Ton Cuppen 1924-2008

Ton Cuppen, hoofdredacteur van het rooms-katholieke dagblad De Tijd tussen 1965 en 1972, was voor alles een begenadigd commentator.

Jan Kuijk

Hij was verlegen en had een afkeer van zelfverzekerd gedrag, zei Herman van Run – die ooit met Cuppen in de hoofdredactie van De Tijd zat – tijdens de crematie van Ton Cuppen.

Dat is misschien ook de verklaring van Cuppens elegant en vaak ironisch taalgebruik. Een tweeregelig, 33 woorden tellend commentaar van Cuppen, van decennia geleden, zit in mijn geheugen gebeiteld. Het kwam meteen boven toen ik van zijn overlijden hoorde.

Prins Bernhard was op Schiphol teruggekeerd van een zakelijke missie en werd daar opgewacht door een stoet journalisten, opgetrommeld door het ministerie van buitenlandse zaken, want ’de prins had nieuws’. De prins dacht daar anders over en iet zich geïrriteerd ontvallen: ’welke idioot van buitenlandse zaken heeft dit bedacht?’

Het commentaar van Cuppen op het verslag dat over die prinselijke uitval in de dagbladen stond, luidde: „Het hoort tot de goede gewoonten van de Nederlandse pers geen kritiek te leveren op het gedrag van leden van het koninklijk huis. Nu moet de prins het ons niet te moeilijk maken.”

De ironie verliet hem ook niet toen hij op het eind van zijn leven langdurig met zijn gezondheid moest tobben, want hij vatte zijn toestand in een brief aan Van Run samen als: „De geneesmiddelen walsen vrolijk door mijn hersenpan. Ik doe meer, slaap korter en ben vriendelijker in de omgang. Kortom: ik ben een beter mens, dat denk ik van harte’. Van Run, die deze zelfspot bij de crematie citeerde, kon er ook niet aan voorbij dat Cuppen niet de erkenning kreeg die hij verdiende omdat hij „niet de slinkse wegen kende om al wat hij deed en kon in de etalage van de publiciteit te zetten”.

Dat was een understatement, een vingerwijzing voor de ingewijden naar de lijdensweg die hij ging in de nadagen van ’De Tijd’, toen de katholieken in de jaren zestig naar alle kanten wegstoven en van de krant uitspraken verwachtten, „die zelfs de bisschoppen niet konden en wilden geven”, zoals Cuppen zich intern verdedigde.

Er liepen ook nogal wat Tijd- abonnees weg en dat was uiteraard tot ongenoegen van de VNU, de uitgeversgigant waar voor De Tijd alleen rode cijfers werden genoteerd (wat een boze niet-lezer op de aandeelhoudersvergadering tot de conclusie bracht dat er binnen de VNU-gelederen sprake was van ’een dure maîtresse’). Alles resulteerde, als begrijpelijk, in veel intern onderzoek en menig rapport. Cuppen moest daar tussendoor, begeleid door een compleet VNU-managementteam, op vrijersvoeten om samenwerking, eventueel zelfs een ’mariage de raison’ – eerst met Trouw, later met de NRC en het Handelsblad – te bewerkstelligen. Tevergeefs.

In haar grote wijsheid had inmiddels de VNU-leiding besloten tot versterking van de Tijd-hoofdredactie in de persoon van Joop Lücker. Deze had voor de oorlog bij De Telegraaf gewerkt, was er na de oorlog in geslaagd de Volkskrant uit te bouwen tot een moderne populaire kwaliteitskrant. Knap werk, maar de manier waarop beviel op den duur zowel een deel van de redactie als de directie maar matig, zodat hij zich in 1964 moest terugtrekken.

In de hoop dat Lücker hetzelfde kunstje als met de Volkskrant nog eens met De Tijd zou herhalen, had de VNU hem aangetrokken. Maar al nam hij de populaire Tom Poes-strip mee van de Volkskrant en probeerde hij Godfried Bomans bij De Tijd in te lijven – het lukte niet. Lücker, die al gauw werd aangeduid als ’Meneer Vandaag’, beet zijn tanden stuk op ’de getalenteerde eigenheimers’ waaruit volgens Tijd-redacteur Ben Kroon de redactie was samengesteld. Met een ’studieopdracht’ heeft de VNU-directie na een paar jaar Lücker van De Tijd losgemaakt.

Wie in het boek van Nico Schrama over De Tijd de verwikkelingen in en om de redactie leest, kan begrip opbrengen voor het besluit van Cuppen om in 1972 De Tijd in te ruilen voor de hoofdredactie van de Spectrum-encyclopedie. Twee jaar was De Tijd toen nog als dagblad gegund. Het laatste nummer verscheen op 31 augustus 1974.

Cuppen keerde van 1976 tot 1981 terug in de journalistiek als commentator bij NRC Handelsblad waar hij zich vooral bezighield met sociaal-economisch problemen; zaken die niet direct om verbale hoogstandjes vragen. De sfeer in de commentaarkolom van de NRC is daar trouwens ook niet naar.

Toch blijft onverkort waar, wat Herman van Run in het laatste nummer van De Journalist schrijft: „Waardoor zal Cuppen het meest in herinnering blijven? Door wat zijn grote talent was: scherpzinnig en geestig schrijven”.

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden