. Oma herinnert zich dat Christine verwarder wordt. “Kom langs om te praten”, probeert ze. “Ach, jij snapt er toch niks van”, is het antwoord. Ergens is dat ook zo. Niemand weet hoe je moet omgaan met deze psychische problemen, wat je kunt doen aan schizofrenie. “Nooit heb ik een therapeut ontmoet”, zegt oma.

Begin december belt Christine voor het laatst. Ze heeft haar vaste lijn opgezegd, haar mobiele nummer geeft ze niet. Christine heeft vakantiegeld en gaat op reis.

Nederland

Wat niemand weet: dat zij na een bedreiging de politie weer achter zich aan heeft. Christine schrijft haar wrokkige afscheidsbrief, trekt de deur dicht en reist naar Nederland. Ooit is de familie er drie dagen geweest. Al die vis, oma werd er misselijk van. Christine had vaak gepraat over Ierland, of de bergen. Dat zij in Nederland zou sterven, had niemand bedacht.

Hoe vaak ze haar zelfmoord ook aankondigde, oma nam het nooit serieus: “Wij hoopten dat ze ergens een ander leven had opgebouwd, en tevreden was.” Dat hopen de ouders na één jaar, en na vijf jaar afwezigheid nog steeds. In 2012 komt de politie DNA afnemen, dat werd toen standaard bij langdurig vermisten. “Op zijn sterfbed in 2014 zei mijn man nog: ‘Wisten we maar of ze rust heeft gevonden’. Als er een hiernamaals is, dan ontmoet hij Christine daar misschien.”

Ellen lijkt net zo rustig als Sibille, maar schijn bedriegt. Soms gaat ze op de stoel bij de foto van haar man zitten. “Dan zakt mijn stemming heel diep, en komen de tranen. Elke dag hebben we aan haar gedacht. Had ze maar meer vertrouwen in ons, of in iemand gehad. Het snijdt in mijn ziel, dat Christine zo moest omkomen.”

Lees ook:

Sybilla Claus reconstrueerde eerder het leven van onbekende dode Laurent Delelis uit Frankrijk, wiens identiteit na 20 jaar werd vastgesteld. (Trouw, 9 juni 2018.)

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden