Review

Tot de witte vrouw erbij lag met dat onbegrijpelijke lachje om de mond

Willem Brakman: Het groen van Delvaux. Querido, Amsterdam; 214 blz. - ¿ 37,50.

Hij gebruikt de schilderkunst in zijn literatuur, vermoed ik, omdat een beeld van een grote vertellende kracht kan zijn en als het centrum kan worden beschouwd waar veel verhaallijnen van uitgaan en naar terugkeren. Het beeld zegt zelf weliswaar niets, maar wie er sterk de vertellende suggestiviteit van ondergaat, kan het tot spreken brengen en dat heeft Brakman dan ook meerdere malen gedaan.

Zijn nieuwste roman verwijst tot in de titel naar de Belgische schilder Paul Delvaux, meer in het bijzonder naar het schilderij 'Acropolis' uit 1966, dat ook meteen al op de eerste bladzijde ter sprake komt en in het vervolg niet wordt losgelaten. Terecht laat het omslag het detail zien, waarop een naakte vrouw als een Danaë ligt uitgestrekt op de sofa: deze 'witte vrouw' vertegenwoordigt een specimen in Brakmans werk. De dode Koningin Astrid, “de zo archetypisch in mij opgebaarde”, waart door het hele oeuvre en zij belichaamt zowel liefde als dood, in een onlosmakelijk verband. De kerntekst dienaangaande is te vinden in de roman 'Het zwart uit de mond van Madame Bovary'.

In 'Het groen van Delvaux' treedt een vrouw op die lijkt op de vrouw op de sofa en dus het hele complex van de 'witte vrouw' oproept. Wanneer de hoofdpersoon met haar naar bed gaat of dat althans probeert, is zijn enige streven haar zo neer te leggen als de Delvaux-vrouw en ook Koningin Astrid: “tot ze erbij lag met dat onbegrijpelijke lachje om de mond en geliefde, geliefde dode en de dood in elkaar overgingen”.

Een roman die in veel opzichten voortkomt uit en verwijst naar een schilderij zal beeldend in elkaar zitten, waarmee ik bedoel dat lang niet alle verbanden in zo'n boek ook duidelijk gelegd worden. Zo wijst het 'groen' op een bepaalde stemming, een zeker somber licht dat ook wel het licht van de Haagse Passage wordt genoemd. Het is, volgens de hoofdpersoon die schrijver is, “de ongehoorde groene pracht die in het vertellen kan zijn gelegen”. Synesthesie, de overdracht van het ene naar het andere zintuig, is altijd al een van Brakmans meest geliefde stijlfiguren geweest.

Beeldende romans zijn heel geschikt om mee uit te drukken waar het bij Brakman om draait: om “het omgaan met het raadselachtige der werkelijkheid” en om “het opdoen van grote ervaringen uit kleine”. Het eerste geeft al aan dat er in zulke romans wel veel wordt uitgesproken, maar minstens zoveel wordt verhuld en het tweede duidt op de grote gevoeligheid die Brakmans hoofdpersonen in het algemeen aan de dag leggen voor ogenschijnlijke kleinigheden, waaraan zij de meest vergaande conclusies verbinden.

Zo wordt ook in deze roman weer de voetbal die in de jeugd onverwachts het hoofd treft, een trauma, “een doem, een symbool van wat in een wereld als deze het lot is van de introverte mens, de bezitter van de rijkdommen en alle mogelijke schatten van dat wat men aan- en uitspreekt met het woordje ik.”

Al een van zijn eerste romans heette 'Die ene mens', waaruit kan blijken dat Brakman niet bepaald een liefhebber is van, laat staan een graag deelnemer aan de collectiviteit. Ik zeg dit nu van de schrijver, maar het gaat eigenlijk over zijn hoofdpersonen, die onveranderlijk ingekeerden zijn, mensen van de schemering, vreemdelingen in een niet-begrijpende wereld, praters ook die zich overweldigend willen laten kennen en juist daardoor afstoten. Als de schrijver in 'Het groen van Delvaux' een lezing heeft gehouden, beëindigt hij die nogal geestig als volgt: “Ik wil geen vragen, te zeer ben ik onder de indruk van mijn eigen voordracht.”

Maar toch komt dan nog de enige vraag die geen schrijver bespaard blijft: “Waarom schrijft u eigenlijk?” Met korte tussenpozen volgen daar drie antwoorden op: “Om gekend te zijn en bemind”, “Om herkend te zijn en bemind” en om “Herkend te zijn en toch. . . bemind”.

De schrijver verkeert in een moeilijke positie in deze, want zijn belangrijkste drijfveer is nu juist zich te keren tegen de collectiviteit en zijn uitzonderingspositie te beklemtonen, hij stempelt zich daarmee tot de zieke onder de gezonden, tot de man met het boze oog onder de levensgenieters, en zulke mensen kunnen op weinig goeds rekenen.

Van alle romans van Brakman is deze nieuwe misschien wel de meest maatschappelijke, althans de roman waarin zich het duidelijkst de afkeer van de actuele hordenmentaliteit aftekent. Het verhaal speelt op een hoogst eigenaardig academisch instituut, gevestigd in Starings voormalige woning De Wildenborch, bij Vorden. Twee vrienden, onder wie de schrijver, zijn daar colleges gaan geven en raken verstrikt in allerlei conflicten met ander personeel, studenten en vrouwen.

De precieze toedracht van een en ander behoeft niet te worden uitgelegd, wel moet erbij gezegd dat Brakmans humor in uitvoerige beschrijvingen en redeneringen weer alle gelegenheid wordt geboden. Ook mooie aforistische uitspraken zijn er te over, zoals deze: een schrijver is “iemand die iets juist dan goed zegt als hij het over iets anders heeft”.

De vriend van de schrijver is een Realpolitiker, hij heult welbespraakt met de massa en brengt alles met sociologie in verband, met psychologische, hermeneutische, theologische en nog veel meer eigengereide soorten sociologie. Alles is sociologie, “ook het wachten na het aanbellen hoort tot de sociologie”. De schrijver voelt zich weliswaar belaagd door dit perspectief, maar hij stelt zijn eigenheid veilig door te schrijven en de blik naar binnen te richten, waar buiten bereik van de massa alles van waarde zich nog bevindt.

Hij zit wel op het verkeerde instituut, want De Wildenborch beoogt nu juist op te leiden tot een allround presentie: “Wie dit instituut verlaat, is zowel in staat zich omhoog te werken in een vakbond als om een tafelgesprek te voeren met Spinozisten over het nut der kwaadsprekerij, de doodstraf, de burleske of het construeren van een feministe.”

De roman eindigt met een pleidooi van de schrijver voor de trouw aan de eigen verbeelding en het benutten van de wrijvingskracht tussen isolement en collectivisme. Hekelende passages zijn gericht aan 'de massa' of 'de gewone man' en de massacultuur van “het boek dat het alleen overleeft als boek van de week, de maand, het jaar”. Nadat zijn vriend een meegaand betoog heeft gehouden over het onvermijdelijke en de geheimen van de massaliteit, vraagt de schrijver: “Waar kom ik in dit alles voor?” en het antwoord luidt dan: “Nergens, hoogstens als zonderling.”

Dat is het ideële en maatschappelijke krachtenveld waarin 'Het groen van Delvaux' zich beeldend en met zoveel ironie, humor en verbale verve afspeelt. Intriges en vermommingen zijn er weer genoeg, ze vormen het altijd theatrale aspect van Brakmans boeken, want bij hem is de wereld altijd schouwtoneel. Het decor wordt dit keer gevormd door het intrigerende, blauwgroen bewasemde schilderij 'Acropolis' van Paul Delvaux, een schilderij dat in kleur en voorstelling de sprakeloze samenvatting is van de roman.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden