Turkse partij te vroeg verboden

De Turkse Welzijnspartij is ten onrechte verboden. Een democratisch land zou alleen partijen moeten weren als er harde bewijzen zijn dat de democratie in gevaar is. Anders komt de vrijheid in het geding. Ook in Nederland rammelen de regels voor politieke partijen.

Mag een democratie de vrijheid van vergadering beperken om de democratie te waarborgen en minderheden te beschermen? Deze vraag is actueel nu het Europees Hof voor de rechten van de mens zich heeft uitgesproken voor handhaving van het verbod van de Turkse Welzijnspartij (Trouw, 1 augustus).

Het besluit van het Hof was niet unaniem. Een kleine meerderheid van de rechters ziet in de islamitische Welzijnspartij -inmiddels opgevolgd door de Partij van de Deugd die in juni ook is verboden- een reële bedreiging voor de Turkse seculiere staat. Drie van de zeven rechters waren echter van mening dat het streven van een politieke partij naar doelen die onverenigbaar zijn met de status-quo, nog geen reden is om de partij tot de illegaliteit te veroordelen.

Deze verdeeldheid is begrijpelijk. Necmettin Erbakan, de leider van de verboden partij, was immers ruim een jaar premier van Turkije in een coalitie met andere politieke partijen. De Partij van de Deugd had bij de laatste verkiezingen 15 procent van de stemmen. De vraag is dus of dit voorbarige partijverbod niet haaks staat op fundamentele democratische beginselen.

Artikel 17 van de Europese Conventie voor de Mensenrechten dient om te voorkomen dat groeperingen democratische middelen gebruiken om uiteindelijk de democratie omver te werpen. Je kunt van een democratie immers niet verwachten dat het de wapens voor haar eigen ondergang in handen geeft van anti-democratische krachten.

Wanneer politieke bewegingen actief pogen de democratische rechtsorde te vernietigen moet een democratie zichzelf beschermen en zulke partijen uit het parlement weren. Let wel, het moet dan wel gaan om concrete anti-democratische handelingen of uitspraken. Het verbod van de Welzijnspartij is daarom voorbarig en schadelijk. Het verbod van de partij is niet gebaseerd op officiële documenten van de partij, maar op uitlatingen van enkele kopstukken.

Een verbod puur op basis van een verdenking lijkt ons strijdig met fundamentele democratische beginselen. Een democratische staat die beperkingen oplegt zonder dat zijn voortbestaan in gevaar komt, verliest zijn wezenskenmerk: vrijheid.

De verontwaardiging in Nederland is daarnaast ook zeer selectief. Terwijl alle ogen gericht zijn op Turkije heeft president Poetin vorige maand een wet door het Russische parlement gedrukt die beoogt alle partijen te verbieden die minder dan 10000 leden hebben of in minder dan de helft van de regio's aan verkiezingen deelnemen. Hierdoor dreigt twee derde van alle Russische partijen verboden te worden. Alle democraten in Europa zwijgen.

In Nederland wordt het partijverbod terecht met grote terughoudendheid gebruikt. Slechts viermaal is een partij verboden. In 1894 wordt de Sociaal-Democratische Bond van Domela Nieuwenhuis een rechtspersoonlijkheid geweigerd. Na de oorlog worden alle 'landverraderlijke' organisaties als de NSB verboden en in 1954 zijn opvolger NESB.

Meest recent is het verbod van CP86 in 1998, volgens de rechter een criminele organisatie die de grenzen van de rechtsstaat overschreed. De partij en haar bestuursleden hebben zich, volgens het vonnis, schuldig gemaakt aan langdurige en systematische verstoringen van de openbare orde door het uitlokken van en aanzetten tot vreemdelingenhaat.

Het vonnis stelt dat 'wanneer een partij zich langdurig schuldig maakt aan rassendiscriminatie en zich niks aantrekt van eerdere veroordelingen, een dergelijke partij verboden en ontbonden kan worden'. Dit is in overeenstemming met het criterium dat er daadwerkelijk strafbare feiten tegen de rechtsorde moeten zijn gepleegd.

Minister Sorgdrager benadrukte destijds dat er sprake moet zijn van een 'stelselmatige, zeer ernstige verstoring van het politieke proces' en dat de beslissing voor een verbod verder afhangt van factoren als interne organisatie, verdeling van bevoegdheden en vooral de vraag wie verantwoordelijk is voor de verspreiding van propagandamateriaal. In 1988 is de verbodsprocedure in Nederland vergemakkelijkt. Een wetswijziging in 1998 maakt het mogelijk subsidie en zendtijd in te trekken als een partij wordt veroordeeld wegens discriminatie. Dit is een gevaarlijke weg.

Het verbod van een partij dient in een democratie onder zeer strikte en vooraf gestelde voorwaarden te gebeuren. Fundamentele rechten op meningsuiting en vergadering zijn te belangrijk om onderdeel te worden gemaakt van allerlei politieke machtsspelletjes.

Naast de zeer strikte voorwaarden is het de vraag hoe effectief een verbod is. Zeker zolang partijen in staat zijn zich onder een andere noemer opnieuw te herenigen, is een verbod slechts tijdelijk. Het potentiële electoraat is er immers nog. De vrijheid van vereniging is een fundamenteel kenmerk van een democratie en het opnieuw oprichten van een partij kan dus niet worden voorkomen. Daarnaast is er het gevaar dat de beweging in de illegaliteit nog verder radicaliseert en gewelddadig wordt.

Naast de vraagtekens die te zetten zijn bij de wenselijkheid en effectiviteit van een partijverbod, speelt ook nog het probleem dat Nederland geen specifieke wetgeving kent ter regulering van politieke partijen. Voor partijverboden wordt gebruikgemaakt van specifieke wetgeving (na WO II) of artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht. Dit artikel heeft echter oorspronkelijk tot doel criminele organisaties aan te pakken.

Voor overtreding van dit artikel moet worden aangetoond dat er een misdadig samenwerkingsverband bestaat. Overtredingen van individuen vallen niet onder dit artikel. Over de Volksunie oordeelde de rechter dat de partij handelde in strijd met de in Nederland aanvaarde eisen van openbare orde en goede zeden. Tot ontbinding kwam het echter niet.

Er is dus sprake van diffuse criteria en weinig coherente wetgeving. Er dient in Nederland dan ook meer duidelijkheid te komen over de criteria waaraan politieke partijen moeten voldoen om binnen de democratische rechtsorde te blijven.

Dit geldt zowel voor hoe ze naar buiten treden als voor de interne besluitvorming. Want ook binnen de bestaande partijen is de democratische besluitvorming soms ver te zoeken. Het CDA wijst een voorzitter aan zonder democratische verkiezingen en in alle grote partijen worden leden gereduceerd tot applausmachines op partijcongressen.

Het is hoog tijd voor een wettelijke regeling om democratisch gedrag van politieke partijen en hun leiders af te dwingen. Het ontbreken van een Wet op de Politieke Partijen, zoals die mede voor dit doel reeds bestaat bij onze oosterburen, inclusief criteria voor een partijverbod, is een grote lacune in onze democratie.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden