Review

Toneelspelen, wat is dat eigenlijk? Dat blijkt nog lastig te verwoorden.

Gele sterretjes spatten van het koningsblauwe boekomslag. Dit boek gaat over hen die 'De sterren van de hemel' spelen en over hoe ze dat doen.

Decennialang volgde Hans van den Bergh (1932), als toneelrecensent bij Het Parool, het vaderlandse theateraanbod. Desondanks ging hem de vraag almaar meer intrigeren: Wat ìs toneelspelen eigenlijk? Hoe komen beroepsacteurs ertoe hun leven lang andermans emoties uit te drukken en hoe spelen ze dat klaar? Om daarachter te komen stelde hij een ellenlange vragenlijst samen, die zo ongeveer alle facetten van het vak besloeg. Vragen over de voorbereiding en het zich eigen maken van een nieuwe rol tot en met de ervaring van een landelijke tournee, maar ook over het zich bewust worden van het eigen talent en de wisselwerking met het publiek.

In 2000 stuurde Van den Bergh de enquête toe aan zo'n vijfenveertig van de naar zijn inzicht “meest memorabele tonelisten“. Het resultaat is onlangs verschenen. Het eerste dat opvalt is met hoeveel zorg, toewijding en zin voor details de aangeschrevenen hebben gereageerd. Met elkaar geven zij een aardig beeld van hoe er van binnenuit tegen het vak aangekeken wordt, soms in eensgezindheid, soms in botsende opvattingen. Dat laatste mag niet verrassend zijn, het zorgt wel voor levendigheid in de lectuur.

Het tweede dat opvalt is de samenstelling van de enquêtegroep. Driekwart ervan is gepensioneerd en de helft daarvan speelt allang niet meer. Niet dat hun denken over het vak niet meer van belang zou zijn, maar deze aanpak is wel erg op de (voormalige) groten van het grote toneel gericht en doet tekort aan de inzichten van huidige generaties begaafde acteurs. Waarom bijvoorbeeld niet een Elsie de Brauw, Ria Eimers, Porgy Franssen, Marlies Heuer, Bert Luppes, Ariane Schluter, Betty Schuurman, Els Ingeborg Smit, Joke Tjalsma, Jeroen Willems benaderd? Vrijwel allen al eens bekroond met prestigieuze toneelprijzen als Theo d'Or en Louis d'Or.

De auteur erkent: “Met name van de jongste generatie ontbreken grote namen als Halina Reijn en Jacob Derwig, omdat ik met hen nog geen vertrouwensrelatie had opgebouwd op grond waarvan ik hen had durven benaderen.“ Nu is vertrouwensrelatie in verband met een enquête een gotspe, maar Van den Bergh gelooft evenmin dat de uitkomsten van zijn onderzoek er heel anders hadden uitgezien. Toch schrijft hij: “Scherp contrasteren vaak de opvattingen van gevestigde grote namen als Ellen Vogel en André van den Heuvel met de visie van belangrijke talenten in de marge van het reguliere toneel, zoals Trudy de Jong en Han Kerckhoffs.“

Met die marge van het reguliere toneel - het vlakke vloertheater, waar bovengenoemde acteurs zijn gepokt en gemazeld - heeft Van den Bergh nooit veel affiniteit gehad. De vlakke vloer, de specifieke eisen die deze aan acteren stelt, komt dan ook niet serieus aan bod. Hooguit in afgeleide en vaak negatieve zin, zoals Henk van Ulsen stelt: “Het kleine spel in kleine zalen verhult soms een onvermogen tot grote expressie“. Evenmin wordt ingegaan op de effectieve, en al jaren aan de opleidingen gehanteerde techniek van improviseren. Gelukkig stipt Petra Laseur het verschil tussen toen en nu aan: “Er werd niet aan je gesleuteld. Je leerde ook niet, zoals nu wel gebeurt, je fantasie te gebruiken voor improvisaties. Dat heb ik voor het eerst gedaan met Gerardjan Rijnders in 'Bakeliet'. Die zeven jonge meiden die erin zaten, die konden dat wel. Dat was een generatiekloof van heb ik jou daar.“

Meer lol beleeft Van den Bergh aan de achtergrondverhalen, de anekdotiek van het toneel. En daar grossieren vooral de oudere acteurs in. De anekdotes rollebollen smakelijk over de bladzijden. Het langste hoofdstuk gaat dan ook over het zogenaamde schmieren, onderlinge grappenmakerij tijdens de voorstelling. Voorbeelden te over. Tegenwoordig gebeurt het nog maar weinig. Sommigen betreuren het teloorgaan van dat kattekwaad. Volgens Piet Römer missen de meesten nu de gave, zijn zij meer acteur dan komediant geworden.

Interessanter zijn de hoofdstukken over het 'opgaan in een personage' of over het nut van imitatietalent en het observeren van menselijk gedrag. Dat laatste wordt door Han Kerckhoffs als modieus gedoe afgewezen, maar Joop Admiraal zit vaak omgekeerd in de tram om mensen te bekijken, omdat een mens veel over zichzelf verraadt met kleine gebaren. Imiteren wordt algemeen beschouwd als een heerlijk talent, waar je met toneelspelen echter niet veel aan hebt. Trudy de Jong: “Imitatie is iets nadoen wat al bestaat. Maar aan het toneel moet je iets persoonlijks ontwikkelen.“ Marieke Heebink denkt tijdens het repeteren wel: “Het moet zo iemand worden, uit die stand of buurt; maar dat is iets heel anders dan één iemand nadoen.“

Toen Anne-Wil Blankers 'Wilhelmina' ging spelen, zei prinses Margriet: “Maar u bent veel te groot!“ Blankers repliceerde dat ze niet op de centimeter was uitgekozen: “Je probeert het mens te pakken te krijgen dat erachter zit. En dat heeft niets met imiteren te maken. Helemaal niets.“ In het verlengde daarvan stelt Carol Linssen: “Toneelspelen is een kwestie van bewust vormgeven. Toneelspelen moet ook herhaalbaar zijn. Dat mag soms vervelend zijn, maar het is de realiteit. Het is godsonmogelijk jezelf honderdzestig keer te verliezen in een rol.“ Daarmee raakt hij aan de discrepantie tussen het spelen van een personage en tegelijk de controle bewaren over jezelf als acteur.

Zo nu en dan schemert er iets door van verschillen en ontwikkelingen tussen vroeger en nu. Ann Hasekamp over bijrollen: “Tegenwoordig moet elke kleine rol het geheel kennen en doorhebben. Maar vroeger kreeg je een schriftje waarin alleen jouw rol uitgeschreven stond met boven elke claus een halve zin van de speler vóór jou als 'wacht'. Je wist dus niet waar het stuk over ging, alles draaide om de hoofdrollen. Toen iedereen een heel manuscript kreeg, was dat tekenend voor een sindsdien volkomen veranderde manier van spelen.“

Kijk, en dat laatste, dat andere spelen, had nader toegelicht moeten worden. Zoiets kan in een persoonlijk interview. Een enquête laat in zulke gevallen grote gaten vallen.

'De sterren van de hemel' is informatief en bevat tal van boeiende observaties van de respondenten, maar een heldere analyse ontbreekt evenals een brede blik op eigentijds theater. Het is vooral, versterkt door elkaar overlappende vragen (en dus antwoorden) teveel. Een al te lijvig zicht op wat er bij acteren als vak zoal komt kijken, waar de kernvraag “Wat ìs toneelspelen?“ in verdrinkt. Maar wellicht is een expliciet antwoord niet te geven, zoals de bejaarde Heleen Pimentel zegt: “Het grootste deel van ons optreden verloopt intuïtief en dus kúnnen we het niet verwoorden“.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden