’Toneelspeelster, meneer’

Dit jaar speelde Sacha Bulthuis nog in het stuk 'Ben ik al geboren'' van Gerardjan Rijnders. (FOTO SERGE LIGTENBERG)

Actrice Sacha Bulthuis (61), die gisteren overleed, was de koningin van de Haagse toneelgroep De Appel.

Toneel was het enige wat ze wilde. Dat wist Sacha Bulthuis al vanaf haar tiende. Op de gebruikelijke vraag van de directeur bij het toelatingsexamen van de toneelschool „En juffrouw, als u nu geen toneelspeelster kunt worden, wat gaat u dan worden?”, antwoordde ze zonder aarzelen: „Toneelspeelster, meneer.”

Sacha Bulthuis werd geboren op 24 mei 1948 in Den Haag in een kunstlievend milieu. Zij ging naar de antroposofisch geïnspireerde Vrije School, omdat die veel tijd besteedde aan creatieve, kunstzinnige vakken, en kwam van jongs af vaak in de Haagse schouwburg. Toen ze daar ’Een midzomernachtsdroom’ zag met Ellen Vogel en Han Bentz van den Berg wist ze heel zeker dat dit was wat ze wilde.

Achteraf was ze er niet rouwig om dat ze een jaar over moest doen op de Amsterdamse toneelschool. Ze was nog erg jong en had tijd nodig om aan het grote leven te wennen: voor het eerst op kamers, de eerste affaires en dan nog alle emoties die inherent waren aan de opleiding. Hoewel zij bij haar eindexamen in verschillende kranten als ’een zeer groot en ongemeen intensief talent dat hoge verwachtingen wekt’ werd beschreven, wilde zij zich liever in de luwte ontplooien. Zij wilde beginnen met kleine rollen „om de schouwburg te verkennen” en koos voor een repertoiregezelschap, Nieuw Rotterdams Toneel. Na school had zij voorlopig geen behoefte meer aan experimenteren, maar wilde het liefst in speelstukken staan met een duidelijk herkenbaar gegeven dat tot zichtbaar vakwerk en geïnspireerde vertolkingen kon leiden.

Haar grote talent was niet onder te schoffelen. Ze kreeg al spoedig belangrijke rollen aangeboden. En in 1974 kreeg Sacha Bulthuis, als jongste actrice ooit, dé toneelprijs in Nederland, de Theo d’Or, toegekend voor haar spel in onder meer ’Een vleug van honing’ en ’Een bruid in de morgen’.

In plaats van vreugde bezorgde het haar angst: „Ik vond het doodgriezelig toen. Alsof je toneel niet voor de lol deed, maar om iets te winnen.” Dieptepunt vond ze het moment, dat publiek al bij haar opkomst in een voorstelling ging applaudisseren.

Toen ze in 1993 haar tweede Theo d’Or kreeg (voor Lotte in ’Groot en klein’) zei ze: „Vandaag heb ik de prijs, morgen moet ik het waarmaken.” Nog twee keer werd ze genomineerd (‘De herinnering’ in 2000 en ’Ben ik al geboren’ in 2009), wat haar eens de ironische uitspraak ontlokte: „Een derde Theo d’Or? Zou goed uitkomen met drie kinderen. Is het gezeik met de erfenis voorbij.” Dat twee van haar kinderen, Aus jr. en Pauline (tweelingzus van Tessa) ook zijn gaan acteren, deed haar vooral plezier toen ze merkte dat beiden talent hadden. Wel hinderde het haar dat zij hen vanwege altijd diezelfde speeldagen niet goed kon volgen.

Zo indrukwekkend en expressief zij op toneel was, zo schuchter was zij als mens. In een interview met haar vader (journalist/poppenspeler Rico Bulthuis) zei zij ooit: „Ik ben van nature verlegen. Ik zoek dingen die ver van mijn verlegenheid afstaan.” Haar vroege succes verklaarde zij in 2003 in Trouw. „Ik ben nooit een mooie jonge vrouw geweest. Dat is een geluk. Ik heb nooit hoeven opkomen als een schattig ingénuetje, maar kreeg meteen rollen van kaliber. Voordeel is ook dat het verval later niet zo toeslaat. Oudere vrouwen spelen kost mij dus geen enkele moeite.”

Na NRT en een paar jaar bij Globe kwam zij, samen met toenmalig echtgenoot en blijvend beste vriend Aus Greidanus, in 1976 bij De Appel. Om er nooit meer weg te gaan. Zij voelde zich er thuis, al had zij weleens vaker uitgeleend willen worden, wat niet altijd in de planning paste. Een regisseur als Gerardjan Rijnders heeft haar na zijn afscheid van Toneelgroep Amsterdam in twee speciaal voor haar geschreven stukken (‘Beroerd’, 2003, ’Ben ik al geboren?’, 2008) geregisseerd.

Voor ’Beroerd’ had Rijnders zich laten inspireren door de beroerte die Bulthuis zes jaar eerder trof en met name door, zei zij: „Die idiote nuchterheid die je krijgt bij zo’n bijna-dood-ervaring. Angst voor de dood ben ik nu helemaal kwijt.” Met de jaren kreeg ze daarentegen al meer speelangst: „Vroeger liep je onbevangen het toneel op. Misschien is je eigen verwachting hoger geworden, maar je beseft tegelijk steeds meer, dat er wat van je verwacht wordt.”

In voorstellingen was daar niets van te merken. Met een zweem van tragiek onder een veelal luchtig ogende speeltrant gaf ze haar personages een authenticiteit, waardoor sommigen persoon en rol weleens vereenzelvigden, zoals gebeurde met haar aangrijpende vertolking van Lotte in ’Groot en klein’. „Als ik echt Lotte was, stond ik nu op het Centraal Station uit vuilnisbakken te vreten,” zei ze geërgerd.

Toneel begon om kwart over acht en om half elf was het klaar, zo simpel was het, vond zij. Even wars van sentiment, eerder ontwapenend nuchter was tussentijds haar spel waarmee zij het publiek door alle lagen van haar rol sleepte. Met een fabuleuze techniek qua stem- en tekstbeheersing loodste zij dat publiek even moeiteloos door het doolhof van soms door elkaar botsende dialogen, zoals in ’Zo eenvoudig is de liefde’ (Lars Norén), een van haar favorieten. Zinnen buitelden doorgaans uit haar mond alsof zij die ter plekke verzon. Haar aardse raffinement en broze gestalte vormden een almaar ontroerender contrast. Zij was de koningin van toneelgroep De Appel.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden