Tomas Ross Het woord moest verspreid worden

Tomas Ross, pseudoniem voor Willem Hogendoorn (Den Bommel, 1944) is schrijver, bekend geworden in het zogenoemde faction-genre (deels fictie, deel realiteit). Politieke kwesties en het koningshuis komen vaak in zijn boeken aan bod. Als scenarioschrijver werkte hij onder andere mee aan 'Bernhard, schavuit van Oranje' en aan de film '06/05' van Theo van Gogh.

I Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben
"Je zou denken dat een jongen die in de woelige jaren zestig naar Amsterdam vertrekt, die de journalistiek in gaat, daarna culturele antropologie doet aan de UvA, die gaat echtbreken en allerlei andere rottigheid uithaalt, die cynisch is - want dat ben ik, zeggen ze, dus het zal wel zo zijn - niet meer in God kán geloven, maar dat doe ik dus wel. Niet meer op de gereformeerde manier, niet in het verhaal van de heilige Drie-eenheid, maar... ja, iets, maar dat vind ik een rotwoord. Een plan, nee God, laat ik het nou gewoon God blijven noemen.

Er is meer dan dat ene kale planeetje in die uithoek van dat ene melkwegstelseltje, dat kan niet anders. Stel je nu eens voor dat er een big bang is geweest - en dan laat ik de vraag wie verantwoordelijk is voor de big bang maar even liggen - die ervoor heeft gezorgd dat het leven zich kon gaan ontwikkelen tot wat het vandaag de dag is, dan vraag ik me toch af hoe het kan dat wij, qua aanpassing aan de elementen, hetzelfde hebben doorgemaakt als de dieren, maar dat alleen óns brein evolueert. Je kan wel roepen dat we veel genen delen met de zoogdieren, maar wij leerden piramiden bouwen en zoiets heeft een tijger of een schildpad nooit gedaan. Waarom worden we op één hoop gegooid met dieren die geestelijk niets tot stand brengen? Wij kunnen denken. Dat doet de rest niet. De rest vreet, paart en poept. Ik weet hoe verdomd arrogant en vervelend het klinkt, maar ik geloof dat wij uitverkoren en uniek zijn. Ik geloof ook in een leven na de dood. Lichaam en ziel worden gescheiden; je wordt geestelijk losgekoppeld van de cadeauverpakking en je bestaat op een andere manier, in een andere dimensie, voort. Geloof je dat niet? Bewijs dan maar eens dat het niet zo is. In iets of in niets geloven komt in feite op hetzelfde neer."

II Gij zult u geen gesneden beeld maken noch enige gestalte van wat boven in de hemel, noch van wat beneden op de aarde, noch van wat in de wateren onder de aarde is
"Een van mijn broers had een katholiek meisje. Hij betaalde mij een gulden per maand om er mijn kop over te houden. Als mijn vader daar namelijk achter kwam, zou het afgelopen zijn met zijn verkering. Katholieken deugden niet: zij maakten en verafgoden het gesneden beeld. Ik begreep weinig van dit soort regels, maar ik luisterde er wel naar.

Wat pa zei, wat de dominee preekte, wat er in de Bijbel stond: zo was het. Daarom wilde ik ook zendeling worden. Het woord, de waarheid, moest verspreid worden. Als ik in de zomervakantie twee weken bij mijn neefjes en nichtjes in de kop van de Noordoostpolder logeerde, begon ik ook altijd over Jezus te vertellen. Zij wilden er niets van weten, natuurlijk - en ik deed het ook uit een soort romantische ijdelheid: kijk mij eens dokter Livingstone zijn die de zwartjes leert touwvlechten - maar toch, die heilige plicht van de evangelisatie heb ik wel degelijk serieus genomen. Ik was een letterlijk gelovertje."

III Gij zult de naam van de Here, uw God, niet ijdel gebruiken
"Mijn moeder klaagde altijd dat er zoveel in mijn boeken werd gevloekt. 'Jongen,' zei ze dan, 'hoe kómt dat nou toch?' Ze keek graag naar 'Hill Street Blues', maar ze sprak geen Engels en als er in een aflevering iemand 'Jesus Christ! You bloody motherfucker!' schreeuwde, werd dat door de ondertitelaars van de NCRV vertaald met: 'Hé, verdikkeme, dat moet je niet meer doen hoor.' 'Zie je nou wel,' zei mijn moeder dan, 'zo kan het toch ook?"

IV Gedenk de sabbatdag, dat gij die heiligt, zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen; maar de zevende dag is de sabbat van de Here uw God, dan zult gij geen werk doen
"Het is frappant dat al die gereformeerde jongens van toen - lichting '44, toen een dubbeltje een dubbeltje was en de melkboer nog aan huis bezorgde - allemaal hetzelfde zeggen: aanpoten! Wat nou, zaterdag een vrije dag? Ledigheid is des duivels oorkussen. Je moet je talenten niet begraven, maar er het beste van maken, iedere dag weer. Mijn schoonvader, die op zijn 59ste met pensioen ging, zei: 'Voor mij is het elke dag zondag!' Elke dag zondag? Zeg, dáárvoor zijn wij niet hier op aarde. We zijn hier om te werken. Behalve op zondag? Nee, op die kinderlijke manier geloof ik niet meer. Die geboden zijn strikt, maar je kunt er voortdurend haken bij zetten."

V Eer uw vader en uw moeder
"Mijn vader en ik hadden altijd ruzie. Ik was een lastige puber, ik haalde het bloed onder zijn nagels vandaan. Mijn moeder moest vaak tussenbeide komen. Dat wil zeggen: als hij er was. Hij werkte bij de Binnenlandse Veiligheidsdienst, maar ik had geen idee waar hij was of wat hij deed. Twee dagen na mijn 27ste verjaardag is hij aan een hartaanval overleden.

Als ik zeg dat ik nooit echt contact met hem heb gehad zou ik onze verhouding tekort doen. Er zijn momenten geweest... ik herinner me dat ik een keer rond een uur of twaalf 's avonds thuiskwam en dat hij nog wakker was. Mijn vader trippelde naar een verschrikkelijk soort wandmeubel om te kijken of hij het kastje waar de drank in stond zo zachtjes mogelijk open kon doen - het lukte nooit; mijn moeder, die bijtijds naar bed ging, hoorde alles - en vroeg: 'Weet jij wie God is?' Het was kort nadat hij zijn eerste hartaanval had gehad. Die had hem, van huis uit gereformeerd, aan het denken gezet. Op een dag zag ik een boek van Sartre in huis liggen. Niet 'Sil de Strandjutter' van Cor Bruijn, nee, Jean-Paul Sartre! Ik moet je eerlijk zeggen dat ik die avond, komend van een vechtfilm met Eddie Constantine en een potje biljarten niet veel zin had in zo'n soort gesprek, maar het was wel een boeiende vraag. Het was de vraag van een twijfelaar. Ik denk dat hij, die ons had opgevoed in het geloof, ons iedere zondag had meegenomen naar de kerk, zijn twijfel had willen uitspreken. Dat heb ik toen niet op waarde geschat. Je kan me wat, pa. Ik wil naar bed.

Hij heeft krom gelegen om mij de juiste scholing te kunnen geven. Ik maakte er een rotzooi van, stelde hem teleur.

Ik vind het jammer dat ik hem nooit heb kunnen laten zien dat alles uiteindelijk toch is goed gekomen. Ik heb hem mijn kinderen, zijn kleinkinderen, niet kunnen laten zien...

Ja, ik ben hem op een voetstuk gaan zetten. Waarschijnlijk door al die ruzies, vroeger. Hij was een goede man. Dat heb ik gehoord van anderen die hem beter hebben gekend dan ik. Hij was introvert, maar heel galant, heel aardig. Deed geen vlieg kwaad. Ik ben trots op hem. Trots op zijn verzetsverleden, trots op het feit dat hij één van de oprichters van de Binnenlandse Veiligheidsdienst is geweest - ook al vind ik het een instituut van niks. Ik ben, toen hij dood was, naar hem op zoek gegaan. Letterlijk: waar was hij gebleven? Want we hadden de kist, met hem erin, wel in de aarde laten zakken, maar dat wás hij niet. Het was een omhulsel. Leeg.

Ik heb de meest krankzinnige clubjes bezocht om hem te vinden. 'Tot u spreekt opa!' - terwijl er iemand achter een blikken gordijn stond te rammelen - dat soort werk. Maar ook wetenschappelijker onderzoek; banden afgeluisterd die in absolute stilte opnames hebben gemaakt en later toch stemmen laten horen van mensen die zijn overleden. Nee, ik heb nooit een boodschap van mijn vader gehad en toch heb ik continu contact met hem. Als ik door de stad fiets, wijs ik hem op veranderingen. Als ik een boek schrijf, vraag ik wat hij er van vindt. Een praatpaaltje.

Met mijn moeder heb ik dat contact niet. Dat komt, denk ik, doordat ik haar langer heb meegemaakt. Ik voelde mezelf ook minder verwant aan haar. Ze naaide knopen aan, ze zorgde dat er brood was. Heel zorgzaam, altijd bang dat haar kinderen iets zou overkomen. Het wonderlijke is dat mijn ouders, wat hun geloof betreft, stuivertje hebben gewisseld. Zij kwam uit een vrijzinnig hervormd milieu. Terwijl hij ging twijfelen, werd zij standvastiger. Op een dag kreeg ze te horen dat ze tongkanker had. Toen ik van haar wilde weten of ze bang was, zei ze: 'Nee hoor.' Ik vroeg haar waar ze heen ging, na haar dood. 'Ik ga naar waar ik vandaan kom," antwoordde ze, "terug naar mijn moeder."

VI Gij zult niet doodslaan
"Als het voor de plot nodig is dat er een dode valt, stel ik mij daar iemand bij voor die mij in het gewone leven dwars zit. Mijn ex, de inspecteur van belastingen, noem maar op: ik help ze allemaal om zeep. Heerlijk genre. Moet je ook eens proberen."

VII Gij zult niet echtbreken
"Ik had samen met Theo van Gogh een theorie ontwikkeld: de eerste staat buiten kijf, de tweede is om de breuk met de eerste te verwerken en daarna ben je gelouterd en begin je aan nummer drie. Zo is het in ieder geval bij mij gegaan. Ik heb met mijn eerste liefde acht jaar samengewoond. Het is door mijn schuld kappot gegaan. Ik was er heel ellendig van, en eenzaam. Toen kwam ik op een feestje van mijn broer een mooie Schotse dame tegen die ongeveer hetzelfde had meegemaakt. Het was heel romantisch in het begin: een buitenlandse actrice en een schrijver in de dop, kijk ons eens even een leuk stel zijn, maar in wezen waren we niet meer dan twee stukken wrakhout die tegen elkaar waren gedreven. We probeerden allebei met ons huwelijk de vorige relatie te verwerken. Toen de kinderen zes en twee jaar oud waren zijn we uit elkaar gegaan. Inmiddels ben ik twintig jaar met Dorine getrouwd. We hebben samen een dochter van zeventien. Ik ben mijn vrouw trouw, maar dat is op zich niet zo bijzonder; ik ben altijd monogaam geweest. Niemand die dat ooit geloofde. Ook Dorien niet. Ik was een snelle jongen, beetje een opschepper, met grote auto's en veel vriendinnen. Zij kende de verhalen over de ijselijk mooie vrouwen die tijdens lezingen vooraan zitten en aan het eind van de avond lijzig vragen: 'Moet u nou echt nog helemaal naar huis toe rijden?' Ja, die verhalen kloppen wel, maar ik ben er nooit op ingegaan. Het geeft alleen maar gesodemieter. Geloof mij nou maar."

VIII
Gij zult niet stelen

"Laatste klas lagere school, eerste klas van de middelbare school: we verveelden ons in die lange vakanties te pletter. Dus gingen we bij Vroom & Dreesmann dingen jatten, vlakgommetjes en zo. Gepakt. Politie aan de deur. Mijn vader hels. Een ontzettend pak op mijn sodemieter. Hij kon natuurlijk niet zeggen: 'Zoiets doet de zoon van een BVD'er niet.' We wisten niet waar hij iedere ochtend heen ging met zijn - lege - aktetas. Hij mocht geen stukken mee naar huis nemen en, nog gekker, moest zich iedere dag identificeren. Op zijn groene identiteitsbewijs stond een code: 007.

Ik weet zoveel niet. Wie was mijn vader nou eigenlijk? Hoe zat hij in elkaar? Zo heb ik bijvoorbeeld nooit begrepen waarom hij mij, in '44, toen hij zelf al ondergedoken zat, naar zijn broer heeft vernoemd. Willem was een NSB'er. Direct na de bevrijding werd hij opgepakt, dat gebeurde mede op instigatie van het Bureau Nationale Veiligheid; mijn vader dus. Opgesloten in kamp Duindorp. Tot mijn vader zei: 'Zo is het mooi geweest', het hek opendeed en samen met zijn broer - hij in zijn vrije tijd - verzorgingstehuizen in Scheveningen ging oprichten. Ik vroeg later aan mijn moeder of ze wel wist waar oom Wim het geld vandaan haalde. Zou het niet uit de oorlog kunnen komen? Gepikt van de Joden? Verdiend met verraad? Mijn moeder, bepaald naïef, zei: 'Daar heb ik nou nooit over nagedacht.' Ze spraken er niet over. Mysterieuze man. Hij voelt zo dichtbij en toch ken ik hem nauwelijks."

IX Gij zult geen valse getuigenissen spreken tegen uw naaste
"Het is een compliment als mensen zeggen dat ze niet weten waar in mijn werk de grens tussen waarheid en fictie ligt. Mijn stelregel is dat ten minste 70 of 80 procent waar moet zijn, maar het blijft een roman. Ik schrijf wat een journalist niet zomaar kan beweren en wat historici laten liggen.

Ja, vooral die Tweede Wereldoorlog interesseert me. Dat zal ook wel door mijn goede vader komen. Neem Bernhard: ik ken nog niet de helft van zijn verhaal. Als er ineens zo'n vrouw naar voren komt en zegt: 'Hallo, mijn naam is Mildred, ik ben dochter nummer zeven' denk ik: wat kan mij dat nou schelen? 't Zal best, maar ik ben niet van de Story.

Het is veel interessanter om het bewijs van Berhards wapenhandel boven tafel te krijgen. Toen de moffen hier weggingen bleef er ontzettend veel achter: tanks, pantservoertuigen, motoren, vliegtuigen. Dat werd allemaal in de tuin van Soestdijk geparkeerd en doorverkocht aan Paraguay en Argentinië. Iemand als Fasseur (historicus, biograaf van de Oranjes, AV) roept dan meteen: 'Bewijs het maar!' Tja. Dat bewijs is allang weg: in een put gegooid, benzine erover en een dikke sigaar erachter aan.

De Stadhoudersbrief, ook zoiets. Ben ik járen mee bezig geweest. Bernhard zou zichzelf als Stadhouder van Holland hebben aangeboden bij Hitler. Na jaren van research ben ik ervan overtuigd dat het waar is. Toen ik het verhaal van die brief in mijn serie 'Bernhard, schavuit van Oranje' wilde verwerken, durfden ze daar bij de VPRO niet aan. Uiteindelijk hebben we een middenweg gekozen. We zien Bernhard en Juliana in een hotelkamer in Washington - daar zijn ze echt geweest - en zij pakt een brief op die hij net heeft geschreven. Juliana zegt dan: 'Wat is dit? Je kunt je toch niet aanbieden bij de Führer?' Hij probeert het haar uit te leggen - 'luister, Juul...' - maar zij verscheurt de brief en dat is dat. Dus hij is wel geschreven, maar niet verstuurd. Zo is het zeker niet gegaan, maar daar heb ik mij bij moeten neerleggen. De brief helemaal verzwijgen zou een nog grotere leugen zijn geweest."

X Gij zult niet begeren uws naasten huis; gij zult niet begeren uws naasten vrouw, noch zijn dienstknecht, noch zijn dienstmaagd, noch zijn rund, noch zijn ezel, noch iets dat van uw naaste is
"Ik heb er heel lang mee gezeten. Thrillerschrijvers die steeds maar weer opzij worden geschoven, het stiefkindje van de literatuur. Daar heb je Harry Mulisch weer! Waarom, nou, eh... ik niet een keer? Ik heb vijfentwintig jaar geleden het Genootschap van de Nederlandse Misdaadauteurs opgericht en de Gouden Strop bedacht. Inmiddels zou ik de boel wel weer willen ontbinden. Ze hebben namelijk gelijk: het is géén literatuur. Spannend, entertaining, soms heel goed bedacht, maar het gaat niet diep genoeg; er mist een laag.

Een tijd geleden zei één van mijn kinderen: 'Pa, schrijf nou eens een echt boek!' Ik lachte die opmerking weg, maar 's avonds dacht ik: wat krijgen we nou? Dat laat ik niet op me zitten. Ik begon te schrijven over de relatie met die ene echt goede vriend van mij. We zien elkaar nog wel, maar we voelen allebei hoe die vriendschap bij ons wegloopt... Mooi gegeven, toch? Nou, ik kán het niet. Ik loop vast in mijn zinnen. Ik denk: wat een blabla, waar ben ik mee bezig? Ik doe precies wat mij zo tegenstaat in die Hollandse binnenhuisjesliteratuur; dat eindeloze gezever over een gereformeerde jeugd, mijn moeder zus, mijn vader zo... Ik zou een verteller willen zijn, zoals Hemingway, of Philip Roth. In Nederland had je Jan de Hartog, maar als je zegt dat je die bewondert, deug je niet.

Maar goed, ik moet dus gewoon doen waar ik goed in ben. Het klinkt verschrikkelijk, zo zelfvoldaan, maar ik kan niet anders zeggen dan dat ik blij ben dat het allemaal zo is uitgepakt. Ik heb het gered. Veel geluk gehad. Een zondagskind."

www.trouw.nl/tiengeboden

Voor eerdere afleveringen van de tien geboden

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden