Trouw - drieënzestig jaar geleden

Elke week kent wel een nationaal hoogtepunt dat reeksen journalisten en burgers in beweging pleegt te brengen. Als er geen Rotterdamse mensaap ontsnapt, dan is er wel een Gronings seksschandaal of een televisieshow met de nier van een ongeneeslijk zieke vrouw als spelobject.

Zoekend naar een actueel onderwerp voor mijn column, constateerde ik tot mijn opluchting dat de aap inmiddels uit de circulatie is genomen, maar tegelijk dat er twee hoogst onfrisse thema’s waren overgebleven waartussen ik enigszins walgend probeerde te kiezen.

Het toeval kwam mij te hulp. Bij het opruimen van een stapel letterlijk zeer gedateerde kranten en bladen stuitte ik op enkele exemplaren van Trouw uit het laatste halfjaar van de oorlog (februari - april 1945). In de kantlijn stonden potloodstrepen die ik als de mijne herkende, verwijzend naar passages die voor huidige jongeren waarschijnlijk middeleeuws aandoen maar die mij destijds blijkbaar hevig boeiden.

De drie nummers verschenen in het bevrijde zuiden, waar ik toen woonde (en weer woon) en behelsden binnen de buitengewoon bescheiden publicatieruimte onder meer een paar artikelen die eerder in het bezette deel van Nederland waren verschenen. Ik raakte bij herlezing zo geboeid dat ik besloot er mijn column aan te wijden, de actuele onderwerpen negerend. Die kunnen altijd nog aan bod komen.

De nummers bevatten allerlei losse bijdragen, van oorlogvrijwilligers en over onderduikers, alsook een historisch relaas over de gedwongen inlijving van 1938 van Oostenrijk bij het Derde Rijk. Het meest indrukwekkend vond ik de brief van een jonge Nederlandse student die in 1942 in Frankrijk ter dood was veroordeeld, geheel vervuld van een poging zijn vader moed in te spreken. De afsluiting bestond uit zes ontroerende woorden: ’Heb geen haat. God bestuurt alles’.

De politieke bijdragen, niet talrijk maar wel overheersend, lieten indringend zien dat de mannenbroeders vastberaden bezig waren de naoorlogse barricaden te beklimmen. Zo richtten ze zich tegen de Nederlandse communisten die eraan werden herinnerd zich in de periode tussen de Duitse inval in Nederland (10 mei 1940) en de Duitse aanval op de Sovjet-Unie (22 juni 1941) ’neutraal’ te hebben opgesteld, niet geïnteresseerd in wat zij beschouwden als een conflict tussen het Duitse en het Britse imperialisme. Pas na juni 1941 begon ’hun’ oorlog. Trouw: ’Ging het in mei 1940 dan niet om de vrijheid?’ Is het niet een vreemd soort vrijheid die verdedigd wordt, indien ze pas telt als Rusland wordt aangevallen? En dan heel scherp: hebben de communisten na mei 1940 niet dezelfde houding aangenomen als de NSB die bij monde van Mussert verklaarde ’met gekruiste armen de oorlog aan te zien’?

Mijn potloodstrepen en uitroeptekens stonden evenwel bij een ander artikel, dat in de toenmalige centrale discussie over nationale eenheid versus nationale verdeeldheid een even helder als stevig standpunt koos.

Ik was destijds twintig jaar en politiek zo groen als gras, maar noemde mij (juist daardoor, vrees ik) met enige parmantigheid ’personalistisch socialist’ – de wat ingewikkelde formule die de Nederlandse sociaal-democraten hadden gekozen om hun streven naar nationale eenheid te motiveren en te vergemakkelijken.

Trouw, bij monde van ene Rudolf van Reest, zag daar totaal niets in. Het gejammer over ’hokjes-geharrewar’ en het gepraat over ’het volk’ en ’volkseenheid’ was in zijn ogen niet anders dan ’koren op de molen van de Nazi’s’ die vier jaar lang hetzelfde hadden nagestreefd.

Heel curieus is de poging van Van Reest om aan te tonen dat het voor de oorlog in Nederland, ondanks al die hokjes, uitstekend leven was. Hij beroept zich onder meer op publicaties in nazikranten die onmiddellijk na de bezetting van ons land indrukken gaven van onze wijze van leven en onze welvaart. Die indrukken waren uitdrukkelijk positief en leken zelfs ingegeven door een gevoel van verbazing dat een democratie zoveel goeds tot stand kon brengen. Van Reest, een tikkeltje venijnig: ’Dat hebben die politieke partijen, met al hun gekibbel en hokjesvormerij toch maar tot stand gebracht. (...) Velen schijnen het allemaal vergeten te zijn’. Maar hij is niet pessimistisch: ’We krijgen de oude politieke constellatie onherroepelijk terug. Niemand behoeft daaraan te twijfelen. (...) Ons volkskarakter spreekt er uit en laat ons daar eerbied voor hebben’. En dan, impliciet Abraham Kuyper aanhalend: ’Niet in uniformiteit – een vloek voor alle leven – maar in pluriformiteit – een rijken Godszegen! – zal ons land en volksleven kunnen welvaren’.

Als halfwas socioloog, gelovend in maatschappelijke verandering en afkerig van een star begrip als ’volkskarakter’, had ik vooral bij deze passages boze strepen gezet. Maar Van Reest zou gelijk krijgen: partijpolitiek gezien was de oorlog geen breuk geweest maar een intermezzo.

De destijds populaire leuze ’Herrijzend Nederland’ kon letterlijk worden genomen, compleet met alles wat in die paar jaar leek te zijn ondergegaan.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden