Toen werd Gerard vervelend

Het buitenland. Dezelfde wereld, maar toch volslagen anders. Zelfs vader was vrolijker en losser. Alleen de broers bleven elkaar naar het leven staan.

Stevo Akkerman, Gerbrand Bakker, Andrea Bosman, Antal Crielaard, Lodewijk Dros, Jan van Mersbergen, Manon Uphoff en Maartje Wortel schrijven deze zomer een verhaal over 'Familie'. Vandaag a¿evering 3

Over de grens was alles anders. Mooier, zonniger en vrijer. De wegen waren breder, de huizen groter, de bomen hoger, de kleuren warmer, de geluiden luider, de stilte stiller.

Ik had altijd wel vermoed dat er zoiets bestond, maar dit was het dus: het buitenland. Dezelfde wereld, maar toch volslagen anders. Zelfs vader, die in het midden fietste, was niet helemaal zichzelf - zoveel vrolijker en losser dan de man die wij kenden.

Alleen tussen Gerard en mij was niets veranderd; wij bleven elkaar gewoon naar het leven staan. Hij was elf, ik was dertien, er lag een hele generatie tussen ons. Hij kon nog niet eens sjekkies draaien. Niet dat ik dat nu zou doen, met vader erbij, maar bij wijze van voorbeeld. Bier lustte hij ook niet.

Met zwaar bepakte fietsen waren we de grens overgestoken en zo Duitsland binnengetrokken, alsof het niets was. We hadden een tentje waar we net in pasten, vader in het midden, Gerard en ik aan weerskanten, onze hoofden tegen het tentdoek. We hadden een pan. Een gasbrandertje. Een opvouwbare waterzak. En met al die spullen op de bagagedrager reden we richting Bad Bentheim, Gerard voorop, vader vlak daarachter, daarna ik, op een paar meter afstand. Normaal gesproken gingen we in de zomer met z'n allen naar het strand van Zoutelande, maar er was een broertje of zusje op komst, daar hadden we deze buitenlandse tocht aan te danken.

Het was wel heet in Duitsland en Gerard ging veel te langzaam. Je voelde bijna geen wind zo, dat was geen doen.

"Laat 'm eens doorfietsen", riep ik. "Anders kunnen we net zo goed gaan lopen."

"Houd je bek", riep Gerard terug.

Vader zei niets, maar ging naast Gerard fietsen en duwde hem af en toe een stukje. Zo kon ik het ook. De weg ging een beetje omhoog, links en rechts waren lege weilanden, alle koeien hadden zich verstopt - of hadden ze hier geen koeien? - en verkeer was er ook niet, we waren de enigen in dit land en we schoten geen meter op, ik moest me inhouden om niet te versnellen en die twee in te halen, tot ik bij een camping zou komen, met een meertje en ijs en koel drinken - ik kende de weg niet, anders zou ik het doen.

"We stoppen even", zei vader, wijzend naar een picknicktafel aan de rand van een bomenpartij. Hij haalde een fles water uit zijn tas en schonk de plastic bekers vol die moeder had meegegeven, de groene voor hemzelf, de oranje voor Gerard, de gele voor mij.

"Warm", zei Gerard. "Bah."

Vader lachte. "Ja, sorry, koelkast vergeten."

Ik leegde mijn beker in één grote teug. "Liever warm water dan geen water."

Vader spreidde de kaart uit op tafel. "Over een uur of twee, jongens, dan kunnen jullie zwemmen."

Zijn gezicht was rood verbrand, hij had het begin van een baard, en zijn ogen stonden anders dan thuis; veel gretiger. En als hij zijn blik soms even op ons liet rusten, sprak daar een zekere zachtheid uit. Hij zat aan de ene kant van de tafel, Gerard en ik aan de andere kant, onze achterwerken op de leuning.

Vakantie. Tot ik opeens een stoot in mijn zij voelde, mijn evenwicht verloor en achterover kieperde. Ik had de grond nauwelijks geraakt of ik stond alweer op om Gerard van de bank te sleuren, maar hij was snel gevlucht en verborg zich achter vaders rug.

"Grapje", zei hij.

Thuis gooide hij wel eens met dinky toys, dan moest je oppassen, die dingen waren hard. Zelf had ik een keer een groot watergeweer op zijn hoofd in tweeën geslagen. Hij moest uit mijn buurt blijven. Hij was gewoon te klein, lagere school, klas 5, hopeloos. Ik was bezig de wereld te veroveren, het was belangrijk dat ik er stoer uitzag - dit in verband met de meisjes - en als ik over een camping liep, zoals gisteravond, dan wilde ik niet dat Gerard meeging, en dat deed hij dan toch.

We hadden van vader permissie gekregen naar de speelautomaten te gaan, hij had ons zelfs - over de grens was alles anders - wat muntjes in de hand gedrukt. We waren met enige haast op pad gegaan, een beetje bevreesd dat hij zich zou bedenken en ons zou inhalen voor we het Sodom en Gomorra van de flipperkasten hadden bereikt. Maar hij liet ons met rust.

Overal zaten mensen voor hun tent, allemaal luisterend naar 'Radio Tour de France'. Op de klanken van Baccara's 'Yes Sir, I Can Boogie' bereikten we onze bestemming. We flipperden één potje samen, maar dat duurde niet langer dan een minuut; Gerard liet de bal gewoon verdwijnen en hij vond dat niet eens erg. Ik wel.

"Zie je nou hoe stom je bent?", vroeg ik.

"Je bent zelf stom", vond hij.

Het was niet de bedoeling, we hadden niet voor niets een pan meegenomen, maar rond etenstijd kwamen we steeds langs zoveel plekken met zigeunerschnitzel dat vader altijd wel ergens bezweek en ons mee naar binnen nam. We aten gewoon elke dag zigeunerschnitzel!

En dat steevast onder begeleiding van Baccara ' ... boogie woogie, all night long ... '- maar vader zei daar niets van, in dit land vond hij alles goed. Eigenlijk was dat vreemd. Er ging zelfs enige dreiging van uit. Er gebeurden dingen die helemaal niet gebeuren konden, en wij waren er getuige van.

In Bad Bentheim stond onze tent naast die van een Duitse vader met twee jongens, met wie we 's middags een beetje voetbalden (Gerard bakte er weinig van) en 's avonds aan de zigeunerschnitzel gingen in het campingrestaurant. Vader sprak voortreffelijk Duits, hij deed niets liever, en zo bleef hij met de campingbuurman praten en praten en praten. En bier drinken. Pas toen ik Gerard een klodder zigeunersaus in zijn haar had gesmeerd en hij het op een schreeuwen zette, leek vader ons op te merken.

"Ga maar alvast naar bed", zei hij. "Eerst goed wassen. Met koud water."

We vergaten bijna ruzie te maken, zo merkwaardig was dit allemaal. Maar in de tent, waar de man in het midden ontbrak, schopten we elkaar wel van onze luchtbedden af, vechtend om de meeste ruimte. Toen we daar moe van waren en we onze slaapzakken weer hadden ontward, gingen we op vader wachten.

Het duurde lang, het duister zette in, maar we sliepen niet, we hoorden elkaar ademhalen en draaien, we hoorden allerlei geritsel buiten en af en toe kroop een schaduw over het tentdoek, waarschijnlijk van een beest. We waren in het buitenland, het was nacht, en vader bleef weg.

"Gerard?", fluisterde ik. "Slaap je al?"

Hij gaf geen antwoord, maar ik wist dat hij niet sliep. Hij was bang. Van ver weg, waar het restaurant was, klonk af en toe wat geroezemoes, en soms leek het alsof het dichterbij kwam - ja, nu herkende ik de stem van de buurman, nogal luid zelfs, en al kon ik niet verstaan wat hij zei, het klonk behoorlijk onsamenhangend.

"Bent u dronken?", vroeg ik vader toen hij voorzichtig de tent binnenkwam.

"Ik niet, maar de buurman wel. Kom, we gaan slapen. Welterusten."

"Welterusten" - dat was Gerard, klaarwakker.

De volgende dag braken we op voordat de buurman en zijn jongens hun tent uit waren. Vader wilde zelfs niet ontbijten, dat deden we onderweg wel. We gingen nog een stukje verder Duitsland in, een kilometer of veertig, als het goed was stond daar een interessant kasteel, dat zou ons einddoel worden.

"Rijden maar!", zei hij.

Gerard en ik fietsten samen voorop, dat was niet de bedoeling, maar het gebeurde vanzelf. Een uur lang gingen we in fors tempo vooruit, vader ver achterlatend, maar toen werd Gerard vervelend. Hij ging, zogenaamd moe, aan mijn arm hangen. Ik duwde hem van me af, hij greep zich vast aan mijn bagagedrager, ik schopte naar achteren, hij viel en door zijn val viel ik ook.

Nog voor we konden opstaan om elkaar te lijf te gaan, was vader gearriveerd. Hij sjorde me overeind en beet me toe: "Ga jij anders maar alleen fietsen!" Daarna boog hij zich over Gerard.

Ik pakte mijn fiets, keerde om en reed als een razende weg, in de richting van waar we vandaan kwamen. Keihard ging ik, een kwartier, misschien wel twintig minuten lang, tot ik buiten adem raakte en niet verder kon. Ik stopte en keek om, voor het eerst. Ze waren nergens te bekennen. Ik wachtte, maar er gebeurde niets. Het pad bleef leeg.

Dit was Duitsland en ik was alleen.

Ik pakte mijn fiets weer, keerde om, en ging hen keihard achterna.

x

Stevo Akkerman

Stevo Akkerman (1963) is buitenlandredacteur bij Trouw. Van 1991 tot 1995 was hij correspondent in Praag. Vorig jaar verscheen zijn roman 'Donderdagmiddagdochter', over het verlies van een kind, een huwelijk onder druk en een schrijver die zijn geloof moet herijken. Akkerman schreef eerder de romans 'Vals weerzien' en 'De inboorling'.

Illustraties

Deze zomerserie wordt geïllustreerd door studenten van de Willem de Kooning Academie in Rotterdam. Een dertigtal studenten ging aan de slag, uit hun werk zijn de acht beste illustraties gekozen. Tweedejaars Isabelle Oud (Amsterdam. 1993) koos voor het verhaal van Stevo Akkerman. "Ik heb zelf ook twee broertjes. Ze maken dan wel niet zo veel ruzie als de jongens uit het verhaal. Maar ik kon me goed voorstellen hoe ze ruzie zouden hebben." Toen Isabelle vier was bezocht ze met haar ouders de Galleria dell'Accademia in Florence. "Zo mooi, toen wilde ik kunstenaar worden. Later merkte ik dat illustratie een betere manier is om mezelf uit te drukken. Ik denk in beelden. Deze illustraties heb ik eerst uitgetekend met de hand, toen ingescand en op de computer digitaal overgetrokken en ingekleurd."

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden