Tommy Wieringa: Roddelen is gezond

"Ik heb vriendschappen met een paar schrijvers, maar die zou je ook kunnen beschouwen als niet-aanvalsverdragen. Zo hoort het. Er is niets mis met een flinke dosis afgunst." (MARK KOHN)

Tommy Wieringa (Goor, 1967) is schrijver. Hij brak in 2005 door met de roman ’Joe Speedboot’. In 2009 schreef hij ’Caesarion’. Onlangs verscheen bij De Bezige Bij ’Ga niet naar zee’, een selectie korte stukken die leest als een autobiografie. Wieringa schrijft dit jaar het Groot dictee der Nederlandse Taal.

I Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben

„Van mijn moeder heb ik de magie met scheppen meegekregen. Ik herinner me dat ik op een dag een paar flessen troebel water in de koelkast zag staan. ’Wat is dit?’, vroeg ik. ’O, water uit de Ganges’, zei mijn moeder. Je zag er de asdeeltjes in drijven, de droesem van duizend lijken uit de heilige rivier. Ik keek er niet eens zo van op; elk geritualiseerd geloof krijgt een soort normaliteit en je past je nu eenmaal snel aan andermans malligheden aan. Mijn vader is een late bekeerling. Op een dag lag er een bijbel op zijn nachtkastje. Het Oude Testament vindt hij een verschrikkelijk boek. Hij leest alleen het Nieuwe, al twintig jaar lang.

Ik zou mijn ouders religieus willen noemen, maar daar zullen ze het geen van tweeën mee eens zijn. Mijn moeder zegt: ’Ik geloof niet, ik wéét’.

Mijn zusjes waren van de zeehondjes, ik van de indianen. Ik schreef, zonder weet te hebben van hun verschrikkelijke misdaden, met indianen die in de gevangenis zaten. Wakan Tanka, de Grote Geest van de Sioux, was een tijd lang mijn schutspatroon. Daarna was ik tegen de kruisraketten, toen een paar jaar anarchist en ten slotte geloofde ik helemaal nergens meer in. Niemands meester, niemands knecht. Het is zowel het adagium van Jaap Scholten als van A.L. Snijders en ik sluit me graag bij hen aan.

Ik kijk nog steeds vol verbijstering naar mensen die wel geloven. Laatst klopten er twee mannen bij mij aan. Het slot van de voordeur is stuk, dus ik stond hen, met mijn dochtertje op de arm, door het open raam te woord. Ik wist meteen wie ze waren en wat ze wilden. Voor dat soort gelegenheden heb ik een prachtige tekst van Bertrand Russell paraat, uit ’Waarom ik geen christen ben’: ’Ik vind de grote godsdiensten van de wereld – het boeddhisme, hindoeïsme, christendom en de islam, plus het communisme – zowel onwaar als schadelijk. Als men het logisch bekijkt is het duidelijk dat slechts één ervan waar kan zijn, omdat zij niet overeenstemmen. Op zeer weinig uitzonderingen na is de godsdienst die een mens aanvaardt die van de gemeenschap waarin hij leeft, hetgeen er duidelijk op wijst dat het de invloed van de omgeving is die hem ertoe gebracht heeft de godsdienst in kwestie aan te nemen.’

Terwijl die twee mannen, met de Wachttoren in de hand, verbijsterd naar mij luisterden, werden ze alvast vrolijk door mijn dochter van negen maanden uitgezwaaid. ’Daag, dahaag!’ Zonder iets van hun ernstige boodschap kwijt te hebben gekund, zijn ze weer vertrokken.”

II Gij zult u geen gesneden beeld maken noch enige gestalte van wat boven in de hemel, noch van wat beneden op de aarde, noch van wat in de wateren onder de aarde is

„Op mijn elfde maakte ik voor mijn moeder, die toen een hooggehakte verkoopster bij de ECI was, een poppetje van DAS-klei dat ze voorin haar auto moest zetten om haar te beschermen op reis. Jaren later vond ik het ergens onderin een doos. Nu staat ’ie op mijn dashboard, met een Ganesh die volgens mijn moeder obstakels uit de weg ruimt en allerlei andere rommel. Je moet mijn auto eens zien man, het lijkt wel een letterbak. Het is gesublimeerde doodsangst, een vorm van animisme. Ik zou niet weten waar het anders toe zou dienen. Het is van hout, klei of plastic, het heeft geen esthetisch doel of intrinsieke waarde, maar als ik bepaalde objecten niet bij me heb, word ik behoorlijk zenuwachtig.”

III Gij zult de naam van de Here, uw God, niet ijdel gebruiken

„Ik denk aan de Tweede Kamer, waar Wilders staat te vuilbekken en het proces van langdurige onderdrukking dat beschaving heet vlot teniet wordt gedaan. De straat is naar de instituties gekomen en je krijgt haar er nooit meer weg.

Onzorgvuldigheid is de norm. Confucius waarschuwde al dat maatschappelijke erosie begint met onzorgvuldig taalgebruik – dat legt de bijl aan de wortel van de moraal, de kunst en de rechtspraak. Je ziet die erosie ook terug in de literatuur. Er worden veel boeken verkocht, maar het aantal literaire titels in de CPNB top-60 – zorgvuldig geschreven, zorgvuldig overwogen, in een taal die niet slechts dagelijks en functioneel is – is niet indrukwekkend.

Op scholen: zeldzaam zijn de leerlingen die nog een echt boek hebben gelezen. De roman is een traag ding. Het schrijven ervan verloopt traag en het lezen is ook een traag proces. Misschien zijn wij de laatsten die ermee zijn opgevoed, de traagheid, waarmee de roman niet overbodig is geworden, maar domweg uit de tijd valt.

Het woord taak is mij te actief, maar ik heb wel een functie. Ik moet misschien de goede, oude wereld vertegenwoordigen en hier en daar een kind met een brein dat nog op traagheid is ingericht iets bieden wat hem vreugde en inzicht verschaft. Inzicht, daar gaat het om. Diep doorleefd inzicht in het leven van de ander. En dan zijn we terug bij de politiek. Deze regering staat in het teken van radicale onbarmhartigheid. Wilders, Rutte en Verhagen zijn niet geïnteresseerd in de ander. Elk begin van een voorstellingsvermogen wordt gesaboteerd. De ander bestaat niet meer. En als je hem niet ziet, wat interesseert hij je dan nog? Je raakt pas geïnteresseerd als je die ander aan kunt raken. Fysiek of geestelijk.

Dat zou mijn functie kunnen zijn: via mijn romans een ongevoelig hart tot empathie bewegen.”

IV Gedenk de sabbatdag, dat gij die heiligt, zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen; maar de zevende dag is de sabbat van de Here uw God, dan zult gij geen werk doen

„Het is verrukkelijk om naar een klooster te gaan en aan een tafel te zitten, in een cel waar niets te vinden is. Helemaal vrij, verlost van mijn eigen pathologie. Dat is waar het hele kloosterbestaan om draait: hoe benader je de leegte zo dicht mogelijk? Maar goed, ik moet er niet te warm over doen; ik zit er voor mijn werk, niet voor de religieuze ervaring.

Die wens, de zoektocht naar transcendentie, heb ik opgegeven. Ik ben niet voor de stilte, de leegte, gemaakt. Er is maar één manier: zonder vrouw, zonder kind, in armoede leven. Ik heb het lang gedaan. Al mijn vrienden leefden een burgerbestaan met echtgenotes, nageslacht en hypotheken. Eerst waren ze jaloers op mijn vrijheid, later werd ik een beetje meewarig bekeken. Zo rond mijn drieëndertigste zei één van hen tegen mij: ’Als je op deze manier doorgaat, schiet er straks alleen nog zo’n rare vrouw in een zelfgebreide trui voor je over’. Die opmerking heeft wel enige angsten wakker gekust. Uiteindelijk leef ik nu toch, 43 jaar oud, hetzelfde leven als zij.”

V Eer uw vader en uw moeder

„Ik heb een paradijselijke jeugd op Aruba gehad. Toen ik negen was zijn we er vertrokken. Dat vond ik vreselijk. Vervolgens ging het tweede bastion eraan: het huwelijk van mijn ouders ontplofte. Vanaf dat moment was het toezicht gebrekkig; slechts één paar ogen hield me nog in de gaten. Ik denk dat het eren van een vader en een moeder je in een solide gezinsverband iets makkelijker afgaat. Ik ben mijn ouders al op vroege leeftijd als gelijken gaan beschouwen, iets wat ze op grond van hun functie en leeftijd niet waren. Een zekere distantie – zodat je niet zo feilbaar bent – is wel zo nuttig, ook voor het geloof in andermans autoriteit.

Ik woonde bij mijn vader in Geesteren en reisde elke dag – twee uur heen en twee uur terug – met de trein naar school in Zutphen. Ik heb uitgerekend dat ik tussen mijn elfde en mijn achttiende zeven keer de aarde ben rondgereisd. Ik heb in die periode zo’n 260.000 kilometer afgelegd. Het was een periode van onmacht, woede en vrolijke anarchie die erin resulteerde dat ik niets meer van mijn ouders geloofde en niets meer van ze aannam. Ik werd opgevoed door vrienden die me het vandalisme leerden, de onverschilligheid en het radicale ongeloof in alles.

Ik heb mijn ouders veel kwalijk genomen: de oppervlakkige belangstelling, het egocentrisme eigenlijk kwam het erop neer dat ik hen verweet dat ze een leven hadden naast mij. Dat gevoel, die verongelijktheid, heb ik vrij lang volgehouden. Tot ik op een dag besloot ik dat wat er tussen ons in stond moest worden weggeruimd. Ik wilde niet dat we nog op slechte voet zouden staan, als de dood plotseling tussenbeiden zou komen. Ik vond dat ik niet langer met die blik van een twaalfjarige naar hen mocht kijken.

Het krijgen van een kind gaf onze verhouding ook een andere wending. Het gezin is een fantastisch oeronderwerp. Ik bevind me nu in positie waarin zij verkeerden toen ik nog klein en onmachtig was. Fascinerend. Ik zie andere mensen. Unieke, onherhaalbare karakters. Ook als ik niet hun kind was, zou ik die mensen heel bijzonder vinden.”

VI Gij zult niet doodslaan

„In Nederland bestaat de pacifistische moraal: een kindje pakt niet terug wat hem wordt afgepakt, soldaten – of het nou in Srebrenica of Afghanistan is – wordt laf gedrag verweten. Van opvoeding tot krijgsbedrijf: we zijn de omgang met geweld verleerd. Daardoor heeft de rol van die Marokkaanse klootzakjes zo groot kunnen worden; er zijn maar weinig burgers of agenten die durven in te grijpen. Angst, in de schulp kruipen, slachtoffergedrag.

Volgens mij gaan de slachtoffercultus en de pacifistische moraal hand in hand. We moeten gewoon een beetje weerbaarder worden en niet meteen zo schrikken van een beetje agressief gedrag. Luidruchtige jongetjes in de klas: goede, roodbloedige agressie. Dat is alles. Als je weet hoe je ermee om kunt gaan, hoef je er niet bang meer voor te zijn.

Als lange, dunne jongen, uren onderweg in de trein, was ik vaak de lul. Toen ik die angst beu was, ben ik gaan rugbyen. Op het rugbyveld, gecontroleerd en met spelregels omhangen, heb ik uitstekend geleerd hoe ik mezelf moet verweren. Ik ben niet zo bang meer.

Ja, nu alleen de doodsangst nog Eerst was het de angst voor mijn eigen dood, maar daar is een verdieping bovenop gekomen: angst dat mijn dochter zonder vader komt te zitten. Ik denk er maar niet te veel meer over na. Aan het boeddhisme had ik niks, het christendom heeft me niet geraakt; het enige wat helpt is af en toe Montaigne lezen. Filosofie is leren hoe je moet sterven. ’Wat dacht je dan? Dat je niet al die tijd onderweg was naar waar je nu bent aangekomen?’ Daar even over doordenken. Dat helpt. Eventjes.”

VII Gij zult niet echtbreken

„Wat je eigenlijk wil weten is: neuk je buiten de deur? Op zich geen gekke vraag, maar ik zou wel gek zijn om daar ja op te zeggen. En als ik nee zeg vind je me een laffe ontduiker. Elk antwoord is onbevredigend of brengt problemen met zich mee.

Ik zal je een anekdote vertellen. Niet lang geleden kwam er in een café in Amsterdam een vrouw naar me toe die een paar weken eerder bij een lezing was geweest. Ik herinnerde me haar gezicht. Ze deed aanminnig en vertelde hoe ze heette. Daarna ging ik een eindje verderop zitten, om te eten met een vriend. Aan het einde van de avond passeerde ik haar op weg naar de uitgang. Ze vroeg: ’Zou ik je ertoe kunnen bewegen om mij volgende week op dezelfde tijd en plaats weer te ontmoeten?’. Ik zei: ’Mevrouw, niets liever, maar ik wil graag eenvoudig leven’.

Het mag de levende hel zijn om de natuur de kop in te drukken, toch valt er veel te zeggen voor het comfort van de orde, de orde van mijn bestaan met iemand van wie ik houd. En die dingen zijn me lief.”

VIII Gij zult niet stelen

„In mijn dagboeken hield ik lijsten bij van de dingen die ik stal: spuitbussen, autobanden, kratten, bakken met sieraden, stiften, fietsen – die ik doorverkocht aan het asielzoekerscentrum – knipmessen, klapmessen, hele bakken vol. Eigenlijk stal ik alles wat, als je er even aan morrelde, los bleek te zitten. Er is een einde aan gekomen toen mijn stiefmoeder op een dag tegen mijn vader zei: ’Je zou eens moeten meten hoeveel boeken er per week bijkomen in zijn kast’.

Als ik die dagboeken teruglees, zie ik een volkomen losgeslagen jeugd. Ik kende aan weinig dingen waarde toe. Ik schrik van de radicaliteit, maar ook van de eenzaamheid. Het is vragen om respons, kijken hoe ver je kunt gaan tot iemand zegt: is het nou eindelijk een keer afgelopen? Zo lang dat niet gebeurt, ga je verder, en verder.

Die grenzenloosheid had iets buitengewoon treurigs, ook al herinner ik mij met name de euforie. Ik was twaalf, dertien jaar oud en ik vernielde wat ik wilde vernielen. Ik had het idee dat ik daarmee een beetje invloed kon uitoefenen op de buitenwereld. Over geweld is heel wat te zeggen, maar er gaat een behoefte aan geweld aan vooraf. Díe moet je onderzoeken.”

IX Gij zult geen valse getuigenissen spreken tegen uw naaste

„Als er één dynamiek is die ik gezond vind, is dat roddel. Ik heb een vriendenkring die bestaat bij de gratie van wat we over elkaar zeggen als we er zelf niet zijn – in voortdurend wisselende samenstellingen. Geen vuige roddel nee, maar het is wel roddel. We scheren al twintig jaar langs de rand, heerlijk

Wat kan mij die valse getuigenis eigenlijk schelen? Al die keurige gedachten, ik wil ze niet meer! Ik wil er vanaf. Ik wil weer een egocentrische rothond wezen. Terrein terugwinnen, ruimte om te schrijven. Voor je het weet leef je alleen nog voor de ander en de verplichtingen.

Ja, ja, ik weet wel wat ik heb gezegd over empathie en het leven van de ander en zo, maar dat is alweer een uur geleden. Je verwacht toch niet dat je hier aan tafel zit met een man uit één stuk?”

X Gij zult niet begeren uws naasten huis; gij zult niet begeren uws naasten vrouw, noch zijn dienstknecht, noch zijn dienstmaagd, noch zijn rund, noch zijn ezel, noch iets dat van uw naaste is

„Ik ben een grijpgrage aap. Begeerte, jaloezie: het is er allemaal. Laatst sprak ik met een groep studenten van de schrijversafdeling van de Rietveldacademie. Daar leren ze schrijven en beoordelen elkaars werk, het deed me denken aan het leven in een commune. Ik vertelde over mijn omgang met andere schrijvers en over hoe vervelend het kan zijn om in een schrijverscafé te komen, omdat het eigenlijk onbestaanbaar is dat er nog zo iemand rondloopt als ik. Een schrijver leert in volstrekte afzondering en eenzaamheid wat hij moet doen. Hij waant zichzelf in een uniek en onherhaalbaar universum, maar zodra hij zijn kamer verlaat, ziet hij dat er talloze universums bestaan waarin zich mensen ophouden die precies hetzelfde doen als hij. Dat is een brutaliteit, een affront.

Je zult een Nederlandse auteur zelden horen zeggen dat hij een tijdgenoot waardeert. Zijn favorieten zijn meestal oud, dood of ze komen uit het buitenland en worden slechts door weinigen gelezen. Ik heb vriendschappen met een paar schrijvers, maar die zou je ook kunnen beschouwen als niet-aanvalsverdragen. Zo hoort het. Er is niets mis met een flinke dosis afgunst. Bewondering is tenslotte niets anders dan het zondagse gezicht van de naijver.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden