Toeristen, dat zijn de anderen

Reizen is het rijk der onvrijheid betreden. En toch gaan we, in duizendtallen, vol van verlangen naar authenticiteit en avontuur. Geen berg is te hoog, geen zee te diep, geen oord te ver.

Elk jaar als de vakantie naderde, speelde zich in onze kleine familie hetzelfde tafereel af. Het gezin moest er hoognodig op uit. Vriendin en kinderen troffen dan een weerspannige vader, die nog bij het instappen van de Volkswagen Passat de schrijver en existentiële thuisblijver Fernando Pessoa citeerde. "Wat kan China" - in ons geval Frankrijk of Italië - "mij bieden dat mijn ziel mij al niet zou hebben gegeven." Een week later liep de vader over stikhete brocantes, stond hij bij de spoelbakken van de camping tussen de huisvrouwen, nam hij de vakantie-medicatie tegen de vakantie-ongemakken in, en wurmde hij zich in Venetië, Florence of Avignon van bezienswaardigheid naar bezienswaardigheid, terwijl de kinderen uitkeken naar de dichtstbijzijnde McDonalds.

Reizen is het rijk der onvrijheid betreden, is vier weken - want voor minder doen we het niet - leven in volledige afhankelijkheid van norse medetoeristen en van je tolererend gastland. Een groter beproeving voor humeur en humaniteit is bijna niet te bedenken. En toch gaan we.

Jaarlijks trekken duizendtallen Nederlanders erop uit. Vol van verlangen naar authenticiteit, avontuur en welverdiende, helaas tijdelijke onderbreking van het alledaagse bestaan. Geen berg is te hoog, geen zee te diep, geen oord te ver. Als het even kan gaan we naar de oerwouden van Borneo, maken we een ezeltocht door de binnenlanden van Kazachstan of verwonderen we ons op de bult van een kameel over het woeste Radjastan.

West, kortom, zoekt het niet in eigen vertrouwde omgeving, West zoekt het ergens anders, bij voorkeur in Oost of vergelijkbare exotisch gebied op de aardbol.

Hoe dat zo gekomen is, valt te lezen in 'Het ware leven is elders' van Ruud Welten. De filosoof en Sartre-kenner beschrijft het ontstaan van de hedendaagse globetrotter die als vermeende eenling tussen alle andere eenlingen van ervaring naar ervaring hopt. Tegelijkertijd denkt hij hardop na over de toekomst van de allesverslindende wereldtoerist. Hij of zij bedriegt niet alleen zichzelf (alleen reizen is echt leven, de rest is tijd uitzitten), hij dwingt het land van ontvangst ook tot cultureel zelfbedrog. Van Tahiti tot Mexico wordt er in reactie op de 'authenciteitsdrift' een oorspronkelijke werkelijkheid gecreëerd die geen autochtoon meer wil. Het rieten rokje, de sombrero is er niet voor hen, maar voor ons.

Heel lang was reizen allesbehalve de weg naar geluk en geestelijke ontwikkeling. Seneca schreef al spottend over mensen die als trekvogels plaatsen met grote gretigheid opzochten en met nog groter gretigheid weer verlieten. Alsof hij in de 21-ste eeuw kon kijken en horden backpackers en rennende vliegveldtoeristen zag. 'Reizen is dolen', oordeelde de Romeinse denker. Zijn afkeer bleef de norm tot ver in de Middeleeuwen, waar niet de wereld, maar de ziel, de innerlijke reis, het doel was.

Alles werd anders toen men ontdekte dat de aarde rond en bereisbaar was en de mens een lichaam had met behoefte aan sensaties. Sindsdien is de mens reiziger oftewel toerist; het onderscheid tussen die twee is volgens de auteur wensdenken van de moderne wereldhopper, die zichzelf gunstig wil onderscheiden van zijn soortgenoten.

Welten behandelt de historie van de reislust aan de hand van drie wereldberoemde rondtrekkende schrijvers. De Montaigne blijkt de eerste toerist. "Als ik thuis ben", schreef de zestiende-eeuwse essayist, "maak ik mij om alles zo druk als een keuterboer." Hij verliet met regelmaat huis en haard omdat hij zijn eigen beperkingen wilde ontlopen. "Wij zijn voor onszelf een reden tot ontevredenheid. Om ons niet alle moed te laten verliezen heeft de natuur onze blik heel juist naar buiten gericht", aldus De Montaigne.

De volgende die van de wereld het een en ander verwacht is Goethe. Hij maakte zijn Italienische Reise pas op wat gevorderde leeftijd, want eerder was hij er nog niet klaar voor. In Napels ruilt hij zijn Duitse zwaarheid in voor 'roesachtige zelfvergetelheid'. De seculiere pelgrim, zoals Welten hem noemt, reist om zijn oude zelf af te leggen en opnieuw geboren te worden.

Ten slotte is er de Franse schrijver Stendhal. Hij is de eerste die in zijn 'Mémoires d'un touriste' het woord toerist gebruikt, en hij is ook de eerste die gaat voor onbekommerd vermaak. "Ik reis niet om Italië te leren kennen, maar om mijzelf te plezieren." Het ging Stendhal niet om kennis, maar om 'de gevoelens' die de plekken 'bij mij teweegbrengen'.

In de drie schrijvers komen drie belangrijke motieven voor de huidige reishonger samen: De vlucht uit het gewone (Montaigne), zelfvernieuwing (Goethe) en genot door opdoen van ervaringen (Stendhal).

Maar er is een groot verschil tussen de toerist van vroeger en de huidige wereldrecreant. De romantiek is verdwenen, het avontuur is eraf en de individuele ervaring bestaat niet meer. Authenticiteit is alleen nog te vinden in de uithoeken van de aardbol, en blijkt zelfs daar voorgekookt. "Het oriëntalisme van de moderne toerist beperkt zich niet meer tot Turkije of de Arabische wereld", aldus Welten. Het 'oosterse sprookjesland' kan overal gevonden worden, behalve natuurlijk in het geciviliseerde Westen. De moderne toerist moet derhalve telkens weer verder en voort, gehaast op zoek naar 'het echte leven', dat elders is.

Probleem is echter dat hij tussen de locals in Verweggistan steeds zijn studie-, kantoor- of leesclubgenoten tegenkomt. We wanen ons een zwemelende hyperindividuele Goethe of Stendhal, maar zijn de zoveelste meneer Jansen in de rij bij een wereldwonder. Zie daar het drama van de tegenwoordige reiziger. "De toeristen, dat zijn de anderen", schrijft Welten, Sartre's befaamde zin over de hel indachtig.

Welten beschrijft het moderne toerisme als het hoogste stadium van het kapitalisme, met de reiziger in de rol van imperialist en de inheemse kraampjeshouder, Masaikrijger of kralenboy in de rol van afhankelijk acteur. Hij doet zijn exotische kunstje en wij kopen ons een bountystrand-, een oerwoud- of een bergtop-ervaring. "Te vaak beweegt het internationale toerisme zich nog in de nasleep van het imperialisme", vreest de auteur. Zijn conclusie: we moeten onze vanzelfsprekende reislust opnieuw overdenken. De wereld is geen 'groot tourist resort', ze is niet alleen van ons, ze is ook van al die andere miljarden planeetbewoners.

China kan ons terdege iets bieden, maar niet het China dat wij in onze folders en reisgidsen al uitgedacht hebben. Wij moeten opnieuw leren kijken, met frisse, niet door romantische verwachtingen geladen blik. Dat is 'de persoonlijke groei' die we door moeten maken, alvorens we op stap gaan. Weltens heldere boek kan het begin zijn van die innerlijke reis.

Ruud Welten: Het ware leven is elders. Filosofie van het toerisme. Klement Zoetermeer; 199 blz. euro 19,95

Verplaatsingsangst
De wereldreiziger kan zich er niets bij voorstellen, toch bestaat het: reisangst. Zo blijkt uit het prachtige kleine reisdagboek van de dichter Ingmar Heytze. Zijn boek opent met een landkaart van 'Mijn Groot Utrecht', een gebied dat hij gestaag verkent en verovert, in een poging zijn fobie te bedwingen.

Dat doet hij eerst op 'een parelwitte bromscooter' en vervolgens een Vespa Granturismo, oftewel de 'Witte Schicht' en het 'Zwarte Schaap'; wie zijn voertuig geen koosnaam geeft, is het niet waard erop te rijden, aldus de gemotoriseerde auteur.

We zijn als het ware getuige van twee reizen van Heytze: die langs Lunetten en Kockengen, tot Groot Utrecht te klein voor hem is; en we mogen meegenieten van zijn trip door zijn innerlijk behang. Hij vertelt ons over allerhande persoonlijk-historische en therapeutische verklaringen voor zijn reisangst, om te conclu- deren dat er niet zoveel uit te leggen valt.

Hij geneest pas als hij - ingefluisterd door verstandige raadgevers - besluit dat hij 'de eigenaar van zijn eigen gedachten is', dus ook van zijn wanen. Die mantra sleept hem er doorheen.

Onderwijl raast hij op zijn motorvoertuig over de Utrechtse dijken en landwegen. Groet, al roepend 'AFA! AFA' (Angels Forever) naar zwaar gemotoriseerde tegenliggers, die vanzelfsprekend dit motorisch onderkruipsel niet teruggroeten. En hij geniet. "Elke vierkante meter die ik aan Mijn Groot Utrecht toevoeg, is winst, en elke rit door nieuw landschap is vakantie. Ik ben elke dag verwonderd over de schoonheid en de ruimte."

Op zijn beste dagen, schrijft de auteur, beschikt hij over de actieradius van iemand uit de Middeleeuwen: veertig kilometer, een dagmars. Op de schaal van zijn vroegere reizen door Europa - de angst was er niet altijd - heeft hij nog niet eens een stap in de achtertuin gezet, realiseert hij zich. Desondanks rijdt hij met regelmaat 'als een jonge god een nieuw dorp' binnen.

Zeer leerzame lectuur voor alle wereldreizigers, dit boek. Het heet bescheiden 'Reisoefeningen'. 'Zen en de kunst van het motoronderhoud in de polder' was ook een toepasselijke titel geweest.

Ingmar Heytze: Reisoefeningen. Genezen van een fobie. Podium Amsterdam; 137 blz. euro 16,50

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden