Tuschinski: glamour en kunstzinnigheid

Zelfs de vloer áchter de electriciteitskasten in de kelder van Tuschinski is van mooi tegelwerk voorzien. Tot in die allerkleinste details, van de diepste krochten tot het verste puntje in de nok wilde Abraham Tuschinski (1886-1942) dat zijn biscooptheater een ongekende luxe, glamour en kunstzinnigheid zou uitstralen. Iedereen, van arm tot rijk, moest die sensatie kunnen ondergaan. Tuschinski, de Pools/joodse immigrant van povere komaf, die onderweg naar Amerika in Rotterdam was blijven hangen en daar zijn eerste filmtheaters opende, wilde op die manier Amsterdam en de Amsterdammers veroveren of liever gezegd: overdonderen. En dat lukte. Maandag 28 oktober is het precies 75 jaar geleden dat het filmtheater aan de Amsterdamse Regulierbreestraat zijn deuren opende. Het verhaal gaat dat Tuschinski de boel voor de grootse opening zó opjaagde - hij bemoeide zich werkelijk met alles - dat een van de werklui per ongeluk onder de vloer van de grote zaal is getimmerd, en pas twee dagen later werd teruggevonden. Nog steeds valt bij de onwetende bezoeker de mond open bij het betreden van de hal, bij de aanblik van het duizelingwekkende interieur: een op z'n zachtst gezegd 'aparte' mix van art deco, de Amsterdamse School en Jugendstil: door het publiek bejubeld, door de kunstcritici destijds verfoeid. De sierkunstenaars Pieter den Besten, Jaap Gidding en de gebroeders Kromhout ontwierpen de talloze muurschilderingen, lampen, stoelen, scharnieren, deurgrepen, kassaraampjes, zelfs deurnummers. Wie vanaf het toneel de grote zaal inkijkt, ook al is het een doordeweekse ochtend en loeien de stofzuigers van de schoonmaakploeg, krijgt het gevoel dat Tuschinksi zelfs de sterren op het witte doek in een bad van luxe heeft wil laten wentelen. De waargemaakte droom van een zakenman, fanaticus en fantast. Met een groot feest maandagavond sluit Tuschinski de jubileumactiviteiten af. Vandaag verschijnt het boek van Henk van Gelder, theatercriticus bij NRC-handelsblad, over het leven van Abraham Tuschinski, dat in 1942 in het vernietigingskamp Auschwitz eindigde. (Nijgh & Van Ditmar, ¿39,90). Begin november begint een uitgebreide nieuwbouw-operatie rond het oude theater. Het complex, onderdeel van de firma Pathé, wordt van zes naar negentien zalen uitgebreid. Als de nieuwbouw af is, gaat 'de oude dame' tijdelijk dicht voor een grondige opknapbeurt.

We krijgen stapels aanvragen van toeristen die hier met bussen tegelijk binnenwillen. Dat moeten we een beetje tegenhouden, maar Tuschinski is ècht tot ver over de grenzen bekend. De VVV stuurde laatst zelfs een folder toe uit China, waar we in vermeld werden. Het ís natuurlijk ook een heel bijzonder gebouw, dat merk je meteen als je binnenkomt. En dat gevoel heeft iedereen die hier werkt ook, zeker de harde kern. Wie in Tuschinski werkt, gaat er helemaal voor. Het voelt ook als een eer om hier te werken''

De barman, 'Skip':

“Ik luister altijd goed naar mensen als ze binnenkomen. Dan hoor je meestal van: 'oh wat is het hier mooi!'. Als mensen Tuschinksi binnenkomen, dan zijn ze meteen uit, zo denk ik vaak. Maar ja, dan ligt het er natuurlijk ook nog aan of ze de film leuk vinden. Met dat soort vragen komen ze zelfs ook naar me toe, maar sinds ik ooit na afloop een paar boze bezoekers aan de bar had, omdat de film niet zo leuk was als ik beweerd had, zeg ik altijd maar dat smaken verschillen.

Eigenlijk heet ik Jan Kuppens. Toen ik hier in dienst kwam, op 24 oktober 1970 was dat, werkte er een meisje dat zei: 'Ik heb een vriend en die heet Skip, en daar lijk jij op.' Sindsdien word ik door iedereen zo genoemd. Ik heb natuurlijk veel wisselingen meegemaakt in die 25 jaar. Eerst was het gewoon Tuschinski, het was een tijdje Canon, MGM, en nu dan weer Pathé. Niet dat ik daar veel van merk, ik doe gewoon datgene waarvoor ik word betaald. Wat wel veranderd is, is het publiek. Dat moet je niet verkeerd opvatten hoor, maar vroeger kwamen de mensen echt gekleed naar dit theater, tegenwoordig is het allemaal vrije tijdskleding, tot en met korte broeken in de zomer.''

De theaterassistent en gids, Ger Denneman:

“Rondleidingen doen we twee à drie keer per week, op aanvraag. In het begin was het een verhaal van krap drie kwartier, maar je hoort en leert er zoveel bij in de loop der jaren, dat je nu zo op anderhalf uur zit. Over ieder hoekje valt wel iets te vertellen, bijvoorbeeld over de wandtegeltjes in de kelder, waarvan het motief celluloid moet voorstellen. Of over de stalen brandwand die ooit boven het toneel hing, voor als er brand uitbrak. Ook die was van allerlei versieringen voorzien, idioot natuurlijk, want als er brand uitbreekt rent iedereen toch de zaal uit? Maar nee, zo was Tuschinski niet. Het mooiste van het gebouw vind ik deze koepel op de eerste verdieping, kijk, het licht verandert langzaam van groen naar geel naar rood, en dan komen steeds andere kleuren van de schildering naar voren. Deze fontein hoort er bij, maar die kunnen we helaas niet aanzetten omdat de mensen haar als asbak gebruiken.

Bijzonder zijn de balkons in de grote zaal. Tuschinksi wilde geen palen, iedereen moest alles kunnen zien, dus hangen de balkons zeven meter de zaal in op een soort wip-constructie. Daardoor verzakken ze een milimeter of drie als het volzit met publiek. Na de voorstelling, als iedereen terugloopt, gaat het hout weer terug op z'n oorspronkelijke plaats, en dat gaat met een flink gekraak gepaard. Dat noemen wij het 'spook' van Tuschinksi, onze eigen huisgeest!''

De kassière, Letty Schutte:

“Ik werk hier al achttien jaar met veel plezier. Het omgaan met mensen vind ik leuk, de humor die je kan maken achter de kassa, de bijzondere aankleding van het gebouw. Mijn hartje ligt echt hier. En je hebt áltijd bekende Nederlanders aan de kassa, meid, ik heb zelfs aan Willem Alexander wel eens een kaartje verkocht, gewoon, zonder poespas. Die stond zomaar met z'n vriendinnetje aan het loket. En een hoop voetballers komen hier 's middags, of Ron Brandsteder, Jeroen Krabbé, tja, wij geven zo langzamerhand eigenlijk geen sjoege meer. Laatst had ik die hockeyer, hoe heet die ook alweer, Floris Jan Bovenlander, op de avond voor zijn afscheidswedstrijd. Ik zeg: 'Jij moet allang in bed liggen joh!' Leuk toch, als je een beetje kunt geinen. De vaste klanten komen op zondagmiddag, oudere mensen, alleenstaande mannetjes. Zelf ga ik niet zoveel, behalve met m'n kleinzoon naar kinderfilms. Anders is het toch net of ik naar m'n werk ga.”

De operateur, Ad van Bruggen:

“Op de televisieschermen in deze ene controlekamer kunnen we alle zalen in de gaten houden. Verder gaat alles in de afzonderlijke projectie-kabines automatisch. Tuurlijk gaat er wel eens wat mis, breekt er een film ofzo. Dat kan hier in Tuschinski heel lastig zijn, bijvoorbeeld als het in zaal drie is. Dan moet je eerst helemaal naar beneden en aan de andere kant van zaal een weer naar boven. En dan heb je net de lift tegenzitten. Naast onderhoud aan de projectoren doen wij ook andere technische klussen, vooral elektriciteit. Tuschinski is absoluut een zeer bewerkelijk gebouw. Er hangen hier bijvoorbeeld ontelbaar veel lampen, elke kap hoort bij een eigen onderplaat, alle lampjes moeten weer precies terug, niets is inwisselbaar. Daaraan merk je dat het allemaal handgemaakt spul is, dat bepaalt natuurlijk ook de sfeer hier.

Je leert zo'n gebouw in elf jaar tijd wel goed kennen, je zit óveral, tussen de verdiepingen, op zolder. De grote lamp aan het plafond van zaal een is drie meter hoog, daar kun je van bovenaf inklimmen als er iets stuk is. Tegenwoordig gaat dat met een gordel om, maar de legende gaat dat er echt wel eens iemand aan die lamp heeft gebungeld! Inmiddels gaat die lamp ook automatisch aan en uit, behalve bij premières. Dan houdt er nog iemand een praatje vooraf en moet het mooi aansluiten. Ook de film gaat dan met de hand. Dat heeft toch iets speciaals.''

De timmerman, Bart van Es:

“Er zijn hier vier man vast in dienst voor het onderhoud: twee voor de technische klussen, twee voor het timmerwerk. Op zolder hebben we een grote werkplaats. We beginnen de dag met het controleren van de stoelen, dagelijks zijn er meestal een stuk of drie, vier die gerepareerd moeten worden. Dan kijken we beneden in de 'telefooncel'. Daar ligt een boek waar iedereen kan noteren wat nagekeken moet worden. Ik werk hier nu een jaar of zeven, jarenlang zat ik in de bouwerij, maar het fijne timmerwerk doe ik toch veel liever, ook in m'n vrije tijd. Er zit natuurlijk heel veel mooi werk in dit gebouw, art deco noemen ze dat. Als er iets stuk is of ontbreekt, kun je gelukkig op andere plekken kijken hoe het precies in elkaar zit. Kijk, zoals die bordjes hier met 'buffet' erop, zoiets vind ik leuk om thuis te maken, met die mooie letters. Er verdwijnt enorm veel door zogenaamde 'souvenirjagers': lampen, deurgrepen, bordjes, hele geluidsboxen, je begrijpt niet hoe ze het door de deur krijgen. Dat kost handenvol met geld.

Natuurlijk is het mijn gebouw, maar dat hoort ook bij mijn vak. Voor reparaties moet je ook vaak je fantasie gebruiken. Sommige houten panelen vallen zowat uit hun lijst omdat ze maar blijven krimpen, dan tikken we er een extra lijstje tegenaan, allemaal zo dat het niet uit de toon valt. Maar met andere dingen is het lastig, zoals met deze lamp waar aan een kant het glas uit is. Dat kun je bijna niet meer na laten maken, onbetaalbaar ook.''

De acteur, Daniël Bossevain:

De acteur wil in de pauze van 'Independence Day', waar hij op deze middag naar is gaan kijken, niet lastig gevallen worden met “werk”. Graag een andere keer. Of het dan een mooie première was van 'De Zeemeerman' vorige week, waar hij een hoofdrol in speelt? Nukkig: Ja, het was een mooie première. En of het bijzonder was om een première in Tuschinksi te hebben? Ja, dat was bijzonder.

De bezoekers, het echtpaar van Mierlo:

Hij: “Wij komen uit Eindhoven maar als we in Amsterdam zijn gaan we eigenlijk altijd naar een voorstelling in Tuschinksi. Het heeft toch veel meer dan een gewone bioscoop, het is toch meer een theater.”

Zij: “Onze zoon woont in Diemen en die zoeken we regelmatig op. Als hij met vakantie is passen we vaak op zijn huis en dan komen we bijna dagelijk in Amsterdam. Dan gaan we ook vaak naar Tuschinksi. Of de film bevalt, Independence Day? Zeker, hij is geweldig, ongelooflijk hoe ze dat allemaal zo kunnen maken.”

De servicemedewerker, Franklin Benito:

“In de jaren zeventig, toen ik theater studeerde, heb ik ook in Tuschinski gewerkt. Dat was een leuke tijd, Jan Timman, de schaker, werkte hier toen ook als student, en die Spong, die nu een bekend advocaat is. In die tijd heb ik ook stiekum heel veel foto's gemaakt, eigenlijk mag dat alleen maar met toestemming van het hoofdkantoor. Ik hou erg van architektuur en zeker van dit interieur, waar je steeds meer over te weten komt. Bijvoorbeeld dat Abraham Tuschinski al dat mooie tropisch hardhout voor een habbekrats in de Rotterdamse heeft gekocht. Het werd gebruikt om schepen in balans te houden en lag maar in de weg. Hij wilde het mooiste, het sjiekste paleis dat mogelijk was.

Ik sta wel met dubbele gevoelens bij de deur kaartjes te scheuren. Ik ben zelf namelijk filmregisseur, ik werkte voor de Nos, voor de Vara, voor de Ikon, noem maar op. In Nederland, België, op de Antillen. Een jaar geleden is het financieel helemaal misgelopen en had ik niets meer. Via een bedrijfleider die ik nog uit de jaren zeventig ken, kon ik hier aan de slag. Het is een fijne omgeving, maar het is wel vreemd als vroegere collega's van mij nu naar een première komen, dat knaagt enorm. Maar ik kom hier wel tot rust. En ik ben nu bijvoorbeeld betrokken bij de regie van een theatraal onderdeel van de voorstelling tijdens de jubileumavond, aanstaande maandag. Want ik wil natuurlijk verder, het liefst zelf een keer over de rode loper hier binnenkomen.''

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden