Tot vijf tellen

Aan het begin van het nieuwe jaar belicht Trouw werken die een culturele omslag hebben ingeluid. Aflevering 4: Vijf tellen in de maat.

’Eén, twee in de maat // anders wordt de juffrouw kwaad’. Een rigide rijmpje om kinderen in de maat, of liever in het gareel, te houden. Juist kinderen hebben duidelijkheid nodig, en duidelijkheid genereer je het beste met een simpele tweekwarts- of vierkwartsmaat.

’Eén, twee, drie, vier // hoedje van, hoedje van...’ is nog zo’n niets aan duidelijkheid te wensen overlatend kinderliedje. Kun je tellen, tel dan mee. Een stapje verder is ’Eén, twee, drie, vier, vijf // de bakker sloeg zijn wijf’. Dat is qua tekst al veel minder voor kinderen geschikt, maar wie dacht dat we hier vanwege die tekst met een ingewikkelde vijfdelige maat te maken hadden, komt bedrogen uit. Het liedje staat in een simpele tweekwartsmaat, waarbij het woord ’vijf’ gewoon op de eerste tel van de volgende maat valt.

Makkelijke liedjes en een vijfdelige maat, dat gaat kennelijk niet samen. Hoewel in veel volksmuziek een onregelmatige maat in vijf, zeven of negen tellen al sinds mensenheugenis voorkomt – een componist als Bela Bartók was er dol op – is de vijfkwartsmaat in de genoteerde westerse klassieke muziek een zeldzaamheid.

Regelmaat was in al die partituren een groot goed. Vier tellen in de maat, vier maten in een frase, zestien maten in het eerste thematische blok. Ritmische afwijkingen waren er velen.

Zo gebruikte men in de Renaissance al de hemiool (een driedelige puls lijkt ineens in tweeën te gaan), en opvallende syncopen (accenten op verkeerde maatdelen) werden soms met verwarrende consequentie doorgevoerd, zodat je letterlijk de tel kwijtraakte.

Maar een afgebakend stuk, genoteerd in een vijfdelige maatsoort, was zeldzaam. Er zijn vroege voorbeelden uit de 16de eeuw in het ’Cancionero Musical del Palacio’, waarin een aantal villancicos een vijfdelige maat heeft.

Maar het echte omslagpunt ligt in 1733. Voor het eerst wordt in een officiële partituur door een gerenommeerd componist een paar keer een vijfdelige maat gebruikt. Het was geen revolutionaire ommekeer in de zin dat er daarna ineens massa’s componisten waren die met vijf tellen in de maat aan de haal gingen. Maar het moment markeert in die tot dan toe keurig aangeharkte klassieke muziektuin iets bijzonders.

We hebben het over een scène in de opera ’Orlando’ van Händel. Aan het slot van de tweede akte wordt deze Orlando furioso, oftewel waanzinnig. Händel componeert een muzikaal complexe waanzinsscène die tien minuten in beslag neemt en waarin recitatief- en aria-elementen ingenieus in elkaar opgaan.

En dan ineens, als Orlando meent dat hij in Charons bootje stapt dat hem over de Styx zal voeren, schrijft Händel drie achtereenvolgende maten van vijf achtste noten voor, netjes ongelijk verdeeld in drie plus twee. Dan volgt een kort stukje vrij recitatief en vervolgens nóg een maat in vijven.

Er is veel geschreven over dit moment, in Händels tijd al en ver erna. Sommigen zien deze vijf tellen in de maat als een weergave van Orlando’s instabiele geest, anderen beschouwen het als een grap van de componist. Hoe dan ook weerspiegelen de maten het schommelen van Charons boot, maar ook het feit dat iets in de natuur verstoord is.

Sergei Rachmaninov kende Händels ’Orlando’ niet, maar ook hij kreeg associaties met een vijfkwartsmaat toen hij voor zijn symfonisch gedicht ’Het dodeneiland’ op zoek was naar een roeithema. Rachmaninov beeldt hier bootsman Charon uit in een terugkerend 5/8-ritme, net als Händel dat deed, maar bij de Rus is het veel uitgebreider en vormt de vijfdelige maatsoort de basis van het hele stuk. Rachmaninov gebruikt de vijf tellen ook als teken van ademen, van leven dus, en creëert zo een mooie spiegeling van leven en dood.

In de opera bleef de vijfdelige maat na Händel lang uit. Maar toen die terugkeerde was het wel weer in Engeland. Benjamin Britten schreef ter ere van de kroning van Elizabeth II in 1953 de opera ’Gloriana’. Daarin komt het koor ’Green leaves are we’ voor, een hymne voor Elizabeth I met schijnbaar losse pols in een vijfkwartsmaat gecomponeerd.

Nog losser wordt het met Leonard Bernstein. De Amerikaanse componist/dirigent speelde graag leentjebuur bij zijn populairdere collega’s en draaide zijn hand voor gecompliceerde ritmes niet om. In zijn geestig-guitige ’Candide’ uit 1956 schrijft hij onder meer het korte kwartet ’Universal Good’ volledig in vijfkwartsmaat.

Moessorgski gebruikte de vijfdelige maat in zijn ’Schilderijententoonstelling’ in de promenades – het geslenter – van het ene schilderij naar het andere.

Maar de spectaculairste voorbeelden in de klassieke muziek komen van Tsjaikovski en Holst. In zijn Zesde symfonie schrijft Tsjaikovski iets wat lijkt op een gracieuze wals, alleen kun je er onmogelijk op walsen. In dit tweede symfoniedeel probeert de componist volgens sommigen met de keuze voor de curieuze maatsoort afstand te nemen van de vele ’echte’ walsen die hij voor zijn balletten schreef.

Maar bij Tsjaikovski weet je het nooit zeker, en deze verwrongen wals noemt hij dan wel een allegro con grazia, maar de dood danst hoekig en hobbelend mee.

Gustav Holst creëerde met zijn orkestsuite ’The Planets’ een werk dat sinds de première waanzinnig populair is in de concertzaal. De stampende, martiale muziek waarmee Holst de planeet Mars uitbeeldt, staat volledig in vijfkwartsmaat. Holst levert met dit deel een staaltje compositorisch meesterschap af waarin de vijfdelige maat niet meer ’in de weg’ zit, maar juist het attractiefste onderdeel van de muziek is.

Een goed in het gehoor liggend, nafluitbaar stuk muziek in vijven, dat leek lange tijd een mission impossible. Maar het was vooral in de populaire muziek – in navolging van Leonard Bernstein – dat tot vijf tellen hip en swingend werd.

Bekendste voorbeeld is ’Take Five’ van Paul Desmond, beroemd gemaakt door Dave Brubeck en zijn kwartet. Velen in de popmuziek – Jethro Tull, Sting, Led Zeppelin, Radiohead, Pink Floyd – gebruikten met succes de vijf in de maat.

Een wereldhit werd ’Everything’s Alright’, het nummer dat Mary Magdalene in ’Jesus Christ Superstar’ zingt. Componist Andrew Lloyd Webber maakt hier slim gebruik van rusten en accenten om de melodie een echte swing te geven.

Toch keek Lloyd Webber dit een beetje af van veruit de mooiste tune in vijfkwartsmaat: het thema voor ’Mission: Impossible’ dat de Argentijnse componist Lalo Schifrin in 1966 bedacht.

Schifrin liet zich waarschijnlijk inspireren door de titel van de televisieserie. Zo’n onmogelijke opdracht was het nou ook weer niet om een compositie in vijven te schrijven die én nazingbaar was en bovendien in het oor bleef rondzingen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden