Toon had de mensen aan een touwtje

Als Toon opkwam, met grijns en pretoogjes, begon het publiek al te lachen. (FOTO ANP)

Toon Hermans, missionaris van de levensblijheid, kon de door hem gepredikte lichtheid zelf niet altijd in de praktijk brengen. Horkerigheid, depressies en het verdriet van zijn jeugd maakten hem tot een complexe man.

’Cabaretier’ wilde Toon Hermans niet genoemd worden. Met de wijsneuzigheid van de cabaretier had hij weinig op „want die wordt meestal door tien, twaalf auteurs bij elkaar gescharreld en door een spreekbuis eruit gewauweld”. ’Volkskomiek’, noemde Wim Ibo hem. Dat vond Toon Hermans wel mooi. Liever dan ’kleinkunstenaar’, want dat was hij niet. „Ik ben een groot kunstenaar!”

Op dat niveau keek hij ook de kunst bij anderen af. Toon spiegelde zich aan Yves Montand (die hem duidelijk maakte hoe de in Nederland nog volkomen onbekende onemanshow eruit kon zien), aan Frank Sinatra (timing) of aan Charles Aznavour (trillend timbre). De artiest Hermans keek over de grenzen van zijn land en de grenzen van genres heen.

Tegelijkertijd bleef hij altijd de jongen van de kleine stad, zijn geboorteplaats Sittard. Veel van zijn oeuvre liet zich terugvoeren op zijn jeugd: anekdotes over armoede, krenking en afwijzing, het prijzen van het niet-weten en de verwondering, en het hekelen van notabelen en gezagsdragers. Het was overduidelijk het werk van iemand die als jong kind door het failliet van vaders bank ’uit het paradijs was gevallen’, dezelfde man in zijn armen had zien sterven en die daarna het leven alsnog kleur probeerde te geven. Toon probeerde zijn moeder op te vrolijken door op tafel te trommelen waarna de broodkruimels op het zeil begonnen te dansen. Hij leerde het theater te zien in alledaagse straattaferelen en leefde zich uit in imitaties van bekende plaatsgenoten.

Typisch Sittards in Toons theaterkunst waren ook de ’sjaele zeiver’, de tot kunst verheven kletspraat, en het ’laammaeke’, het elkaar lam van het lachen maken door komisch doorzeuren over één onderwerp. De artiest Hermans perfectioneerde die plaatselijke specialiteiten en schuwde zelfs de abstractie niet. Marcel Duchamps in het museum opgehangen pisbak in theatervorm: eindeloos dooremmeren over de stoel van je zuster, een pinnetje aan de microfoon, of een assistent een tennisracket uit de auto laten halen en zelf alleen maar wachten. Tussen Jan Hanlo’s gedicht Oote oote boe en Toons lied Boom-si-li-la zat welbeschouwd ook niet zoveel verschil.

Het is een pre dat een theaterdier als Jacques Klöters (ex-lid van cabaretgroep Don Quishocking) de biograaf van Hermans is geworden. Hij weet met kennis van zaken en tot in het kleinste detail te beschrijven wat zijn hoofdpersoon met een zaal deed. Hermans kon ze zo onbedaarlijk laten lachen dat veel theaters na afloop van een voorstelling met nat geplast pluche achterbleven.

Maar achteraf konden mensen nauwelijks navertellen waarom ze nu zoveel plezier hadden gehad. Hij had ze als zonnebloemen naar het licht gekeerd. „Een man die duizenden mensen uitliet. Ze allemaal tegelijk aan een riem hield, aan een touwtje had”, analyseerde Kees van Kooten. „Als hij opkwam, ging de zon op”, zei een van Toons muzikanten. Voor het begin van zijn show kon de komiek, zoals hij dat zelf noemde, zijn gezicht aansteken. Dan voldeden zijn grijns en pretoogjes al om het lachen te laten beginnen.

In interviews liet Toon het voorkomen of hij het op het podium willekeurig uit zijn mouw schudde: „Ik doe maar wat.” Met de werkelijkheid had dat niets van doen. Alleen al zijn opkomst was een staaltje van zorgvuldig ingestudeerde achteloosheid. De toneelfiguur Toon was tot op de millimeter uitgedokterd door zijn vertolker. Even bedacht waren die bruin geschminkte kop en zijn haardracht.

Hij bleef ook voortdurend schaven aan zijn materiaal, was niet bang om gedeeltes weg te gooien. In zijn schminkdoos zat een briefje met aandachtspunten die hij zichzelf elke avond inprentte: hij moest pauzes durven nemen en zijn pauzes afstemmen op de lach van het publiek, als een judoka stevig op het toneel staan en zich toch inspannen om ontspannen te lijken.

Toon Hermans presenteerde zichzelf als de heraut van de zorgeloosheid, als de missionaris van de levensblijheid. Bij mogelijk controversieel materiaal hield hij een slag om de arm: „Dat is ook maar onzin mensen, allemaal gekkigheid.” Die houding kwam hem ook op kritiek te staan, zeker toen vanaf de jaren zestig de maatschappijkritiek zo ongeveer verplicht werd. „Hermans staat in zijn nieuwste programma zo onbedaarlijk moeders straalkachel uit te hangen, dat men er wee van wordt”, schreef Anton Koolhaas in Vrij Nederland.

Hoon was er ook voor Hermans’ dichtwerk. Gerrit Komrij noemde het „een belediging voor dichters. Toon Hermans verwart naïviteit met kinderachtige praatjes, en wat hij voor de eenvoud van de geest aanziet, is niet veel meer dan kalenderwijsheid.”

Klöters ziet zijn onderwerp duidelijk als een groot artiest, maar is niet blind voor de kritiek. Hij verzwijgt evemin de schaduwzijden van de man. Hermans omringde zich – zeker in zijn beginjaren – graag met mindere grootheden om zijn eigen talent beter uit te laten komen. Hij koeioneerde personeel, blafte familieleden en naasten af. De op het podium zo beminnelijke komiek kon in het dagelijks leven een absolute hork zijn, die het uiterste van zijn omgeving vroeg. Veel mensen kwamen bij Toon op een mooie manier, en gingen op een rare manier. Het was de vervelende kant van dezelfde creativiteit en impulsiviteit die hem zo succesvol maakten. Zoals zoon Maurice het formuleert: pa was een lastige man om mee te werken, omdat hij zelf niet wist hoe hij morgen zou denken en al zeker niet dacht wat hij gisteren had gedacht.

De biograaf weet waar hij het over heeft, doorgrondt zijn onderwerp. Tegelijkertijd zet hij Toon bijna op zijn Toons neer, met veel kleur en een zekere speelsheid. Ook de andere twee van de Grote Drie, Sonneveld en Kan, die sneller in de vergetelheid lijken te raken, zouden zo’n mooi portret verdienen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden