Tunesië is toch anders

„De Arabische burger is in een ongekende staat van woede en frustratie”, zegt de leider van de Arabische Liga. Wil dat ook zeggen dat de Tunesische revolutie voor een domino-effect gaat zorgen in de regio? Deskundigen denken voorlopig van niet.

Ruim dertig jaar geleden begon de val van het Oostblok in de Poolse havenstad Gdansk. In de haven werd de eerste onafhankelijke vakbond Solidarnosc opgericht, en na aanvankelijke repressie zag de Poolse regering zich genoodzaakt met de organisatie rond de tafel te gaan. Het bleek het begin van het einde: tien jaar na de start van Solidarnosc was er van het Sovjet-communisme niets meer over.

Staat iets soortgelijks de Arabische wereld te wachten? Zullen we over dertig jaar terugzien en Sidi Boezid aanwijzen als het Gdansk van de regio, de stad waar de val van de autocratische regimes in het Midden-Oosten en de Maghreb begon? Het was in dat Tunesische stadje dat de afgestudeerde werkloze Mohamed Boeazizi zichzelf vorige maand in brand stak, en de golf van demonstraties ontketende die uiteindelijk leidde tot de vlucht van president Zine El Abidini Ben Ali.

Andere leiders in de regio zullen zich vertwijfeld afvragen of ze wel veilig zijn. Want ook in hun landen is er de giftige combinatie van jeugdwerkloosheid, inflatie, onderdrukking, overjarig leiderschap, bureaucratie en corruptie, die leidde tot de opstand in Tunesië. Amr Moessa, de vaak openhartige leider van de Arabische Liga, stelde het afgelopen week tijdens een top onomwonden: „De Tunesische revolutie is niet ver van ons”, zei hij. „De Arabische burger is in een ongekende staat van woede en frustratie.”

In de omgeving van Tunesië is de onrust onder de bevolking voelbaar. In Algerije, Egypte en Mauretanië staken mensen zichzelf in brand, in de kennelijke hoop dat hun wanhoopsdaad een kettingreactie als in Tunesië zou veroorzaken. In Algerije werden voedselrellen eerder deze maand hardhandig neergeslagen, met enkele doden als gevolg. Ook in Libië was het onrustig, met onlusten over gesubsidieerde huisvesting.

Maar, menen de meeste deskundigen, dat er onvrede is, wil nog niet zeggen dat de autocratische regimes in Noord-Afrika en het Midden-Oosten straks als dominosteentjes zullen omgaan. (De meeste deskundigen zagen overigens de val van het Tunesisch regime niet aankomen.) Maar als er al ergens iets gebeurt, dan zal het volgens hen in Egypte zijn, het land waar de 82-jarige president Moebarak al meer dan dertig jaar aan de macht is. Dit jaar zijn er ’verkiezingen’, maar of hij zich weer kandidaat stelt is onduidelijk.

De overeenkomsten met Tunesië zijn talloos, schrijft Michael Collins Dunn. De hoofdredacteur van de The Middle East Journal tikt ze op zijn blog één voor één af: „Ouder wordende leider – check. Geen duidelijke opvolger – check. Autocraat die gesteund wordt door het Westen – check. Toenemende afhankelijkheid van veiligheidsdiensten – check. Leider die al aan de macht was toen meer dan de helft van zijn bevolking nog geboren moest worden – check. Corruptie? Economische wanhoop? Versteende bureaucratie? Check en check en check.”

Maar er zijn toch ook verschillen tussen Tunesië en Egypte, geeft Collins Dunn onmiddellijk toe. Neem de rol van het leger. Daarover bestaat enige schimmigheid, maar in ieder geval is duidelijk dat de Tunesische strijdkrachten besloten niet op te treden tegen de demonstranten. Naar verluidt zou de legerleiding Ben Ali ten slotte te verstaan hebben gegeven dat hij beter op kon krassen. Lina Khatib, een Libanese onderzoeker aan de Stanford University in Washington, stelt dat we daarom niet al te ’romantisch’ moeten doen over de Tunesische volksopstand. „Zonder steun van het leger was die helemaal niet mogelijk geweest.”

Of die steun elders beschikbaar is, valt te bezien. Het is precies de relatief onafhankelijke positie van het leger die in de regio ongebruikelijk is, stelt Reinoud Leenders. „Het leger is in Tunesië nooit helemaal geïntegreerd in het regime, zoals dat bijvoorbeeld in Egypte of Syrië het geval is”, aldus de politicoloog en kenner van het Midden-Oosten aan de Universiteit van Amsterdam. „De legerleiding is in Tunesië ook nooit betrokken in de economische macht, zoals in Egypte. Daar zitten officieren in lucratieve zaken.”

Dat dat in Tunesië niet het geval was, vloeit misschien wel voort uit de extreme graaierigheid van Ben Ali en zijn kliek – volgens een onlangs uitgelekt Amerikaans ambtsbericht zou Ben Ali 50 procent van de Tunesische inkomsten hebben verdeeld onder zijn (aangetrouwde) familie. Zo bont maken de andere regimes in de regio het niet – hoewel corruptie ook daar welig tiert. Leenders: „In landen als Egypte en Syrië heerst ten minste enige discipline onder de regimes.” Zij laten de bevolking een beetje meedelen. In Jordanië gebeurt dat via tribale structuren, in de rijkere Arabische landen in de Golf worden burgers simpelweg afgekocht – daar zijn de mensen rijk maar onvrij.

De georganiseerde diefstal in Tunesië mag schrijnend zijn, de inwoners van het land zijn niet zo arm als in Egypte. Sinds de onafhankelijkheid in 1956 is er een relatief grote middenklasse die over het algemeen hoog opgeleid is. Maar voor al die ontwikkelde (jonge) mensen is de laatste tijd geen werk meer, zeker niet zonder de juiste contacten.

Khatib denkt dat de relatieve welvaart en het opleidingsniveau van de Tunesiërs hebben bijgedragen aan de opstand: „Als een bevolking arm is en analfabeet, beschikt ze niet over de gereedschappen om in opstand te komen. Terwijl een volk dat goed opgeleid is, zich bewust is van zijn rechten.” In zekere zin, geeft ze toe, is Ben Ali’s regime dus aan zijn eigen ’succes’ ten onder gegaan.

Leenders noemt nog een factor, die ertoe heeft bijgedragen dat de Tunesiërs de handschoen durfden op te nemen tegen hun dictator. „Tunesië is een vrij homogene samenleving. In andere landen, zoals Syrië, steunt het regime op tribale, etnische of religieuze groepen. Die groepen blijven achter het regime staan, uit angst voor een bijltjesdag.” Zelfs het leiderschap van de Libische president Kadafi is geworteld in tribale structuren. Maar Ben Ali had te weinig vrienden die hem wilden beschermen toen puntje bij paaltje kwam.

Sowieso, benadrukt Leenders, moet niet onderschat worden hoe de Arabische bevolking hecht aan stabiliteit. „Er is in de regio een groot trauma over Irak, dat geldt als een wanstaltig voorbeeld van democratisering. Er is grote angst dat het wegvallen van autocratie zal leiden tot sektarische spanningen.”

Dat geldt voor het multi-etnische Syrië en voor Egypte, waar grote spanningen zijn tussen moslims in christenen. Maar ook voor Algerije. In dat land vond de enige eerdere ’volksopstand’ in de Arabische wereld plaats, in 1988. Demonstraties leidden toen tot de introductie van een meerpartijenstelsel en verkiezingen. Toen die gewonnen werden door de islamisten, brak echter een bloedige burgeroorlog uit die aan honderdduizenden mensen het leven kostte. Leenders: „Er heerst door die ervaringen met geweld een conservatieve attitude in de regio.”

De politicoloog en de Libanese Khatib zijn beiden optimistisch dat de revolutie in Tunesië doorzet, en dat het land naar een opener politiek systeem gaat. Khatib: „Het land heeft veel potentie – er zijn geen etnische spanningen, er is geen oorlog en geen buitenlandse interventie. Dit kan de eerste echte Arabische democratie worden.”

En dat zou op de langere termijn hoe dan ook invloed kunnen hebben op al die andere landen in de regio, zegt Leenders: „Het zou een enorme boost zijn voor activisten overal in de Arabische wereld die hebben geleden onder ’Irak’ en de slechte reputatie van democratie. Dit zou geen Amerikaans model zijn, maar een Arabisch.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden