Toen week de Stilte voor de Tagesschau 'Wende' voor Oostduits klooster in de ware zin een ommekeer Slotzusters overleven Nazi- en DDR-jaren, maar wat nu?

MARIENTHAL - De mooiste blik is van boven. Vanaf de Calvarieberg. Tussen de bomen staan de oude zandstenen kruiswegstaties en beneden strekt zich het kloostercomplex uit, genesteld in een elleboog van de rivier de Neisse. Direct achter het klooster rijst Polen op, maar dat was niet altijd zo. Zes eeuwen van turbulente geschiedenis heeft het barokke kleinood in deze bijna vergeten uithoek overleefd, maar nu dreigt het uitsterven van binnen uit. De laatste novice meldde zich in 1985.

Het in 1234 gestichte klooster in Marienthal behoort toe aan de cisterciënzerinnen, vrome vrouwen wier leven zich streng richt naar het principe 'Ora et Labora'. Bidden en werken bepalen het dagverloop en de omgang met de buitenwereld is uiterst beperkt. “We leven in clausuur,” zegt zuster Hildegard als ze ons ontvangt tijdens het vroege middaguur, waarop ze bezoekers te woord mag staan. Maar zuster Hildegard is priorin, de plaatsvervangster van de abdis, en heeft daarom meer rechten dan anderen. Zijzelf trad in '62 tot de orde toe, ze is afkomstig uit het oostelijk deel van Berlijn. Dat de bouw van de Muur op 13 augustus '61 voor haar levensloop bepalend is geweest, blijkt als ze vertelt hoe ze zich op die dag nog voorbereidde op haar eindexamen medicijnen, dat ze op de 14de aan de Westberlijnse Freie Universitüt zou hebben afgelegd. De Muur kwam letterlijk tussenbeide en haar ideaal om als missie-arts in Afrika te kunnen werken viel in duigen.

Ja, ja, Gods wegen. Ze vertelt de geschiedenis met een nauwelijks onderdrukte glimlach, maar ergens ver weg is de spijt over dat misgelopen levensdoel nog voelbaar. In de plaats van de wijde verten van Afrika traden de muren van Marienthal, veertig kilometer ten zuiden van de grensstad Görlitz. Toen ze aankwam in '62 waren er veertig zusters, nu zijn er nog achttien. Dat ziet er duister uit, maar sinds de Wende, sinds de gebeurtenissen na de val van de Muur in '89, herkent zuster Hildegard tekenen van een heroplevende belangstelling voor het kloosterleven. In Berlijn wacht een vrouw op toelating, maar omdat ze zich nog maar net heeft laten dopen, (“daarvoor was ze niks”) moet ze anderhalf jaar laten vergaan.

De politieke ontwikkelingen sinds '89 zijn niet geruisloos aan het klooster voorbijgegaan: “We hebben ze bijna als een shock beleefd.” De abdis was op dienstreis in Hongarije toen daar in de zomer van '89 de grenzen naar Oostenrijk geopend werden en duizenden DDR-burgers de vrijheid kozen. “Nee, nee, we waren niet bang dat onze abdis niet zou terugkeren maar vanaf dat moment besloten we een televisie te nemen om het nieuws te kunnen volgen.”

Op het beeldscherm volgden ze de maandag-demonstraties in Dresden en Leipzig. “We vonden dat wij ook wat moesten doen, dus hielden we onze eigen processie in de kloostertuin.” De dagen rond de val van de Muur brachten spanning, de DDR-grenswacht legde nog een kordon om het klooster - “Ze dachten zeker dat we ervandoor wilden gaan” - en de zusters vreesden een bezetting door de bevolking - “dat was tenslotte ook bij verschillende kerkgebouwen gebeurd.” Later week die angst voor een andere: dat het klooster een toevluchtsoord zou worden voor asielzoekers die poogden via Polen Duitsland binnen te dringen. “Wat moeten we met die mensen doen? Ze uitleveren? In hemelsnaam! Ze behouden? In hemelsnaam!” Tot nog toe bleef hun het dilemma bespaard.

De nieuwe tijden brachten uiteindelijk grotere veranderingen dan de toch al buitengewone periodes daarvoor. In de DDR-tijd kon het klooster zich in zijn eigen beslotenheid terugtrekken. “De DDR hield zich merkwaardig genoeg aan Hitlers Rijksconcordaat, dat onteigening van kerkelijke goederen verbood. We konden al ons land behouden - waarschijnlijk dachten de rode broeders dat we op den duur zouden opgeven en dat dan het land vanzelf aan de staat zou toevallen.”

Wel moest het klooster een deel van de landopbrengst aan de staat afdragen - een zware belasting die het klooster aan de rand van het faillissement bracht. Daar stond tegenover dat de staat de zusters bij hun interne aangelegenheden met rust liet en dat kon van de nazi's niet gezegd worden. Hitler liet het klooster zijn grondbezit, maar liet de zusters veel belasting betalen; in de oorlogsjaren bezette een afdeling van de Waffen-SS het klooster en vernauwde de bewegingsruimte van de zusters.

Zware tijden beleefden de zusters ook toen enkele gebouwen ter beschikking gesteld werden aan de Hitler-Jugend. Enige verlichting bracht slechts een inkwartiering van de Wehrmacht die het klooster aan het eind van de oorlog als militair lazaret gebruikte en de zusters de gewonden liet verplegen. “Kritisch werd de situatie op 7 mei 1945”, vertelt zuster Hildegard, “Berlijn lag al in puin - op 8 mei zou de capitulatie getekend worden - , maar hier wilde een SS-commandant het klooster opblazen. Alleen de weigering van de abdis en de zusters om het gebouw te verlaten heeft zulks verhinderd. Uiteindelijk blies de SS alleen de oude, granieten brug over de Neisse, die zich naast het klooster bevond, in de lucht.”

Nog steeds liggen de steenbrokken in het rivierbed, alleen heet het land aan de overkant geen Duitsland meer maar Polen. “Vierhonderd hectare van ons ging aan Polen verloren”, zegt zuster Hildegard, “We hebben geen idee wat ermee gebeurd is.” De binnenvallende Russische troepen die zich elders danig aan Duitse vrouwen vergrepen, gedroegen zich tegenover de zusters fatsoenlijk. “Overal waar de Russen echte religiositeit tegenkwamen, lieten ze hun beestachtigheid varen.”

Nog steeds bezit het klooster aan Duitse zijde zo'n elfhonderd hectare land, waarvan achthonderd uit bos bestaat en driehonderd 'onder de ploeg' is. Maar in de nieuwe tijd dreigt het bezit dat nazi's en communisten overleefde uiteen te vallen. “De Wende was voor ons letterlijk een ommekeer, we moesten als zelfstandige onderneming gaan functioneren en zelf ons land exploiteren. Dat konden we natuurlijk niet, dus moesten we pachtcontracten leren opstellen en pachters zoeken. Ook zaten we met onze gebouwen buiten het slot. Die zijn meer dan 250 jaar oud. Vroeger bevonden zich daarin werkplaatsen, koeiestallen en landbouwwerktuigen. Ze staan nu leeg, maar volgens de nu ook voor ons geldende regels van monumentenzorg zijn we verplicht ze te onderhouden. Daarvoor ontbreekt ons het geld en dus hebben we een deel van de gebouwen in laten richten als een internationaal ontmoetingscentrum, dat groepen kunnen huren.”

De grootste investeerder is het klooster zelf. Het 1,7 miljoen mark kostende ontmoetingscentrum is in bezit van een stichting met de abdis als voorzitter. De zusters in zaken: “De eerste maanden waren we helemaal volgeboekt.” Niet dat ze blij zijn met de drukte, de Wende heeft ze in feite een deel van hun inkeer en beslotenheid ontnomen. “Het centrum kost ons hartebloed.”

Nog twee keer per week, op dinsdag en donderdag, kijken de zusters naar de Tagesschau, niet vanwege het beursnieuws, maar vanwege de politiek. Ook het televisiekijken is een overblijfsel uit de dagen van de Wende; het verdringt die dagen het traditioneel voorgeschreven 'Silentium Religiosum' - het grote stilzwijgen.

We volgen zuster Hildegard naar de kerk waar de zusters de Vesper houden. De ruimte wekt de indruk romaans te zijn, maar met barokke elementen. De psalmrecitering van de zusters klinken ijl en dun, het schaarse licht valt op de zij-altaren met hun uit de catacomben van het oude Rome stammende relikwieën: vroeg-christelijke schedels onder sierlijke kroontjes. In de kerkbanken zit een busgezelschap uit Thüringen. “Aardig complex”, fluistert een man, “maar het valt me tegen dat ze geen bier brouwen.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden