Tussen hemel en aarde, vooral niet te hoog

Kort voor Giotto aan de religieuze kunst van de Middeleeuwen zijn vroeg-renaissancistische wending gaf, was er Cimabue. Zijn crucifix in de refter van het klooster Santa Croce aan de Arno in Florence, ingericht als museum om het meesterwerk zo mooi mogelijk te laten uitkomen, van dichtbij te zien door gewone of ongewone mensen. . . dat kruis is niet meer. Op 4 november 1966 ging het altaarstuk, op hout geschilderd in 1288, vier-en-een-halve meter hoog, vier meter breed, kop onder in een vloedgolf die de stad overviel. Het water steeg al snel tot zes meter.

REIN BLOEM

Al dagenlang was er gewaarschuwd voor het ontij, maar men had geen voorzorgsmaatregelen getroffen. De verankering in de vloer werd niet losgemaakt, er was geen camera om alles nog eens goed vast te leggen, aan inpakpapier of andere bescherming werd niet gedacht; geen extra bewaking of rampenplan, het zou immers zo'n vaart niet lopen.

Op die onheilsdag verschenen al snel en ongeremd de beelden op de televisie, wereldwijd. Miljoenen mensen stonden aan de spreekwoordelijke kant te kijken naar wie er verdronk, geen hand werd uitgestoken. Achteraf werd gezegd dat uit liefde voor het kruis, uit opperste voorzichtigheid, niet was ingegrepen: haastig vervoer zou zeker schade hebben veroorzaakt.

Drie kwart van de schildering is onherstelbaar verloren gegaan. Foto's die werden genomen toen alles voorbij was en afgedroogd, laten zien hoe erg het is: de kleuren en de lijnen zijn verschilferd, de handen en voeten van de Heer zitten vol extra gaten. De panelen aan de uiteinden met de medaillons van Johannes en Maria zijn het meest intact gebleven, al zijn hun ledematen grotendeels van de portretten verdwenen. Vroeger keken de heiligen niet opzij naar de gekruisigde, maar nadenkend naar de devoten. Op Franciscaanse wijze hielden zij de toeschouwers voor hun aandeel te nemen in de smart door hun mededogen, liefde en verering te tonen. Nu is die rol verschoven en delen we met een ander soort compassie in het rampzalig verlies.

Van top tot teen was het crucifix een meesterwerk. Volgens de wetten van de dramatische ironie is bijvoorbeeld nu pas goed aan het licht gekomen, hoe Cimabue het hout voor de schildering geprepareerd had: onder de pigmenten, die door het water hebben losgelaten, worden de twee lagen gips zichtbaar, de gesso grosso en de gesso sottile; de omlijningen van de figuraties die gevuld werd met goud, blauw en rood (symbolisch getint) komen sterker naar voren, we kunnen de hand en de streek van de meester volgen als nooit tevoren. Een schrale troost, maar het werkt. De worsteling van de maker met wat hem voor ogen stond, dat luctor non emergo, laat een schijntje zien.

De opdrachtgevers in zijn tijd, Franciscanen en Dominicanen die aan de weg begonnen te timmeren, schreven ingetogenheid voor. Ze hadden ook bij lange na niet zoveel geld beschikbaar als Giotto later, die het van bankiers en kooplieden moest hebben.

Maar deze beperking wist Cimabue naar zijn hand te zetten: de Christus Patiens, de duldzaamheid zelve, veranderde hij in een dramatische paradox. Het gekromde lichaam laat pijn zien, de geloken ogen eveneens, maar in die pijn blijkt ook triomf en zelfs wordt hij verzacht door de transparante, in sierlijke plooien geschikte lendendoek, waaronder een kloek been, als was het een standvastige zuil, in beeld komt.

De Franciscaan St. Bonaventura schreef: “Geen schoonheid was er in het naakte lichaam, zijn waardigheid was weg. Zijn ledematen waren verwrongen door de bittere doodstrijd en de afzichtelijkste wonden. Vreselijk lijdend huilde hij aan het kruis en gaf de geest.” Cimabue voegt daar veel aan toe, geeft er een andere draai aan en die heeft waarachtig met schoonheid te maken.

Ik zou willen dat we die bevallige lendendoek, zo door Maria uit handen gegeven, nog in het echt konden zien. De troost, de dragelijke lichtheid van het bestaan is nooit mooier verbeeld dan in dit fragment, dat nu alleen als reproductie voortbestaat. Welk drama zich in Florence heeft afgespeeld blijkt ten overvloede in de pijnlijke en absurde foto, die door een journalist in de Santa Croce gemaakt werd, toen het wilde water toesloeg, één seconde voor de man aan het kruis verdronk. Er zijn geen woorden voor.

Toen in 1997 Italië door aardbevingen getroffen werd, gepaard gaande met apocalyptische hagel, trilde Assisi op zijn grondvesten met alle schade van dien. Wederom sloeg de televisie toe en we zagen hoe de bovenkerk van de Sint Franciscus Basiliek instortte en de fresco's van Giotto werden vernield. De wereld leefde mee.

Ik durf het bijna niet te zeggen, maar nauwelijks was de collectieve schrik en sensatie verdwenen of ik belde naar een reisbureau in de geteisterde stad en vroeg naar de kathedraal, de Sint Rufino uit de twaalfde eeuw, verstokte Romaan als ik ben. Geen noemenswaardige schade, pocissimo, goddank. Voor mijn part had het dak van de gevel af kunnen waaien, want dat doet al eeuwen onrecht aan de drie verdiepingen daaronder: de portalen voorzien van originele tympanen en geflankeerd door onregelmatige, omlijnde panelen die een ritmisch effect hebben; de sierlijke galerij met ranke boogjes en kleine kopjes; de drie rozetten als kroon op het werk. Rond de middelste en grootste is met veel gevoel voor vlakverdeling de tetramorf geschikt, de emblemen van de vier evangelisten: Marcus de leeuw, Lucas het rund, Johannes de adelaar, Mattheus de engel. Zie de Apocalyps.

Die grote rozet in het midden steunt op de bovenbalk van een inham in de gevel, een kijkkastje bij wijze van spreken. Op de bodem daarvan liggen drie bescheiden gedrochten met elk een vlondertje op de rug. Daarop staan drie sterke mannen, in wankel evenwicht, die tot taak hebben de rozet niet door de balk te laten zakken en dat valt niet mee. Onderweg op de Francigena zijn wij onder de dekbalk van een portaal van die lastdragers tegengekomen (Berceto, San Gimignano), hun gezichten vertrokken van pijn. Maar die hadden geen monsters onder hun voeten en staken ook niet hun hoofd boven de lijst uit om de last op hun schouders te nemen. Vooral dat wegwerken van symbolische zwaarte maakt het drietal tot gewone mensen, gevelarbeiders die het te verduren hebben. Vooral de kleinste duwer heeft het moeilijk: hij gebruikt zijn hoofd en handen om het geheel op zijn plaats te houden en gaat daarbij licht door de knieën.

Wie dit bedacht heeft, bracht en brengt de kunst waar zij thuishoort, tussen hemel en aarde en vooral niet te hoog.

Voor het derde werk dat blootstond of -staat aan de elementen, door Gods hand al dan niet behouden bleef of door de mens gered werd dan wel vernietigd, moeten we naar Pavoa, het begin van de Francigena. Het gaat om de gevel van de kroningskerk, een volmaakt voorbeeld van de gulden snede. Op de ereplaats staat daar San Michele met zijn draak, die nog wat kronkelt maar het gevecht niet zal overleven. Helaas geldt dat voor de hele gevel, op de engel na die van ander steen gesneden is dan de meer dan 250 schepsels (dieren en mensen in allerlei soorten) die van zandsteen zijn gemaakt. Toen na een aardbeving in 1117 de kerk die er stond met de grond gelijkgemaakt werd, begonnen de Longobardische bouwmeesters van voren af aan. En hoeveel gevechten er op én om de gevel ook werden uitgevochten, de verbeelding leek het van de tijd te winnen. Maar nee: geen restauratie kon verhelpen dat de zandsteen het niet hield. Telkens moest het pandemonium weer opgekalefaterd worden. Veel hebben we te danken aan de Franse professor De Dartein die tijdens werkzaamheden aan de gevel in 1856 scrupuleus optekende wat hij zag en dat was niet weinig. Helaas had hij geen opvolgers en dus ziekte het verval door.

De smog in de Po-vlakte, de nieuwe aardbevingen die van veraf ook Noord-Italië bereikten en het massatoerisme na de Tweede Wereldoorlog deden er geen goed aan. Je zou zeggen dat met moderne middelen het verval toch gestopt en hersteld had kunnen worden. Maar het ergste was de muffa, de schimmel. De overheid riep de hulp in van scheikundigden en die kozen voor een chemotherapie. De grootste kenner van de Santa Michele voorzag verdere en onherstelbare sleet, maar kreeg geen gehoor, al schreef hij jarenlang naar alle kranten. Zelfs richtte hij in het geheim, zonder subsidie in ieder geval, een instituut op waar kunstenaars kopieën zouden maken, in brons en andere materialen, geïnspireerd op de werktekeningen van De Dartein. Ignazio Stabile (een omineuze naam) heeft werkelijk alles gedaan om de nieuwe behandeling van de kerk tegen te houden. . . maar nee, de naalden gingen erin of het de huid van een mens was.

Kijk zelf naar een voorbeeld in Stabiles boek van 1996, waarin alles wat zo mooi had kunnen blijven tenminste nagemaakt wordt. Maar ook wat dit onmisbaar boek betreft, moet de dramatische ironie onder ogen gezien worden: de kopieën zijn knullig, zelfs potsierlijk van makelij. Ze hebben maar weinig te maken met het ritme, de verrassing, de spanning van wat op de gevel doorschemert.

Een troosteloze geschiedenis, waar ook de poëzie, trouw aan de lezers, niets meer kan doen dan een paar afscheidswoorden, verder kom ik niet. . .

Addio

Een pelgrim denkt dat hier zijn bedevaart begint: Pavoa, urbs regia, stad der kroningen.

Een kwalijke lucht omlijst de gulden snede, het zandsteen van de gevel licht nog eenmaal op.

Ooit ontworpen strijdtoneel voor levende wezens, tweehonderdvijftig stuks, verdeeld over het front.

Sfinxen, harpijen, ridders, vissen, sirenen, serpenten, centauren, monsters, zielenpoten. .. alles bewoog, een panorama van geweld.

De engel stond en staat. Zijn draak onder de voet. Beiden onaangetast. Hun steen is niet verziekt en wars van kanker gespaard voor chemotherapie.

Als de pelgrim eens terugkeert op zijn schreden, ziet hij een slagveld, kaal. . . en brengt een laatste groet.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden