Tuinhuisje wordt herbouwd Verblijf Betje Wolff en Aagje Deken in ere hersteld

Ze zijn er maar zes jaar geweest, maar niettemin wordt het in volle glorie herbouwd: het tuinhuisje van Elizabeth Wolff-Bekker en Agatha Deken in Beverwijk, beter bekend als de schrijfsters Betje Wolff en Aagje Deken. Hier kwam hun beroemdste briefroman Historie van mejuffrouw Sara Burgerhart tot stand. Nog voor het eind van het jaar zal op het terrein van het voormalige buiten Lommerlust in Beverwijk te zien zijn hoe de twee dames daar werkten.

Betje Wolff en Aagje Deken moeten hartsvriendinnen geweest zijn. Al een jaar voordat Betjes echtgenoot, dominee Wolff, overleed (1777), correspondeerden de twee met elkaar. Toen de dominee eenmaal dood was, trok Aagje al snel bij Betje in de Beemster in. Vijf jaar eerder had Betje Wolff al in haar eentje (anoniem) de satire De menuet en de domineespruik geschreven, maar vanaf het moment dat de voor hun tijd zeer geemancipeerde dames eenmaal samenwoonden, gingen ze ook samen schrijven.

De veronderstelling dat ze daarom ook samen in het tuinhuisje werkten, is niet juist. Daar was het trouwens te klein voor. “Waarschijnlijk kon er niet eens meer dan een stoel in”, zegt ir. P. C. Witte, die als architect deel uitmaakt van de Stichting tot het behoud van het tuinhuisje van de dames Betje Wolff en Aagje Deken. “Ze zaten nooit samen te schrijven. Er heeft nog een huisje op het terrein gestaan, daar schreef Aagje.”

Hoewel de bouw van wat dus eens Betjes tuinhuisje was, pas in september begint en voor het eind van dit jaar afgerond moet zijn, is die officieel al ingezet.

De beschermvrouw van de stichting, mevrouw J. Brinkman-Salentijn, deed dat dezer dagen in Lommerlust, een verzorgingshuis dat op het oorspronkelijke terrein staat en de naam van de sjieke buitenplaats in ere houdt.

Het huisje wordt een replica van het oorspronkelijke, de derde waarschijnlijk.

Dat het originele gebouwtje niet overeind is gebleven, mag geen wonder heten: dat was uit hout en riet opgetrokken, materialen die niet direct geschikt zijn om voor de eeuwigheid bewaard te blijven. “Wij vermoeden”, zegt Witte, “dat er twee replica's geweest zijn, de eerste in de vorige eeuw. Toen de stichting twee jaar geleden begon, stond het tweede nagebouwde huisje er nog, maar dat was een slechte replica. Het was helemaal van hout, de deuren klopten niet en er lag een vliering in, die er nooit geweest kan zijn.”

Van dat exemplaar rest niet veel meer dan een plaatje, want met oud en nieuw is er een vuurpijl binnengegooid, en is het zo goed als afgebrand. Het huisje waarvoor ir. Witte de bouwtekeningen intussen klaar heeft, benadert volgens hem het meest het echte, maar om zover te komen moesten de mensen van de bouwcommissie heel wat speurwerk verrichten. Het meeste houvast hadden ze aan een paar etsen van de in 1789 overleden Caspar Philips Jacobsz, die onder andere meewerkte aan de Atlas van Fouquet en het (Amsterdams) Grachtenboek, boeken schreef over perspectief en dus een betrouwbare informant bleek. Hij moet de prenten gemaakt hebben tussen 1782 en 1786, toen Betje en Aagje daar woonden en werkten. Op een van de prenten staan de boven- en onderdeur open, net als het bovenluik, zodat er een stuk van het interieur te zien is.

Dat het een piepklein huisje geweest is, wordt al snel duidelijk uit een gedicht (1784) onder een van de prenten van Lieve van Ollefen: “Zie daar staat het Geldersch huisje - 't Riete dakje nadren wy - Maar met eerbied: dat dit kluisje - U en ieder dierbaar zij.” Ir. Witte: “Alleen de voorgevel is van hout. Aan weerszijden van de boven- en onderdeur zit een paneel met driemaal zeven ruitjes tussen beukenhouten roeden. Met de fabricage van glas waren ze in die tijd nog niet zo ver dat ze grote ramen konden maken. Aan die gevel zit een halfrond koepeltje van riet, en binnen staat een stoel en een tafel met een lessenaar erop. Aan de afbeelding kun je duidelijk zien dat Jacobsz meer technicus dan kunstenaar was. Hij heeft in perspectief weergegeven wat hij zag.

Wat we uit zijn tekeningen echt niet kunnen achterhalen, vullen we zelf in. De kleuren bijvoorbeeld, die vermoedelijk grijsblauw en rose worden.''

Op de prent zijn verder een boekenplankje aan de wand te zien en geetste portretten van Betje en Aagje. “Voor de inrichting gaan we op zoek naar meubels die er op lijken. Misschien is dit soort tafels en stoelen nog wel in een antiekzaak te krijgen.” Achttiende-eeuwse verlichting of verwarming is geen probleem: “Bekend is dat de dames alleen in de zomer schreven, dus ik denk niet dat ze er verlichting of verwarming nodig hadden.”

Of er historische boeken op het plankje komen, is onzeker. Er bestaat heel wat van en over de schrijfsters in het Betje Wolff-museum in Midden-Beemster, maar omdat er niets aan klimatisering in het huisje gedaan kan worden, vreest Witte “dat oude boeken er binnen een jaar verrot zouden zijn.”

Zelfs naar het soort gewas in de directe omgeving is door een expert gekeken.

Geschoren taxus en haagbeuken waren mode eind achttiende eeuw, en die komen er dus weer, alleen niet zo hoog en niet pal tegen het huisje aan zoals destijds.

De vuurpijl met oud en nieuw heeft de stichting huiverig gemaakt voor vernielingen en lage begroeiing is goed voor de sociale controle. Er komt ook een hek voor dat alleen op aanvraag opengaat, want het is niet de bedoeling het huisje permanent open te stellen.

Bijdragen in natura

De vijftig- tot zestigduizend gulden die de bouw kost, wordt voornamelijk door het plaatselijke bedrijfsleven opgebracht. Om de hele zaak op peil te houden, wil de stichting bijdragen in natura vragen: “Bijvoorbeeld een schildersbedrijf dat het houtwerk gratis schildert in ruil voor naamsvermelding op onze brochures”, zegt Witte, die intussen veel van Betje en Aagje afweet.

Dat de twee eerst samen in de pastorie in Midden-Beemster gewoond hebben, daarna in De Rijp, en vervolgens zes jaar op Lommerlust, het kapitale, door een rijke Amsterdammer gebouwde en door Betje aangekochte buitenhuis met enorme (Franse) tuin en bijgebouwtjes in Beverwijk. Ten slotte vertrokken ze uit angst voor dreigende problemen met de Franse bezetter naar, wonderlijk genoeg, Frankrijk. Ze overleden ook in hetzelfde jaar: 1804, maar daar bestaat geen zekerheid over.

“Indertijd vond ik het vreselijk om verplicht Sara Burgerhart te lezen, maar naarmate je dieper in de geschiedenis duikt, word je steeds enthousiaster.

Verklaren kan ik het ook niet, maar heel Beverwijk heeft iets met Betje en Aagje. Misschien komt dat wel doordat we hier zo weinig monumenten hebben. Er is hier een hele rij monumentale buitenhuizen uit de 18e eeuw geweest, maar die hebben in de jaren zestig allemaal plaats moeten maken voor uitbreidingen. Dat vind ik echt jammer. Nu heeft Beverwijk nog maar vijf gebouwen op de monumentenlijst.''

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden