Toen men nog wegdroomde bij Eric de Noorman

Om te beginnen had je de censuur. Die zorgde er tot in de jaren '50 voor dat Nederlandse lezers van Eric de Noorman al het vrouwvolk dat de rijzige vorst-met-het-gele-haar omzwermde slechts in gekuiste vorm te zien kregen. Wie wilde genieten van de sensualiteit die Hans Kresse zijn vrouwelijke stripfiguren meegaf moest de oblongboekjes in Vlaanderen kopen. Bij ons werd elk decolleté met de pen opgevuld, ieder bloot vrouwenbeen discreet weggewerkt.

TON CRIJNEN

Trouwens, Eric zelf heeft het negentien jaar lang zonder tepels en navel moeten doen. Om van andere essentialia te zwijgen. Die had hij ook niet nodig, want zelfs de aanzet tot een vrijpartij werd de lezer onthouden. Het was een tijd (1946-'64) waarin men niet over seks sprak, laat staan het beschreef of uitbeeldde.

Nog in 1959 werd een auteur, Han B. Aalberse, door de zedenpolitie aangehouden omdat een van zijn boeken (De liefde van Bob en Daphne) mild-erotische scènes bevatte.

Met name vrouwen kregen steeds opnieuw te horen dat ze buiten het huwelijk iedere situatie waaraan erotische aspecten zaten moesten vermijden. Dat zeiden niet alleen de dominee, de pastoor en de rabbijn, maar ook de huisarts, de gedragsdeskundige en de redactrice van 'Magriet weet raad'. Even eensgezind waren die in hun oordeel dat een vrouw buitenechtelijke escapades van haar man geduldig en liefdevol diende uit te zweten.

Geen vrouw in 'Eric de Noorman' was mooier, kuiser en trouwer dan Winonah, de priesteres uit Atlantis die de vikingvorst na veel mythische avonturen tot de zijne had gemaakt. In haar dienstbaarheid als echtgenote en moeder sloot ze naadloos aan bij het naoorlogse vrouwenbeeld.

Bladen als Margriet, Libelle en Beatrijs zagen de ware vrouw als een stille, zorgzame fee die niet alleen alle wensen van haar man vervulde, maar deze zelfs voorkwam.

Onbaatzuchtige plichtsbetrachting, liefdevolle berusting en het zorgvuldig vermijden van elk conflict vormden de contouren van dit werkelijkheidsvreemde beeld dat veel schade aanrichtte en nog altijd niet helemaal is vervaagd.

Hetzelfde geldt voor de mannelijkheidsidealen die in de Noorman-strip breed werden uitgemeten: stoere dadendrang, ontembare moed en de evenzeer aan 'de' man toegeschreven praktische wijsheid die hem boven iedere vrouw verhief.

Het bracht de overheid er, onder applaus vanaf de kansel, toe om - na vijf (oorlogs)jaren van feitelijke emancipatie - vrouwen weer naar keuken en kinderkamer te verbannen. Voor de echte (mannen) wereld werden ze als 'niet hard' genoeg beoordeeld.

De tekeningen bij 'Eric de Noorman' waren zwart-wit. Dat gold ook voor de moraal die ze uitdroegen. Goed was goed en fout fout, daar zat geen streepje grijs tussen. Niet alleen de tekst gaf dit helder aan, ook in de tekeningen werd dat zichtbaar. Zo staken de edele gelaatstrekken van koning Eric en diens wakkere zoon Erwin messcherp af tegen het lombroso-uiterlijk van de meesten van hun eindeloze rij tegenstanders.

Dit spoorde met de manier waarop de doorsnee Nederlander in die dagen van koude oorlog de communisten bezag. Binnen een strak omlijnd vijandbeeld keek men angstig, maar zelfingenomen oostwaarts.

Het waren de jaren van de communistische machtsovername in Praag (1948), de wegblokkade van West-Berlijn (1949), de oorlog in Korea (1950-'53), de Hongaarse opstand (1956), de bouw van de Muur (1961) en de Cubacrisis (1962). Een tijd waarin je nog volkomen zeker wist wie je vrienden en vijanden waren.

En dan is er nóg een reden waarom de Noorman-strip zo goed spoorde met de geest van die tijd. In een periode van wederopbouw en bestedingsbeperking bood hij, vooral in de jaren '40, een mogelijkheid te ontsnappen aan de grauwheid en zorgelijkheid van het bestaan. Tovenaars, heksen, dwergen, monsters en zingende zwaarden gaven het gretige lezerspubliek tussen 13 en 23 daartoe alle kansen.

Terwijl hun gepermanente moeders in zwarte plissérok of deux-pièces, daaronder nylons-met-naad, in de rij stonden bij De Gruyter om voedselbonnen in te ruilen, en hun vaders, in antracietgrijs pak en brylcream in het haar, met een broodtrommeltje naar het werk vertrokken, schetste Kresse een wereld waarin schone langharige dames, gehuld in fantasierijke gewaden smachtend zaten te wachten totdat hun gehelmde echtgenoten terugkeerden van de eeuwige krijg.

Alle politiek-morele correctheid ten spijt was 'Eric' niet echt populair bij bestuurders, opvoeders en voorganggers. Hij behoorde immers tot een genre waarvan het Maandblad voor christelijk volksonderwijs in 1948 schreef dat het zedenbedervend, zinnenprikkelend en infantiliserend was.

Dit bleek het startschot voor een nationaal debat dat tot 1964 duurde en waarbij de kritiek het felst was in rooms-katholieke hoek. Daar zag men strips als een bedreiging voor het roomse boek. Toegegeven, de commotie spitste zich toe op beeld-romans à la Dick Bos en Charlie Chan, maar moralisten als L. Schevenhels schoren tekststrips als die van Kresse over dezelfde kam. Later zou studie leren dat strips het lezen van 'echte' boeken niet afremden.

De stripdiscussie hing samen met de paniek die in 1948 binnen Nederland uitbrak over de 'morele verwording' van de massajeugd. Een omschrijving die weinig of niets zei.

In opdracht van de overheid stelden zeven sociologische en pedagogische instituten een onderzoek in. Vijf jaar later (1953) lag er een rapport van 900 pagina's op tafel met als voornaamste conclusie: de jeugd is verwilderd als gevolg van de teloorgang van iedere vorm van traditie, sociale conventie, moraliteit en geloof. “Zij houdt”, beweerde de studie, “er een banale, materialistische moraal op na, terwijl vulgair hedonisme het hoogste levensdoel vormt. Gezin, school noch jeugdorganisatie kunnen op dit verschijnsel een afdoend antwoord geven.” Zinnen die vandaag geschreven zouden kunnen zijn. In 1959 veegden Leidse sociologen na gesprekken met jongeren de vloer aan met dit cultuurpessimisme.

Door dit soort discussies kreeg de periode 1946-'64 postuum het stempel van kneuterig, knus, puriteins, regentesk en gezagsgetrouw opgedrukt. Een nijvere samenleving waarin tucht en ascese domineerden.

Thans zetten sociologen vraagtekens bij dit beeld van dodelijke saaiheid zoals dat ook in Reve's 'De avonden' (1947) naar voren komt. Volgens hen was dit slechts één kant van de medaille en werden eind jaren '50, begin '60 al de eerste tekenen zichtbaar van het latere ontzuilings- en democratiseringsproces. Niet op politiek gebied, maar wel op sociaal terrein en in de manier van denken en doen bij tamelijk brede lagen van de Nederlandse bevolking.

De feiten lijken hen gelijk te geven. Zo zagen de rooms-katholieke seminaries het aantal priesterkandidaten sterk teruglopen en nam de kerkgang onder gewone gelovigen af.

Het bisschoppelijk mandement van 1954, dat de gelovigen verbood lid te zijn van NVV of Vara en hen het lidmaatschap van de PvdA ontraadde, leek het autoritaire gezag van de kerk te bevestigen. In werkelijkheid was het eerder een wanhopige, tot mislukken gedoemde poging de ingezette ontzuiling tegen te gaan.

Binnen de confessionele blokken - in het katholieke kamp het meest zichtbaar - begon de achterban zich geleidelijk te ontworstelen aan de absolute autoriteit van kerkelijke doctrines en hun clericale vertolkers. Een intellectuele elite van leken kwam op, wier moderne levensinstelling botste met de kerkelijke gezagsverhoudingen. Vaticanum II kwam ook in Nederland niet uit de lucht vallen.

Zelfs onder de van huis uit conservatieve gereformeerden voltrok zich in die jaren een stille omwenteling. En in hervormde kring gingen theologen als Hendrik Kraemer, Noordmans, Miskotte, Van Niftrik en Krijn Strijd nieuwe wegen.

Maar ook buiten de kerk was er, voor wie goed keek, veel interessants waar te nemen. Zo lieten in 1958, bij een enquête onder Nederlandse jongeren, de meesten weten er geen kwaad in te zien als een verloofd stel samen op vakantie ging. Daarbij calculeerden ze de kans op seks in. Begin '47 had een soortgelijk onderzoek al aan het licht gebracht dat veel meisjes voorechtelijk geslachtsverkeer als een logisch gevolg van het verloofdzijn zagen. Dit terwijl de pil nog niet bestond en andere contraceptiva moeilijk te krijgen waren.

De man-vrouwverhouding begon langzaam te veranderen. Dat bleek onder meer uit de cultfilm Les tricheurs, (1959) bij ons uitgebracht onder de titel Zondaars in spijkerbroek en door menig geestelijk voorganger verketterd. Weliswaar fungeerden meisjes er nog steeds als lustobject, maar ze namen nu zelf het initiatief tot het vrijen en speelden binnen de groep niet langer een ondergeschikte rol.

(Omstreeks diezelfde tijd traden in de Eric-strip ineens vrouwen op die zich bij gevaar niet meteen vol angst in de armen van echtgenoot of beschermer wierpen, maar zelf het zwaard ter hand namen. Strijdvaardige types als Erics leenvrouwe Astara en Aranrod, heerseres van Durrah. Zij lieten zich niet door mannen ringeloren.)

Naarmate het opleidingsniveau van jongeren verder toenam veranderden ook de gezagsverhoudingen binnen het gezin, waar de ouders vaak een lagere opleiding hadden genoten. De bevelsstructuur werd langzaam een onderhandelingsrelatie.

Nee, de jaren '40 en vooral '50 waren niet alleen het tijdperk van de Bonte Dinsdagavondtrein, Fanfare en de zoetige romantiek van Pat Boone, maar ook van Charlie Parker, De avonden, La Strada, en de rock 'n' roll van Elvis Presley en Little Richard. Naast de brave Doris Day en de zoetige Romy Schneider ('Sissi') waren er rebellen als James Dean en natuurlijk het sekssymbool Brigitte Bardot.

Rond 1958/59 kregen ook in ons land jongeren in de gaten dat het leven heel wat meer inhield dan wat thuis werd voorgeleefd. Zo ontstonden de dijkers (werkende jongeren) en pleiners (middelbare scholieren) die zich qua houding en gedrag afwendden van de oudere generatie.

Uit gingen de veterdasjes, slipovers en houtje-touwtje-jassen en aan de blauwe blazers, sweaters, lange blokdassen en groene parka's. En wie als jongen echt wilde 'blitzen' droeg een broek met strakke pijpen, reed op een Berini, liep met een caesarkop rond, liet zich be-bop knippen of had een vetkuif met 'kippenkont'.

Meisjes verruilden permanent en watergolf voor rattenkop of getoupeerd haar, trokken vijf petticoats over elkaar aan, kochten strakke truitjes en voorgevormde punt-beha's.

Pick-up en tv veroorzaakten een revolutie in de cultuur; in die van jongeren het meest. De platenspeler doorbrak het muziekmonopolie van de verzuilde omroepen en bracht Connie Francis, de Everly's en Paul Anka onder ieders gehoor. En wat de televisie betreft, die liet al gauw zelfs het meest afgelegen boerendorp kennismaken met alle moderniteiten.

Snelle stijging, na 1955, van de welvaart bracht het Amerikaans consumptisme binnen veler bereik, wat het loslaten van tradities stimuleerde. Dat ging overigens geleidelijk, zeker bij de volwassenen die tot diep in '60 vasthielden aan de oude waarden.

Zo naderde ook het einde van Eric de Noorman. Zeker toen Kresse begin jaren '60 het mythisch-broeierige verruilde voor het historisch-verantwoorde. Een jonge generatie die met realisme en zakelijkheid werd doodgegooid maalde er niet om dat de slag op de Catalaunische velden zich echt had voorgedaan. Men wilde magie en inspiratie en vond dat bij de kabouters van Roel van Duyn en in het neomarxisme van Lukacs en Marcuse. Eric werd doodverklaard.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden