Tot slot, ter overweging

Een goede vriendin van mij is met kerstmis in haar parochiekerk naar de nachtmis geweest. Zij is 'van huis uit katholiek' zoals dat tegenwoordig heet, hetgeen meestal wil zeggen dat zo iemand dat huis min of meer uit is. Zij is daar niet gelukkig mee, dat moet er worden bijgezegd, maar ze is toch te eenzaam geworden om het er nog lang uit te houden. Wie heeft zich hier vervreemd van wie, dat is de kwestie.

Hoe het ook zij, ze denkt erover de kerk vaarwel zeggen, net als de velen die haar zijn voorgegaan; maar het is alsof ze, mede terwille van haar kinderen, pogingen doet die stap zo lang mogelijk uit te stellen. Zij kan wel geloven zonder kerk, ze heeft genoeg in huis en ze heeft kostbare herinneringen. Maar hoe moet het met haar kinderen, wanneer die het zonder enige herinnering aan kerk moeten stellen? De geloofsgemeenschap leeft van rituelen en van taal, wát als je met die rituelen niet langer wordt grootgebracht en als je de taal van het geloof niet meer leert?

Met kerstmis is ze, op hoop van zegen, met twee van haar kinderen naar de nachtmis gegaan. Ze had zich erop verheugd: misschien zou er iets van de engelen zichtbaar en hoorbaar worden, je weet maar nooit.

De teleurstelling was groot. Het was er een sfeerloos rommeltje. De pastoor deed nadrukkelijk zo gewoontjes als maar mogelijk: 'Goedenavond, beste mensen, goedenacht, mag ik wel zeggen', - maar voor het gewone was ze niet gekomen, ze had op die engelen gehoopt.

De pastoor las uit het evangelie naar Lucas het verhaal van de herders die uit den hoge vernemen dat de Messias is geboren, en die zich naar Bethlehem spoeden om te vertellen wat de engelen hun hadden gezegd. 'Maria bewaarde al deze woorden, die overwegende in haar hart.'

Maar wat maakte de priester daarvan? Zonder enige eerbied voor de schrijver die dit prachtige verhaal bedacht en vorm gaf, zonder enige huiver voor de heiligheid van deze woorden, wijzigde hij de tekst en maakte er dit van: 'Maria onthield het allemaal goed.'

Dat zei mijn moeder altijd, als ze mij naar de kruidenier stuurde: 'Een pot stroop, een pond suiker, een pak lucifers en een blik doperwten middel II. Zul je het goed onthouden?' 'Ja, moeder, ik zal het goed onthouden'. (En ik héb het goed onthouden, die middel II weet ik nóg, het waren de goedkoopste, van die grote).

Maria onthield het allemaal goed. Is het niet bar? 'Zul je het goed onthouden, Maria, wat de engelen ons vertelden?' 'Ja, ik zal het goed onthouden.' 'Anders schrijven we het met plezier even voor je op, hoor, een van ons kan schrijven.' 'Nee, ik onthou het wel.'

Mijn vriendin wilde op dat moment de kerk uitlopen. Want ze wist: dit is zo banaal, zo verstoken van iedere artisticiteit, het getuigt van zo weinig eerbied voor Lucas en van zo weinig hoogachting voor de mensen hier in de kerk en van zo weinig besef voor de verhevenheid van deze stille, heilige nacht, dat je inderdaad eigenlijk nog maar één ding kunt doen: opstaan en wegwezen. Wat kun je verder nog verwachten dan nog meer geborneerdheid en gebrek aan stijl? Opstaan en wegwezen.

Ik hoor steeds vaker, dat priesters en predikanten met de heilige teksten rommelen. Mag dat zomaar? Waar leren ze dat? En wie leert het ze af?

Laatst nog, het was bij de eerste zin al mis: 'Onze hulp is in de naam van de Heer die niet stopt met wat hij begon.' Opstaan en wegwezen. Of om de lieve vrede nog even blijven zitten maar dan nooit meer terugkomen. Die niet stopt met wat hij begon. Je gelooft je oren niet. Wat is er mis met 'die niet laat varen wat zijn hand begon?'

'U stopt toch niet, hè God, met wat u begon?' 'Ben je gek, nee hoor, ik stop zo gauw niet.' 'Ik dacht echt even dat u zou stoppen.' 'Nee hoor, zo ben ik niet, als ik iets begin, dan maak ik het ook af.' 'O gelukkig. Zei mijn vader ook altijd: je moet afmaken waar je aan begon.' 'Zo is het maar net.'

Vanwaar deze platte taal, vanwaar dit inbreken in de poëzie van de Schrift en de traditie, vanwaar die onbescheidenheid om met een eigen tekstje te komen aanzetten wanneer je de gemeente dienend hebt voor te gaan in de ontmoeting met de Eeuwige, geprezen zij zijn heilige naam? Waarom doe je dat, waarom wil je dat? Het is natuurlijk goedbedoeld, het is een oprechte poging om beter verstaan te worden en dichterbij de mensen te komen, maar in mijn ogen is het een schromelijke vergissing en een geringschatting van het kerkvolk. Je gaat ervan uit dat de mensen voor je maar een klein denkraam en een geringe woordenschat hebben, en in je angst om bijzonder te zijn ga je 'gewoon' doen. Benauwd om voor ouderwets te worden versleten word je 'origineel', en je voelt je kennelijk ook niet geroepen om de ruif eens wat hoger te hangen en enig tegenwicht te bieden voor de goedkope en verloederde taal die de radio en de televisie dagelijks over ons uitstorten: het volk begrijpt weinig, je moet ze dus ook maar weinig te begrijpen geven.

Ik luchtte mijn hart bij een gevangenispredikant. Hij zei: ,,De taal van de zondag, de taal van de bijbel en van de gebeden, kan mij in zekere zin niet 'plechtig' niet 'klassiek' genoeg zijn. Wij kerken in een lelijk zaaltje van het Huis van bewaring waar door de week gepingpongd en gebingood wordt, het ruikt er niet naar wierook, het stinkt er naar rook. Alleen zorgvuldig uitgevoerde rituelen en verheven taal kunnen ons op de dag des Heren helpen ons boven platland te verheffen en het domein van het geloof te betreden. Het is een misverstand te denken dat die dichterlijke, verheven, klassieke taal niet toegankelijk of niet helder zou zijn. Er zitten veel buitenlanders voor mijn neus en ook de Nederlandse gedetineerden hebben doorgaans maar weinig onderricht genoten, maar ze begrijpen donders goed waar het over gaat.''

Een chassidische legende over rabbi Susja zou verplichte leerstof moeten zijn voor iedere priester of predikant die wil voorgaan in de liturgie. Woorden om te bewaren, ze overwegende in het hart:

Rabbi Susja was een wonderlijk man. Hij was de enige leerling die de leer van zijn leermeester, de grote maggid, niet doorgaf. Dat kwam doordat hij niet één voordracht van zijn leermeester had uitgehoord. Aan het begin van zijn voordracht, als de maggid het schriftgedeelte las dat hij wilde uitleggen, begon hij altijd met de schriftwoorden En God sprak... Nauwelijks had hij deze onmetelijke woorden uitgesproken of het werd rabbbi Susja te machtig en hij geraakte geheel buiten zichzelve. Dan moesten ze hem naar het houthok brengen. Daar hoorden ze hem op de wanden slaan en wenend roepen: En God sprak... En God sprak... Wat God sprak heeft rabbi Susja nooit uit de mond van de grote maggid vernomen, alleen dat God sprak.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden