Review

Troetelprinsen en een treiterkop

Hafid Bouazza, Abdelkader Benali, Mustafa Stitou: allochtone schrijvers lijken inmiddels volkomen geïntegreerd. Ze zijn vol lof over de Nederlandse cultuur - en vallen zelf steeds vaker in de prijzen. Niet altijd terecht, vindt Jaap Goedegebuure, want hun milde, kleurrijke mozaiëken missen vaak spankracht. Maar twee nieuw verschenen migrantenromans, van Al Galidi en van Moses Isegawa, klinken veel bozer en cynischer. ,,Isegawa lijkt niet bij Sheherazade in de leer geweest te zijn, maar bij kankerpitten als Céline en W.F. Hermans.''

Ik herinner me een literair televisiedebat van ruim twintig jaar geleden waarbij de Curaçaose auteur Frank Martinus Arion zich afvroeg waar ze bleven, de schrijvers uit migrantenkringen. Waren zij immers niet de eerstaangewezenen om te berichten over assimilatie, integratie en discriminatie, over het heimwee en hartzeer waaronder hun ontwortelde ouders gebukt gingen, over uitsluiting en gebrek aan kansrijke ontplooiingsmogelijkheden, over alles kortom wat het lot bepaalt van de 'gastarbeiders' geheten landverhuizers die tegen wil en dank hun gelukkige armoe ruilden voor het grote onbehagen in de welvaartsstaat?

Arions desiderata zouden pas decennia later worden gerealiseerd, en niet eens op een manier die hem in alle opzichten zou hebben behaagd. Waar zijn eigen werk 'Dubbelspel', 'Nobele wilden' en 'Afscheid van de koningin' voorop, korte metten maakte met kolonialistische superioriteitsgevoelens, werd er vanaf het midden van de jaren negentig een veel mildere toon aangeslagen. Auteurs van Marokkaanse herkomst, de romanciers Hafid Bouazza en Abdelkader Benali en de dichter Mustafa Stitou voorop, blonken uit in een visie die de ongelijkheid tussen Nederlanders en Medelanders weliswaar benoemde maar tegelijkertijd verhulde onder de spreekwoordelijke mantel der liefde. Ze bleken veel minder loyaal aan de tradities en de grond van hun vaderen dan de argeloze toeschouwer op voorhand zou hebben vermoed. Ze blonken uit in een ironische afstandelijkheid en wilden zich vooral niet laten vastleggen op hun overgeërfde identiteit. Eerder nog maakten ze een réverence naar de culturele waarden en tradities die ze hier hadden leren kennen.

Zo werd Bouazza niet moe om de lof te zingen van ons rijk geschakeerde literaire idioom, van de laat-middeleeuwse abele spelen tot en met de bezielde retoriek van Geerten Gossaert. De Iraanse balling Kader Abdollah ging er prat op het Nederlands in de vingers te hebben gekregen door Annie Schmidts Jip-en-Janneke-verhaaltjes in zich op te zuigen. Hun hoofse buigingen naar Neerlands letterkundige tradities leken af en toe te verhullen dat ze ruim voor hun debuut al de nodige culturele bagage hadden vergaard.

Bouazza, vanwege zijn dikwijls verkeerd ingeschatte exotiek het troetelprinsje van de vaderlandse literatuurkritiek, maakte zich niet alleen sterk als voorvechter van duizend jaar Nederlandse bellettrie, hij deed ook alle mogelijke moeite om onder het stigma 'auteur van allochtone afkomst' vandaan te komen. In zijn beleving is een schrijverschap niet exclusief te herleiden tot etnische of culturele wortels, maar gaat het veeleer om de keuze die iemand uit de wereldbibliotheek maakt om daar vervolgens mee aan de slag te gaan. Een auteur heeft niet zijn bloedverwanten tot naaste familie, maar die collega's in wie hij zijn mentoren en inspiratiebronnen herkent. Zo leerde Bouazza van de Amerikaanse Rus Nabokov hoe hij de werkelijkheid kon omtoveren, van de Argentijn Borges hoe je '1001 Nacht' onorthodox kon gebruiken én dieper kon waarderen, en hoe je met het lexicon van de Nederlandse taal binnen handbereik de flonkering van teloorgegane woorden als 'hilde', 'smuilen' en 'lodders' kon her ontdekken en exploiteren op een manier waarmee je autochtone schrijvers het nakijken gaf.

De combinatie van een bevlogen fantasie en een virtuoze bedrevenheid in het opdissen van sprookjesachtige vertellingen is Bouazza's handelsmerk geworden. De romanstructuur is voor hem niet veel meer dan een raamwerk dat wordt ingelegd met tal van flonkerende steentjes. Met dat al blijft vooral 'Paravion' een prachtig boek, maar dat het zijn kwaliteit eerder aan stilistische brille dan aan een sterke, dwingende opbouw dankt, lijkt me onweerlegbaar.

Het probleem van een gebrek aan spankracht doet zich bij meer migrantenschrijvers voor. Schrijvers die het als stilist tegen Bouazza moeten afleggen, zoals Benali en Allas, breekt dat flink op. Benali's roman 'De langverwachte', om volstrekt verkeerde redenen (de politiek-correcte, die van de positieve actie ten gunste van 'minderheden') met de Libris prijs 2003 bekroond, bestaat uit tientallen verhalen die uiterst losjes met de hoofdlijn van het boek zijn verbonden en zich zonder een duidelijke bedoeling aaneenrijgen tot een kakelbont kralensnoer.

Dan is er ook nog de uit Somalië afkomstige Yasmine Allas. Zij publiceerde afgelopen voorjaar met 'De blauwe kamer' een roman die verbluffend is om zijn taal- en vertelregisters, maar die gelet op de lengte van ruim vierhonderd pagina's ernstig tekortschiet als compositie. Want net als Bouazza's 'Paravion' en Benali's 'De langverwachte' is 'De blauwe kamer' allereerst een kunstig en veelkleurig mozaïek.

Hetzelfde doet zich ten slotte voor bij het onlangs verschenen 'Mijn opa, de president en andere dieren' van debutant Al Galidi, afkomstig uit Irak en evenals Allas, Abdollah en dichter Afshin Ellian in een recordtempo bedreven geraakt in het Nederlands. Al Galidi's roman laat zich lezen als een wrange mengeling van '1001 Nacht', Dante's 'Inferno' en Kafka's beklemmende parabels, 'In de strafkolonie' voorop. De verschrikkingen die het bewind van Saddam Hoessein oplegde aan de Irakezen worden stukje bij beetje ingepast in een compendium van anekdotes, exempelen en wijze lessen, afkomstig van de grootvader van de verteller. Merkwaardig genoeg wordt de veronderstelde onmenselijkheid van opa's uitspraken en handelingen sterker beklemtoond dan de wrede directieven van de Iraakse president. Diens gedrag lijkt vanwege de in het absurde getrokken weergave op het eerste gezicht zowaar onschuldiger, al zal een aangepaste lezing de onschuld trefzeker kunnen ontmaskeren. Neem bijvoorbeeld een moment op de rondgang door de presidentiële martelgalerijen waarbij de verteller helemaal niets ziet. Zijn gids helpt hem uit de droom: ,,Hier wordt het niets gemarteld omdat hij op een dag het lef had het hart van de president in zijn droom binnen te gaan.''

Waar Al Galidi's boek dreigender en ontstellender aandoet dan de gelikte romans van Bouazza en Benali, tapt de Engelstalige Oegandees Moses Isegawa, sinds 1998 wereldberoemd in Nederland vanwege zijn 'Abesssijnse kronieken', uit een net iets straffer vaatje. In zijn nieuwe roman 'Voorbedachte daden' is van mildheid geen sprake, van wrok en woede des te meer. De rancune van Isegawa's hoofdpersoon, Dismas Moesigoeloe geheten, geldt het tot voor kort heersende idee dat we hier in de beste aller werelden leefden.

Om ons te vermaken en te ontnuchteren heeft Isegawa naar het wapen van de groteske gegrepen. Hij herschept Nederland tot Pingeland, een natie die geregeerd wordt door de conservatieve politicus Blaatpan, in naam de kampioen van normen en waarden, in werkelijkheid een technocraat die een beleid voert dat de maatschappelijke tegenstellingen verscherpt en de verzorgingsstaat afbreekt. Blaatpan wordt terzijde gestaan door justitieminister Neushoorn die zich beijvert voor een radicaal uitzettingsbeleid inzake 'proteïnezoekers'. Die vreten immers alleen maar uit de staatsruif. Naast Blaatpan en Neushoorn telt Pingeland nog tal van andere komedianten: Rekken Trent, in zijn kwaliteit van it-tycoon een van Pingelands machtige mannen achter de schermen, de allesbehalve ethisch denkende medicus Best, die lange tijd de controle over het departement van volksgezondheid combineerde met een sleutelpositie in de biochemische industrie, en majoor Aarsen, uitvinder van een dwangbuisachtig pak waarin tegenstribbelende proteïnezoekers soepeltjes kunnen worden uitgezet.

Moesigoela op zijn beurt is een Oegandese vluchteling die zijn heil in Pingeland gezocht heeft. Ooit was hij politieman in zijn geboorteland en in die hoedanigheid heeft hij ervaring vergaard met geweld en geweldsbestrijding. Wanneer we met hem kennismaken, heeft hij een reeks brandstichtingen op zijn conto staan. Zijn reputatie als anoniem terrorist is zo schrikwekkend dat zelfs de landsvorstin er op 'Prinsendag' melding van maken moet.

Naast de verlustiging in rokende puinhopen is het vooral een diepgewortelde woede die Isegawa's hoofdpersoon tot zijn daden drijft. Van enige dankbaarheid jegens het land dat hem heeft opgenomen is geen sprake. Moesigoela steekt de ene tirade na de andere af aan het adres van Pingeland en zijn bewoners. Ze lijken o zo tolerant en gastvrij, maar achter het vernisje van hun zalvend gebazel gaan evenveel racisme en vreemdelingenhaat schuil als overal elders in de wereld.

Het weinig verheffende beeld van Pingeland en zijn bewoners draagt volop het stempel van de actualiteit. Zelfs de echo van het pistoolschot dat Pim Fortuyn velde, dreunt erin na. 'Voorbedachte daden' besluit er immers mee dat de hoofdpersoon, ervan overtuigd dat hij als slachtoffer van de Regelaar (lees aids) niets meer te verliezen heeft, professor Best neersteekt en zich, anders dan Volkert van der G., vrijwillig bij de politie meldt.

Op zichzelf is het niet ongewoon dat een auteur uit de migrantenpopulatie Nederland beschrijft volgens de regels van de groteske vertekeningskunst. Hafid Bouazza, Abdelkader Benali en Kader Abdollah deden niet anders. Maar waar zij kozen voor een vorm van overdrijving die milde spot paarde aan de sprookjesachtige atmosfeer van 1001 Nacht, opteert Isegawa voor een even grimmig als confronterend cynisme. Daarmee is zijn aanpak merkwaardig genoeg veel Europeser dan die van het bovengenoemde trio. Isegawa lijkt niet bij de gracieuze Sheherazade in de leer geweest te zijn, maar bij kankerpitten als Céline en W.F. Hermans. Wie weet wat de allerrecentste ontwikkelingen in het multiculturele drama aan toekomstige literatuur gaan opleveren.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden