TUSSEN DE VOGELS OP EEN IJSSELUITERWAARD

Net buiten Deventer, ten noordwesten van de stad, liggen de Keizers en Stobbenwaarden. De zomerdijk vlak aan de IJssel is zo hoog dat je van de nog hogere bandijk bij Rande de rivier zelf niet kunt zien. Wel een dode arm, een vroegere IJsselloop die evenwijdig aan de tegenwoordige rivier in de groene uiterwaard ligt.

Langs een schuin, met puin verhard weggetje dalen we van de bandijk af. Het grasland is pas gegierd, dus we houden onze laarzen niet lang schoon. Het is zwaar bemeste veeweide, dat is duidelijk, al loopt er nu nog geen koebeest rond. Van de vroegere soortenrijkdom in de vegetatie van de uiterwaard mag je geen hoge verwachtingen hebben. Meer grassoorten dan de drie die in alle overbemeste weilanden vrijwel de enige begroeiing vormen, zul je er in lente en zomer niet aantreffen. Het zal er ook niet meer lila zien van de pinksterbloemen.

Rijen meidoorns, vaak onderbroken en vervangen door prikkeldraad, resteren nog van vroegere aaneengesloten scheidingsheggen. De stekelstruiken zijn geknot in een poging het haagachtige karakter te herstellen. Geen enkele meidoorn toont ook maar een begin van ontluiken, zoals de beschut groeiende meidoorns in parken en plantsoenen, die zich nu hullen in een levendig groen waas. Ze hangen vol vuil, dat laat zien hoe hoog het water van de rivier boven de uiterwaard heeft gestaan. Het zijn vooral planteresten, veel verdrogend blad en stengels van lisdodden, en ook stukken verbruind plastic, die door de stromende rivier zijn achtergelaten in de hindernissen, die de struiken vormen. De grond is nog glibberig van de afgezette klei.

Minstens tweehonderd meerkoeten grazen op de oever van de dode IJsselarm of dobberen op het water. Vaak klinkt het hoge 'pieks . . .'. Dicht in hun buurt fourageren kokmeeuwen op de oever. Soms vliegen ze op, een dwarrelende witte wolk over het grijze water. Ze hebben nu bijna allemaal een donkere kop.

Statig varen twee knobbelzwanen voorbij. In de verte lopen nog meer zwanen in het gras. We schatten dat het er twintig zijn, maar misschien zijn het er meer, want de over de velden verspreide troep verliest zich in de verre nevel.

Baltsende futen

'Krrrr, krrrr . . .' klinkt het over het water. Daar drijft een fuut, de roodbruine bakkebaarden wijd gespreid, zodat het van voren lijkt of hij een heel dikke kop heeft. De tweedelige kuif is omhoog gericht en lijkt op twee zwarte horens. Nog eens roept hij, dan bolt hij de witte borst naar voren, laat zijn achtereind half onder water zakken en roeit in die houding snel vooruit. Dan spreidt hij ineens de vleugels en draait die naar voren, terwijl hij de hals plat op het water legt, zijn koptooi nog steeds wijd gespreid. Op de waterspiegel schiet een dunne lijn zijn richting uit, tot vlak voor hem. Dan rijst het vrouwtje plotseling naast hem op in haar volle lengte boven het water, terwijl hij hetzelfde doet. Een, twee seconden staan ze zo borst aan borst, dan zakken ze weer terug. Recht tegenover elkaar liggen ze nu, beurtelings de andere kant uit kijkend. Dan buigen ze tegelijkertijd de hals naar achteren, een paar keer, en vervolgens schudden ze de kop heen en weer. Dat duurt een hele tijd, en dan ineens is een van hen weg. Hij komt een eind verder weer boven met een slappe sliert lisdoddeblad in de snavel, opgedoken van de bodem. De nestbouw is nog niet begonnen, het is alleen maar een ritueel gebaar. Het kopschudden begint opnieuw.

Voorjaarsgeluid

In de verte lawaaien grutto's. Een week geleden verruilden ze de rijstvelden van Guinee-Bissau, Sierra Leone en Senegal voor de groene uiterwaarden. Ze roepen luid hun 'wietowietowiet', een heerlijk voorjaarsgeluid. Soms zijn er wel zeven tegelijk in de lucht. Ze slieren achter elkaar langs de hemel. Soms vliegt er een heel hoog, zich in de lucht wentelend van de ene op de andere zijde en in dezelfde cadans roepend: 'togrut-to-grut-to-grut-to-grut . . .'

Ook de kieviten laten zich horen. Negen duikelende mannetjes tellen we, en vanuit de verte klinkt ijl hun 'kie-oe-wiet'. Duizelingwekkend is hun woeste buiteling tot vlak boven het gras. Dichterbij vliegt een hele troep kieviten op, wel zeventig of tachtig. Er zitten ook spreeuwen tussen. Ze hangen een poosje in de lucht en strijken weer neer. Trekkers op weg naar het noorden, die hier de maag komen vullen.

Het felle roepen van scholeksters is niet van de lucht. Het bereikt een climax als een troepje in een kringetje achter elkaar aan dribbelend allemaal tegelijk 'tepieten'. Er tussen door is even de onmiskenbare roep van een tureluur: 'tjululu . . .'

Het geluid van grote troepen rietganzen dringt tot ons door. We zien ze niet: ze zijn achter de bomen langs de rivier, uit het zicht. Clubjes bergeenden passeren. Vroeger zag je die voornamelijk aan de kust, tegenwoordig is de bergeend in het binnenland geen bijzondere verschijning meer.

Herhaaldelijk komen troepen smienten over. Je herkent de mannetjes in de vlucht aan de witte voorvleugel, die sterk afsteekt tegen het donkergrijs van vleugels, rug en flanken. Maart is een tijd dat heel veel smienten terugtrekken naar hun broedgebieden in Noord-Europa.

Een twintig grutto's suizen voorbij. De vogels vliegen dicht bijeen. Ook zij zijn trekkers, wellicht naar NoordDuitsland, Zuid-Zweden of Polen.

Dode arm

Een witte kwikstaart rent langs de oever van de dode arm achter, voor ons onzichtbare, insektjes aan. Soms stopt hij even, wippend met de lange staart. Ook wij lopen langs het water verder. Speenkruid groeit er nog meer dan gras. Het bloeit nog nauwelijks, hier en daar blinkt een enkel goudgeel sterretje. De oever ligt bezaaid met kleppen van schildersmosselen, de witte binnenkant bleek parelmoerig glanzend. Af en toe schichten watersnippen in grillige vlucht op uit het oeverwater, waar ze in het slik slakjes en wormpjes zochten.

Een plotseling geluid in het water schrikt ons op. Een enorme kolk toont waar we vlak onder de oever een paar snoeken bij het 'rijden' hebben gestoord. Snoeken doen uren over het paaien. Roerloos liggen ze naast elkaar, tot eindelijk het vrouwtje haar kuit loslaat. Het mannetje laat er dan tegelijk zijn hom over uitstromen. Hartstocht die voor ons zichtbaar is, komt er niet aan te pas.

Langs een rij schilderachtige essen, die nog een restant van een veldheg markeren, lopen we naar de bandijk terug. Een torenvalk vliegt op van een paaltje. Twee hazen rennen achter elkaar aan. Het is maart.

fotobijschrift: Essen met wijd uitwaaierende takken markeren waar eens een meidoornhaag is geweest.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden