Trappisten / Novy Dvur, sober mooi door ruimte en lichtval

West-Tsjechië is wel het meest geseculariseerde deel van Europa, maar juist daar verrijst beetje voor beetje een streng trappistenklooster. Jonge mannen melden zich aan voor een leven van soberheid, broederschap, gebed, arbeid en veel stilte. Een toparchitect zorgt voor passende behuizing.

Het oude kuuroord Mariánské Lázne (Marienbad) in het westen van Tsjechië - opgelapte, vergane glorie van protserige hotellerie in Jugendstil, pasteltinten, vergulde tierelantijnen, met op straat de veelal krakkemikkige klandizie. Twintig minuten rijden, nog voorbij het gehucht Dobrá Voda, te midden van kilometers naaldbos en eenzaamheid verrijst strak en wit, met alleen de sobere harmonie van ruimte en lichtval als versiering, het trappistenklooster van Onze Lieve Vrouw van Novy Dvur.

De cisterciënzer monniken weten al eeuwen dat in die stille harmonie het heilige eerder is te ervaren dan in de drukte van bont, beelden en barok. De Britse architect John Pawson was al beroemd door zijn minimal stijl bij het ontwerpen voor grote opdrachtgevers als Cathay en Calvin Klein. Dat hij nog eens een abdij zou bouwen heeft hij nooit kunnen dromen en dat hij zo kon meegaan in wat trappisten van hun behuizing verlangen was voor hem een grote ontdekking.

Het verhaal van Novy Dvur is eerder op deze pagina beschreven. Hoe een hoge Tsjechische geestelijke -bisschopszetel binnen handbereik- afzag van purper en prelatendom om een streng klooster te beginnen. Het ontbreekt de rk kerk in Tsjechië na de val van het communisme aan alles, materieel, personeel, spiritueel, intellectueel. Maar de monseigneur die nog nooit een klooster had bezocht, nog nooit een monnik had gesproken, slechts de boeken van de Amerikaanse trappist Thomas Merton had gelezen, was overtuigd: voor onze kerk hebben wij (naast veel andere belangrijke dingen) een abdij nodig, een gemeenschap van mensen die bidden en God zoeken.

Een van de weinige bloeiende abdijen in West-Europa is Sept-Fons in de Auvergne. Ze barst uit haar voegen van de jonge internationale aanwas. Daar heeft zich de afgelopen tien jaar een gestaag groeiend aantal jonge Tsjechen bekwaamd in het monnik zijn; de Franse prior en novicenmeester leerden Tsjechisch. En een jaar geleden was het zover. Een eerste groep kon zich vestigen in het gebouw van Pawson, dat nog lang niet klaar is. De abdijkerk bijvoorbeeld is al wel waterdicht en belooft zo te zien een bijzondere ruimte te worden, gestreng zonder kil te zijn, maar af is hij nog lang niet.

Als de klok luidt voor de noon, het namiddaggebed, komen de vijftien monniken naar het provisorische kapelletje. Gemiddelde leeftijd dertig jaar, minder als je de twee ouderen niet meetelt, de Franse overste bratr Samuel en de Nederlander bratr Frederic, de fondsenwerver; een abdij beginnen is een zaak van godsvertrouwen maar ook van volhardend bedelen.

De psalmzang verrast. Ze lijkt niet op gregoriaans geënt of op wat men uit Sept-Fons aan reciteertonen kende. Tsjechisch met zijn tongbrekende klankcombinaties, z'n drzj-es en lngj-es, eist een ander muzikaal stramien met langere frases en meer modulaties. Aan het scheppen ervan wordt bij alle drukte hard gewerkt. Zoiets bestond in deze regio niet, maar moest wel komen want zevenmaal daags Gods lof zingen kan niet wachten.

Heen en weer deint de psalm tussen de rijen monniken links en rechts. Er is nog geen routine, geen esthetische verfijning zoals bij benedictijnen. Vaag roept het rauwe gezang iets op van Slavische liturgie, van weemoed en onstilbaar verlangen.

In West-Bohemen heeft de secularisatie hard toegeslagen. Sudeten-Duitsers werden na de oorlog verdreven, van elders kwamen andere ontwortelden tegen hun zin hier, na de Fluwelen Revolutie nog even ontevreden omdat het leven nog steeds miserabel is. Op papier heet Tsjechië overwegend katholiek, ondanks zijn fiere bijdrage aan de geschiedenis van de Reformatie. Maar kerk en clerus scoren niet hoog in de waardering bij het volk en monnikenleven is totaal onbekend.

Toen de plannen voor een abdij serieus werden, legden de kandidaat-monniken ze voor aan de Tsjechische bisschoppen, kardinaal Vlk in Praag en diens collegae. Allen waren enthousiast en als ging het om de Olympische Spelen prees de ene na de andere bisschop zíjn bisdom aan als de ideale locatie. De een had een aardige pastorie in de aanbieding de ander een best te restaureren voormalig seminarie.

Beleefd zijn de aanbiedingen bekeken. Maar de bisschoppen hadden het eigenlijk niet begrepen, niet willen begrijpen. De mannen van de toekomstige abdij zochten geen parochie waar ze in de vrije tijd monnikje konden spelen, zij zochten echt de absolute stilte, waar ze hun leven van eenvoud, gemeenschap, gebed en handenarbeid konden leiden, niets anders.

De bisschop van Plzen snapte het; hij wist dat op een afgelegen plek van zijn bisdom een vervallen buitenverblijf van paters norbertijnen leegstond, een oude boerenhoeve. Was dat misschien wat? Ze gingen kijken en wisten direct: dit is de plaats.

Broeder Frederic leidt rond langs wat allemaal nog onaf is of waar nog aan begonnen moet worden, zoals het gastenverblijf, het kloosterkerkhof. Overal valt de efficiëncy op maar ook treft de brutaliteit om deze onderneming op te zetten, met straks plaats voor wel veertig monniken. De voorlopige bibliotheek is een chaos van half-uitgepakte dozen - gelukkig zijn trappisten niet van die boekenwurmen. Het scriptorium is een royale kamer waar iedere monnik een piepklein bureautje heeft en een stoel - geen kast, geen computer. Een meter hooguit tussen de bureaus. Boven ligt de slaapzaal: voor ieder een chambrette met een brits en een kastje voor kleren, vier houten wandjes, van boven open, een wit gordijntje bij wijze van deur. Bekend van kostscholen en noviciaten vele decennia geleden, maar nu in 2003? En dan bij architect John Pawson, voor wie een privé-jacuzzi toch geen luxe is? Kun je een moderne jongeman wel vragen alle privacy af te zweren? Broeder Frederic legt uit dat voor trappisten dit radicaal simpel samenleven tot de essentie van het monnikendom behoort. De bezichtigde chambrette is nog onbezet en helemaal kaal. De brits ziet er onmeedogend hard uit. ,,Wij hebben wél een matras, een goede matras'', sust Frederic.

Overste Samuel komt net van buiten, in blauwe overall. Hij heeft een royale werkkamer, een groot bureau, met telefoon, computer, e-mail. Hij vertelt van de wijze waarop zijn klooster aan de kost denkt te komen. De bouw van het klooster moet bij elkaar worden gebedeld, als het geld op is ligt de bouw stil, tot de weldoeners weer met succes zijn opgepord. Maar cisterciënzers willen niet leven van giften maar van het werk van hun handen. Wie kent niet het trappistenbier?

Maar bier is voor père Samuel geen optie. In Plzen is al genoeg bier, zegt hij. Bosbeheer wordt een bron van inkomsten, daarnaast zijn er al schapen en, vertelt hij, we gaan iets doen met cosmetica.

Cosmetica?!

Samuel glimlacht. ,,Nee, niet comme ça!'' Met een zwierig gebaar van oor tot oor doet hij of hij zijn lippen verft. Ze willen een hoogwaardige handcrème maken van natuurlijke ingrediënten. In de taal is 'monnikenwerk' geduld en precisie. Belangrijker is dat de monnik zijn arbeid altijd meteen kan neerleggen zodra de klok luidt voor het gebed. Het werk moet ook met een zeker gemak gaan, niet door te veel tobberigheid en problemen afleiden van het enig noodzakelijke: God zoeken.

Toch zit bratr Samuel iets dwars: zijn dertig schapen. Ze hebben dit jaar niet één lam geworpen. Alsof ze de levenswijze van de monniken navolgen, alsof de monniken niet weten dat om lammetjes te krijgen nog iets anders nodig is dan gebed voor een goede oogst.

www.novydvur.cz (ook in het Nederlands)

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden